Boeteviering voor de Advent


Openingslied: Vernieuw Gij mij, o eeuwig Licht

Vernieuw Gij mij, o eeuwig Licht!
God, laat mij voor uw aangezicht,
geheel van U vervuld en rein,
naar lijf en ziel herboren zijn.

Schep, God, een nieuwe geest in mij,
een geest van licht, zo klaar als Gij;
dan doe ik vrolijk wat Gij vraagt
en ga de weg die U behaagt.

Wees Gij de zon van mijn bestaan,
dan kan ik veilig verder gaan,
tot ik U zie, o eeuwig Licht,
van aangezicht tot aangezicht.
(GvL 538, LB 834)

De voorganger opent met het kruisteken en spreekt een openingswoord:

v. Broeders en zusters,
de Advent is een heilige tijd, die ons is gegeven
om ons op onze levensweg te bezinnen.
We worden uitgenodigd in alle oprechtheid
te kijken naar ons doen en ons laten,
schuldbewust wellicht, maar ook in het besef
dat wij te allen tijde opnieuw mogen beginnen.
In dit uur willen wij ons toevertrouwen
aan de barmhartigheid van God,
die trouw is tot in eeuwigheid
en die ons helpt te onderscheiden
waar we tekort zijn geschoten in aandacht en liefde,
om ons zo terug te voeren naar de weg van liefde
waarop Jezus ons is voorgegaan, de Komende,
die mens geworden is om onze gebrokenheid te genezen.

Litanie
De voorganger en de lector bidden de aanroepingen voor. De gemeenschap antwoordt telkens met het refrein: ‘Heer, vernieuw ons.’

v. Heer onze God, omdat wij niet altijd zien hoe groot de hoop is waartoe Gij ons roept, bidden wij tot U:

l. Als we de goede richting kwijt zijn…  a. Heer, vernieuw ons.
Als we geen toekomst meer willen of kunnen zien…
Als we alleen op eigen hand leven…
Als we onszelf niet meer begrijpen…
Als we moedeloos en zonder veerkracht zijn…
Als het kil is in ons hart…
Als we dreigen stil te blijven staan…
Als we geen smaak meer vinden in het leven…
Als we de stem van ons hart niet meer horen…
Als we de stem van de ander niet meer horen…
Als we uw belofte van barmhartigheid vergeten…
Als we uw geboden niet langer onderhouden…

v. Wil dan, eeuwige en barmhartige God,
U over ons ontfermen,
onze zonden vergeven
en ons geleiden tot het eeuwig leven.
a. Amen.

Schriftlezing: Jesaja 40,1-5
Bemoedigt, bemoedigt mijn volk, spreekt uw God. Spreekt tot het hart van Jeruzalem en roept het toe dat zijn diensttijd voorbij is, dat zijn schuld is voldaan, dat het uit de hand van de Heer ontvangen heeft een dubbele straf voor al zijn zonden. Hoort, iemand roept: ‘Bereidt de Heer een weg in de woestijn, in het dorre land een rechte baan voor onze God. Elk dal moet worden opgehoogd, en elke berg en heuvel afgegraven; oneffen plekken moeten vlak gemaakt worden en ruige gronden worden vrijgelegd. De glorie van de Heer zal zich openbaren, en alle mensen zullen haar eenparig zien. Voorwaar, de mond van de Heer heeft gesproken.’

Psalmgebed: Uit psalm 42-43
v. Zoals een hert reikhalst naar levend water,
zo wil ik, God, met heel mijn wezen naar U toe.
a. Ik dorst naar God, de levende God;
wanneer sta ik eindelijk oog in oog met mijn God?

v. Ik heb geen brood dan tranen, dag en nacht,
en altijd weer hoor ik ze zeggen: ‘Waar blijft nu je God?’
a. Ik moet er steeds aan denken, en dan schiet mijn hart weer vol,
hoe ik meeliep in het gedrang, naar het huis van onze God.

v. En dan hoor ik ze weer zingen,
heel die feestelijke stoet.
a. Maar waarom dan zo moedeloos,
waarom zo opstandig?

v. Ik zal wachten op God,
en eens zal ik Hem danken.
a. Mijn God, Gij zijt mijn lijfsbehoud,
Gij zijt mijn God.

v. God, geef mij vandaag en elke dag een teken van uw liefde,
dan zal ik voor U zingen tot diep in de nacht, zolang ik besta.
a. O God, rechtvaardig mij en vecht voor mij,
verlos mij uit de greep van list en leugen.

v. Zend mij uw licht en uw trouw tegemoet:
zij gaan voor mij uit naar uw heilige berg.
a. Zij zullen mij brengen
tot binnen in uw huis.

v. Dan mag ik opgaan naar het altaar van God,
Hij die mijn vreugde is, van jongs af aan.
a. Dan zal ik met harpspel U danken,
mijn Heer en mijn God.

