Homiletische hulplijnen 76
Performance

Onlangs verscheen aan de rechterzijde van Nederlandse protestantisme alweer een homiletisch leerboek. Steeds bij dezelfde uitgeverij. Eerst Kees de Ruijter, Horen naar de stem van God. Theologie en methode van de preek, Zoetermeer 2013. Vervolgens Bert de Leede/Ciska Stark. Ontvouwen. Protestantse prediking in de praktijk, Zoetermeer 2017. Daarbij voegt zich nu Gerrit Immink, Over God gesproken. Preken in theorie en praktijk, Utrecht 2018 (de verschillende plaatsnamen documenteren de verhuizing van uitgeverij Boekencentrum).

In de kerkelijke wereld waarin dit laatste boek gelezen wordt, is onderkend dat het derde hoofdstuk, over ‘De preek als performance’, een belangrijk thema aansnijdt. Het is het meest empirische hoofdstuk, gefundeerd in een antropologie van spreken en luisteren. Het maakt daarmee ook dat Over God gesproken een praktisch-theologische studie mag heten.   
            Maar let wel: ‘performance’ heeft hier een smalle betekenis. Ook fysiek is de ruimte beperkt: de kansel. In de traditie van Immink en de zijnen is heel de kerkruimte gericht op ‘het Woord’, dat wordt verzinnebeeld door de centraal geplaatste kansel met daarop een opengeslagen eeuwenoude Statenbijbel, waar niet uit gelezen wordt maar die dient als onderlegger voor de papiertjes van de dominee. De bijbelvertaling die wel gebruikt wordt, is veelal de Herziene Statenvertaling (2010), hoewel Immink zelf vooral de Nieuwe Bijbelvertaling citeert (2013). In deze kerken ontbreekt een altaartafel, ook een ambo wordt er niet gevonden, lectoren zijn er niet. Van begin tot eind staat de predikant op de kansel: ‘Een voorganger heeft de taak om op de kansel de Bijbel open te slaan en uiteen te zetten’ (p. 12). Op die halve vierkante meter moet de beoogde performance plaatsvinden.

In het gewone spraakgebruik betekent performance:
- ‘Theatrale voorstelling van een podiumkunstenaar of beeldend kunstenaar’ (woorden.org);
- ‘Kunstwerk dat in de vorm van een (theatrale) actie aan het publiek wordt gepresenteerd. De eerste performances vonden plaats in de jaren zestig’ (quizlet.com/nl);
- ‘Ook body art. Theatrale handeling van meestal één persoon, met het lichaam als beeldend materiaal en in relatie tot enkele rekwisieten. Deze kunstvorm die binnen het beeldende-kunstcircuit ontstond, vond haar hoogtepunt in de jaren zeventig. Soms gericht op het testen van menselijke gedragingen, bijvoorbeeld het uithoudingsvermogen van het publiek. Riten, feminisme, homo-emancipatie zijn enkele van de onderwerpen die in deze kunstvorm aan de orde komen’ (www.cultureelwoordenboek.nl/internationale-beeldende-kunst-vanaf-1850/performance).

