Homiletische hulplijnen 77
Aistèsis

Historici lezen de Bijbel of andere oud-oosterse bronnen na op data die verder kunnen helpen om een toenmalige werkelijkheid te reconstrueren. Dat is een hachelijke onderneming, want zulke teksten zijn dikwijls onvoldoende draagkrachtig om er onomstotelijk historische conclusies op te baseren. Het is veelal tendensliteratuur. De personages die erin figureren, geven zich doorgaans niet te kennen naar wat zij gezegd en gedaan hebben, maar naar wat zij gezien hun statuur wel gezegd moeten hebben of naar de daden die zij gezien hun naam en faam wel moeten hebben verricht.
            Klassieke biografieën – de evangelies en het boek Handelingen maken deel uit van dat genre – lenen zich niet voor een lezing die allereerst nieuwsgierig is naar wat er achter de verhalen ligt, alsof deze verhalen een bepaalde gebeurtenis of een specifieke stand van zaken zouden representeren. Dat doen ze doorgaans niet. De factchecker komt bedrogen uit.
            Evangelies maken iets zichtbaar wat zonder deze verhalen niet gezien, niet gehoord, niet geweten zou zijn. Waar het om gaat, ligt niet áchter het verhaal (het beschrevene) maar ín het verhaal (het geschrevene).
            Evangelieverhalen vragen om een esthetische lezing. Esthetisch niet in de zin van: om het mooi, maar in de zin van: ze brengen aan het licht waar je buiten deze verhalen geen toegang toe hebt. Je kunt ook zeggen: het zijn poëtische verhalen (van poiein = maken, zichtbaar maken, publiek maken).

Bregje Hofstede zegt over haar roman Drift:

Wat fictie zo waardevol maakt, is dat het je in staat stelt om een waarheid te laten zien die je niet zou durven tonen als het non-fictie was. Fictie is geen manier van liegen, maar juist een manier om onder een vermomming een diepere waarheid aan het licht te brengen, een mythe, iets wat voor iedereen herkenbaar is.
(Trouw,18 oktober 2018)

In dit citaat is tweemaal sprake van aistèsis: ‘om een waarheid te laten zien’, ‘om een diepere waarheid aan het licht te brengen’. Ik leg er de vinger op dat de hier ook tweemaal aangeroepen ‘waarheid’ grenst aan fictie en mythe.

Het is ter wille van de waarheid dat een preek zich zo lang mogelijk laat voeden door het geschrevene, de heilige Schrift, en niet voortijdig afhaakt en oversteekt naar het beschrevene, de bijbelse geschiedenis, de leerstellingen, ‘heilsfeiten’, ‘geloofswaarheden’,. Die zijn immers niet op een andere wijze toegankelijk dan via deze literatuur. In het weefsel van de woorden krijgen ze betekenis. De ‘feiten’ spreken niet voor zich. Ze openen zich pas van binnen uit voor wie leest, voorleest, luistert. ‘Feiten’ suggereren ogen; waarheid, althans deze gekwalificeerde waarheid, klimt via onze oren naar binnen.
            Dit lezen heet: exegese, bibliodrama, lectoraat, liturgie. Het vraagt om toegewijde lezers en hoorders, die hopen en bidden dat het mysterie dat in deze woorden schuilgaat, zich in zijn eigenheid te kennen geeft aan wie erbij aanklopt. Dat kan lang duren, het mysterie doet niet meteen open. Toen Thomas Naastepad gevraagd werd naar het geloof dat hij beleed, bracht hij dat op formule met: ‘De Bijbel is een mooi boek.’

 

drs. Klaas Touwen

webdesign: Artis