Evangelielezing: Johannes 1,19-28
Dit dan is het getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en levieten naar hem toe zonden om hem te vragen: ‘Wie zijt gij?’ Daarop verklaarde hij zonder enig voorbehoud en met grote stelligheid: ‘Ik ben de Messias niet.’ Zij vroegen hem: ‘Wat dan? Zijt gij Elia?’ Hij zei: ‘Dat ben ik niet.’ ‘Zijt gij de profeet?’ Hij antwoordde: ‘Neen.’ Toen zeiden zij hem: ‘Wie zijt gij dan?’ Wij moeten toch een antwoord geven aan degenen die ons gestuurd hebben. Wat zegt gij over uzelf?’ Hij sprak: ‘Ik ben, zoals de profeet Jesaja het uitdrukt, de stem van iemand die roept in de woestijn: Maakt de weg recht voor de Heer!’ De afgezanten waren uit de kring van de Farizeeën. Zij vroegen hem: ‘Wat doopt gij dan, als gij de Messias niet zijt, noch Elia, noch de profeet?’ Johannes antwoordde hun: ‘Ik doop met water, maar onder u staat hij die gij niet kent, hij die na mij komt; ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken.’ Dit gebeurde te Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes aan het dopen was.

Korte overweging
‘Ik ben, zoals de profeet Jesaja dat uitdrukt, de stem van iemand die roept in de woestijn: Maakt de weg recht voor de Heer!’ Dit citaat uit Jesaja neemt Johannes in de mond om zichzelf in de lijn van die grote profeet te stellen en diens woorden op een nieuwe en ongehoorde manier in vervulling te laten gaan.
Het woord ‘weg’ brengt ons terug in de tijd dat het christelijk geloof nog gloednieuw en kersvers was. De vroege kerk en het geloof in Jezus Christus werden simpelweg omschreven als ‘de Weg’. Wat is een weg? Je zou heel simpel kunnen zeggen: een manier om van A naar B te komen. Dat kan rechttoe rechtaan, zoals een Amerikaanse highway die vele honderden kilometers lang door een leeg landschap loopt en al die tijd geen enkel bochtje kent. Maar het kan ook slingerend en kronkelend, zoals een weg die zich in allerlei bochten door een gebergte wringt.
Johannes zegt in navolging van Jesaja: maak de weg recht voor de Heer. Dat wil zeggen: leef zodanig dat God snel en geruisloos op jou toe kan komen. Alles wat zijn komst in de weg staat, moet uit de weg worden geruimd. Johannes noemt dat bekering: zodanig werken aan je levensweg dat je God als het ware al in de verte kunt zien.

Amen, zouden we nu kunnen zeggen – zo zij het. Maar we weten heel goed dat onze levensweg meestal niet zo kaarsrecht is dat we God voortdurend in het zicht hebben. Meestal is onze levensweg een kronkelig bergpad dat nu eens steil omhoog gaat en dan weer omlaag, een smal pad dat voert over kale rotsen of dichte bossen of langs angstwekkend diepe kloven. Een pad dat we de ene dag vol goede moed bewandelen, maar de andere dag met lood in de wandelschoenen. En dat is best te begrijpen. Niet voor niets zei de Duitse schrijver Erich Kästner: Wird’s besser? Wird’s schlimmer? fragt man alljährlich. Seien wir ehrlich: Leben ist immer lebensgefährlich! Ja, onze levensweg is vaak een ronduit gevaarlijke weg, waarbij God bij elke stap verder weg lijkt, in plaats van dat we Hem nabij weten.
Ook als kerk, als mensen van de Weg, kunnen we het gevoel hebben dat we ons begeven op een kronkelig, onoverzichtelijk en gevaarlijk bergpad waarvan we bij God niet weten waarheen het ons voert. Onze levensweg kunnen we maar zeer ten dele effenen en rechten.
De vraag is: hoe zwaar tillen we daaraan? Hoeveel gewicht geven we aan onze angst en onze moedeloosheid, door onze misstappen, door onze neiging af te dwalen of om te keren? Wellicht beziet God onze levensweg vanuit een heel ander perspectief. Waar wij een doodlopend pad zien, ziet hij ons stap voor stap naderbij komen. Zijn blik glijdt over heuvels en door dalen, langs haarspeldbochten en diepe afgronden. Geduldig ziet hij ons voortgaan, tot hij ons, als we het allang niet meer verwachten, in een bocht verschijnt om ons in de armen te sluiten.
In deze viering worden wij ons bewust van het feit dat we vaak struikelaars zijn op onze weg naar God. Maar – nog belangrijker – mogen we ons te binnen brengen dat hij de Komende is, die weet dat onze omwegen ons vaak alleen maar dichter bij hem brengen. Als teken van onze bereidheid onze moedeloosheid achter ons te laten en in vertrouwen voort te gaan op weg naar hem, willen wij zo dadelijk een gebaar van omkeer en verzoening stellen.

