Homiletische hulplijnen 73
De waarheid God in het gezicht schreeuwen

 

Onlangs verscheen een selectie van oud-testamentische preken Eberhard Jüngel in Nederlandse vertaling: Lutherse preken bij het Oude Testament, ingeleid en vertaald door Willem Maarten Dekker.
               In de bundel zijn twaalf preken opgenomen, twee over een Thoraperikoop, vier over een gedeelte uit de Profeten, en zes over fragmenten uit de Geschriften. Deze preken zijn literaire kunstwerken, theologische goudmijnen en balsem voor de ziel.

Aan de preken is een programmatisch pamflet toegevoegd: ‘Wat heeft de preek met de tekst te maken?’ (1968), culminerend in 42 stellingen over hermeneutiek, Gods Woord, de prediker en de preek, de hoorder en de kerk, God.

Ik neem enkele stellingen over, en ga daarbij in het bijzonder in op Jüngels visie op de kerk. De kerk is volgens hem geen voorgegeven, maar voltrekt zich daar waar Woord en Sacrament worden bediend. Ook het ambt is geen voorgegeven. ‘Gods Woord gaat aan al het menselijke spreken vooraf: de menselijke zelfhandhaving en zelfrechtvaardiging, de menselijke leugen en het geklets en het spreken over zichzelf.’ … ‘Gods Woord gaat zo ook aan de prediker vooraf.’ … ‘De prediker is de uitlegger van de tekst krachtens het hem in de tekst voorafgaande Woord van God.’ “Niet de tekst moet verkondigd worden, maar wat in de tekst als te verkondigen ter sprake komt.’ ‘…  waar mensen in beweging worden gezet door het Woord van God dat aan hen voorafgaat, daar gebeurt de preek en daar is de kerk.’
               ‘Elke preek legt daarom het fundament onder de kerk.’ ‘Prediking die de kerk fundeert is echter geen propaganda voor de kerk.’’Propaganda voor de kerk is altijd propaganda tegen God.’ Kortom: hier klinken grondtonen van de lutherse reformatie.

De bezorger van dit boek stamt niet uit de lutherse maar uit de gereformeerde traditie. Willem Maarten Dekker promoveerde op Jüngel en heeft zich diens theologie eigen gemaakt.        Niettemin wringen deze tradities soms. Dekker schrijft bijvoorbeeld dat in Jüngels theologie ‘de verzoening’ centraal staat (14). Dat is inderdaad wat het gereformeerde protestantisme graag ziet en er, overigens ook bij Luther, graag in leest. Enigszins onthutst constateert Dekker dat in de preken van Jüngel ‘de delging van de toorn’ (18) geen enkele rol speelt. Dat is een thema dat opspeelt in de gereformeerde theologie (de satisfactieleer), maar juist die satisfactieleer is in de ogen van Luther een theologisch kwaad waaraan hij zich na 1517 nooit meer schuldig heeft gemaakt.
               Bij Luther en Jüngel is ‘de verzoening’ niet een overkoepelend begrip. ‘De rechtvaardiging van de goddeloze’ is bij hen geen verzoeningstheologie maar incarnatie-theologie.
Ook Dekkers liturgie-historische opmerkingen zijn niet geheel adequaat. Hij beweert bijvoorbeeld ‘dat de gereformeerde traditie vanouds geen preekroosters kent’ (15). Dat wordt gelogenstraft door bijvoorbeeld de Kerkorde van de Staten van Utrecht (1590) die bepaalde dat de ‘evangelische dominicalen’ (de zondagsevangeliën zoals die nog steeds in de lutherse traditie gangbaar zijn) juist wel gepredikt moesten worden omdat de gemeenten eraan gehecht waren als aan een onvervreemdbaar geestelijk bezit.

Deze kritische kanttekeningen nemen niet weg dat hier een prachtig boek ligt. Goed geconcipieerd, verstandig ingeleid. Maar natuurlijk zijn het vooral de preken van Jüngel die het doen. Het oecumenisch leesrooster leest momenteel (juni-juli 2018) vijf zondagen uit het boek Job. Daarom neem ik een fragment over uit de preek ‘De klacht van Job’ (Job 7,11-21):

            Wie zo schreeuwt en schreit, durft veel. Maar hij waagt niet te veel. Engelen noch duivelen hebben deze mogelijkheid: alleen de bidder kan het wagen om God de waarheid over God in het aangezicht te schreeuwen. Hij zal gehoor vinden. Want God sluit de oren niet als het gaat om de waarheid. Daarom: voordat iemand afscheid neemt van hem, van wie je toch geen afscheid nemen kunt, laat hij schreeuwen, laat hij de hem de benauwende waarheid God in het gezicht schreeuwen – ook al zou die waarheid tegen God ingaan. God zal de waarheid ter harte nemen.
            Als in u zich een afgrond opent, schreeuw dan God naar beneden in de afgrond. Hij zal hem met zichzelf sluiten. En slechts een afgrond die God met zichzelf sluit, is echt gesloten. Kijk: dat kan de duivel niet. Hij kan ons wel net als God aan alle kanten omringen en hij kan ook de ons aan alle kanten omringende God op een duivel laten lijken. Maar de afgrond in ons, die vult de duivel niet. Hij kan wel afgronden openen, maar hij kan ze niet sluiten. Want de duivel brengt zichzelf niet in gevaar. Dat blijft Gods werk, het werk van zijn liefde. Zijn liefde drijft hem zelf in de afgrond, die in ieder van ons ten minste toch sluimert. Maar zijn liefde is ook niet te goed om af te dalen in de kleine scheuren en breuken van ons leven van alle dag. God heelt niet alleen grote wonden, maar ook de kleine. Niets is zo klein, of God is nog kleiner. Maar ook: niets is zo groot, of God is nog groter. Zijn liefde is het die hem kleiner dan de kleinste en groter dan de grootste maakt. Daarom: of het nu een afgrond is die zich in de ene of de andere opent, of slechts een kleine scheur die je van jezelf en van anderen vervreemdt: roep God naar beneden, geliefde broeders en zusters. Schreeuw naar hem omhoog en roep hem naar beneden. Hij die alles kan, kan één ding toch niet: de oren en het hart sluiten, als een mens tot hem schreeuw. Nee, dat kan de almachtige God niet. Dat kan hij God zij dank niet.

Eberhard Jüngel, Lutherse preken bij het Oude Testament, ingeleid en vertaald door Willem Maarten Dekker, Middelburg 2017

 

drs. Klaas Touwen

 

webdesign: Artis