De lichaamsvreemdheid van dit soort protestantisme brengt echter een heel andere invulling van performance met zich mee. Immink schuwt het woord ‘kunstuiting’ niet, maar reduceert zijn kunst tot vooral een verbale werkelijkheid: ‘welsprekendheid’. Inzet van dit hoofdstuk is een quote van Gert Otto die er de vinger bij legt ‘dat niet zozeer slechte theologie tot slechte preken leidt, maar juist de verraderlijke taalkundige desinteresse en het talige onvermogen van veel predikanten leidt tot inhoudsarme en niet aan te horen en niets uitwerkende preken – omdat juist daardoor de realiteit wordt verloochend’ (113).
            Imminks definitie van de preek als performance is: ‘een samenspraak tussen de spreker en de hoorders’, maar ‘samenspraak’ wordt hier in oneigenlijke zin gebruikt, immers alleen de predikant is aan het woord, het is ‘samenspraak’ als het ware, ‘samenspraak’ bij wijze van spreken’, ‘samenspraak’ als metafoor: ‘Die interactie zet iets in beweging. Spreker en hoorders voltrekken samen een godsdienstige praktijk…’ (10). Het is bovendien een performance ‘waarin het geloof in God zo ter sprake komt, dat er ook een werkzaamheid van Godswege wordt verwacht’ (16). ‘De preek heeft een energetische werking’ (32) of met een citaat van Eugene L. Lowry: ‘Een preek is geen leerrede, maar een gebeuren in de tijd (event in time), een narratieve kunstvorm die meer verwant is met een toneelstuk… dan met een boek’ (106).
            Kortom, ‘er gebeurt iets’. Immink verwijst in zijn boek een paar keer naar Paul Ricoeur. Ook ik moest bij het lezen van dit boek aan Ricoeur denken, namelijk aan zijn term recontextualisering. Immers, een gesproken woord maakt deel uit van een context waarin lichaamshouding, gezichtsuitdrukkingen en vele andere non-verbale factoren meespreken. Het wordt gehoord in een netwerk van verhoudingen. Dat valt weg als het woord op schrift komt te staan. Het raakt zijn context kwijt (decontextualisering). ‘Gods Woord’ is een boek geworden: de Bijbel. Die staat in de kast. Misschien duurt het een week of een jaar of eeuwen voor iemand het boek weer opslaat.
            Zodra de bijbel wordt voorgelezen, dus weer mondelinge taal wordt, komen de oude woorden in een nieuwe context tot klinken (recontextualisering). Maar in deze nieuwe context klinken ze nog onwennig. Ze hebben met de nieuwe situatie nog geen ervaring. De context dóet wat met het woord. En omgekeerd: het zojuist in de mond genomen oude woord dóet ook wat met de plek waar het nu weer bezeild is.
            Wat Immink performance noemt, is het gebeuren van deze recontextualisering. De preek speelt daarin een rol, maar – en Immink onderkent dat – ook de schriftlezing als zodanig heeft ‘een eigen performatieve werking. Er gebeurt iets als de Schrift in de liturgie voorafgaand aan de preek gelezen wordt’ (220).
            Het woordje ‘voorafgaand’ echter maakt duidelijk dat in de protestantse traditie van Immink de dienst niet om de lezing maar om de preek is begonnen. De schriftlezing is voorwerk, de Schrift wordt namelijk gelezen ómdat de dominee er straks iets over gaat zeggen. Als Immink van een lectionarium spreekt noemt hij het een ‘preekrooster’. Hij koestert bedenkingen bij ‘preken aan de hand van preekroosters: het commentaar op drie afzonderlijke Bijbellezingen vormt samen nog geen preek’ (140). Dat een lezing op zichzelf zou kunnen staan, komt niet in hem op.

In het eerder genoemde boek van De Leede en Stark wordt de eenheid van Woord en Sacrament benadrukt: ‘De preek verliest zeggingskracht, en verarmt, wanneer zij niet in de viering van de liturgie hoorbaar en in het script van de liturgie zichtbaar ergens naartoe leidt. Wanneer zij niet evoceert tot verandering, tot een daad in de vorm van opstaan, naar voren gaan, knielen, ontvangen, overgave, vooruitgrijpen op het Rijk dat komt, schiet zij tekort’ (Ontvouwen, 281). En met een beroep op Karl Barth: ‘Het functieverlies van de preek heeft alles te maken met het functieverlies van het sacrament.’
            Bij Immink ontbreekt het Sacrament. Waar Luther en Calvijn het Sacrament graag en vaak vierden, valt het in het spiritualisme van Immink nagenoeg weg. In het register van zijn boek komen lemmata voor als: bevinding, geloofservaring, gemoed, innerlijk, subjectief, toe-eigening en vroomheid, maar zoekt men tevergeefs naar de maaltijd van de Heer. Ten opzichte van Ontvouwen. Protestantse prediking in de praktijk zet het werk van Immink een stap terug.

 

drs. Klaas Touwen

webdesign: Artis