Stilte

Gebaar van omkeer en verzoening
Voor in de kerk staat een schaal met gewijd water. De aanwezigen worden uitgenodigd om naar voren te komen waar de voorganger hen de handen oplegt. Daarna kunnen zij een kruisteken maken met wijwater als een bevestiging van hun bereidheid tot innerlijke omkeer en verzoening.

Onderwijl wordt een lied gezongen:

Ik sta voor U in leegte en gemis,
vreemd is uw naam, onvindbaar zijn uw wegen.
Zijt Gij mijn God, sinds mensenheugenis,
dood is mijn lot, hebt Gij geen and’re zegen?
Zijt Gij de God bij wie mijn toekomst is?
Heer, ik geloof, waarom staat Gij mij tegen?

Mijn dagen zijn door twijfel overmand,
ik ben gevangen in mijn onvermogen.
Hebt Gij mijn naam geschreven in uw hand,
zult Gij mij bergen in uw mededogen?
Mag ik nog levend wonen in uw land,
mag ik nog eenmaal zien met nieuwe ogen?

Spreek Gij het woord dat mij vertroosting geeft,
dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede.
Open die wereld die geen einde heeft,
wil alle liefde aan uw mens besteden.
Wees Gij vandaag mijn brood, zowaar Gij leeft.
Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.
(GvL 473, LB 942)

Gebed
v.  Goede God,
nog voor wij U zoeken, zijt Gij bij ons.
Voor wij uw Naam kennen, zijt Gij al onze God.
Gij hebt ons hart geopend voor uw genezende nabijheid.
Wij danken U dat Gij een God zijt van vergeving
en van liefde die geen macht ter wereld kan breken.
Blijf ons omringen met uw liefde,
wijs ons in alle wisselvalligheden van ons leven
steeds de goede weg
en geef ons de moed om ons toe te vertrouwen aan U,
door Jezus Christus, de Komende,
uw Zoon en onze Heer.
a. Amen.

v. Bidden wij tot slot tot God onze Vader,
met de woorden die Jezus ons gegeven heeft:
Onze Vader…

Slotgedicht: Gerrit Achterberg – Bekering
Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Here Jezus,? tussen ons en den Vader, naar Uw Woord ? mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens ? wat er ook in ons leven is gebeurd. ?? Ik deed van alles wat gedaan kan worden, ? het meest misdadige – en was verdoemd. ? Maar Gij hebt God een witte naam genoemd ? met die van mij. Nu is het stil geworden, ? zoals een zomer om de dorpen bloeit. ?? En moeten ook de bloemen weer verdorren: ? mijn lendenen zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid. ? Uit Uwe Hand ten tweede maal geboren, ? schrijd ik U uit het donker tegemoet.

Zegenbede
v. Nu wij in verbondenheid met elkaar
onze bereidheid tot inkeer en omkeer
hebben uitgesproken,
mogen wij met een ontvankelijk hart toeleven
naar het feest van de Geboorte van de Heer,
dat nu heel dichtbij is.
Laten wij gaan en onze levensweg vervolgen
met een opgelucht hart
en in de drievoudige naam van de eeuwige God:
Vader, Zoon en heilige Geest.
a. Amen.

Slotlied: Nu daagt het in het oosten

Nu daagt het in het oosten,
het licht schijnt overal:
Hij komt de volken troosten,
die eeuwig heersen zal.

De duisternis gaat wijken
van d’ eeuwenlange nacht.
Een nieuwe dag gaat prijken
met ongekende pracht.

Zij, die gebonden zaten
in schaduw van de dood,
van God en mens verlaten,
begroeten ’t morgenrood.

De zonne, voor wier stralen
het nacht’lijk duister zwicht,
en die zal zegepralen,
is Christus, ’t eeuwig licht.

Reeds daagt het in het oosten,
het licht schijnt overal:
Hij komt de volken troosten,
die eeuwig heersen zal.
(GvL 505, LB 444)


Victor Bulthuis

webdesign: Artis