9 juni 2019
Pinksteren

Lezingen: Hand. 2,1-11; Ps. 104; Rom. 8,8-17; Joh. 14,15-16.23b-26 (C-jaar)

 

Inleiding

Tot slot vieren we Pinksteren. Na Kerstmis, Goede Week, Pasen is er nu het Feest van de Geest. Net zoals onze Geloofsbelijdenis ook eindigt met: ... ik geloof in de heilige Geest. De heilige Geest wordt in Handelingen 1,4 de belofte van de Vader genoemd. Daar moeten de apostelen op wachten, en in Lucas 24 zegt Jezus: Ik zend jullie wat mijn Vader beloofd heeft. De heilige Geest is met ‘belofte’ verbonden met perspectief, met toekomst. Met: hoe verder?
           Hoewel de heilige Geest in onze geloofsbelijdenis op de laatste plaats staat, is ze geenszins een ondergeschoven kindje. ‘De Geest Gods’ betekent in de Schriften Gods aanwezigheid/werkzaamheid in mensen, in deze wereld. Soms aarzelend, soms uitbundig, soms als hoop en verwachting en soms als verwonderde constatering.
           Om dit te illustreren wil ik graag wijzen op een doorgaande lijn in de Schriften. Ik noem alleen enkele merkpalen en laat vele tussenstadia van rechters, koningen, profeten weg om het niet te lang en te saai te maken.

In het zogeheten Oude Testament lezen we hoe Gods Geest rust op Mozes (Numeri 11,17 en 25), hoe Mozes hoopt dat niet alleen hij, maar heel het volk van de Heer profeteerde en dat de Heer zijn Geest op hen legde (Num. 11,29) en dan – met overslaan van allerlei tussenstadia – de profetie bij Joël: Daarna zal ik mijn geest uitgieten over alle mensen, profeteren zullen uw zonen en uw dochters... Zelfs over de dienaren en dienaressen giet ik mijn geest uit in die dagen (Joël 3,1v). Het begint bij Mozes, daarna uitdijend bij de 70 (Num. 11,25), daarna Mozes’ wens dat heel het volk profeteert en ten slotte de profetie: zal Ik mijn geest uitgieten over alle mensen.
           In het Nieuwe Testament zien we eenzelfde beweging van hoop (we kijken alleen naar Lucas). Bij de doop daalt de heilige Geest neer op Jezus (Luc. 3,22) die daarna vol van heilige Geest (Luc. 4,1.14) op weg gaat. Als zijn leerlingen de kracht om duivelen uit te drijven tot de eigen groep willen beperken zegt hij ruimhartig: Houd hem niet tegen, want al wie niet tegen jullie is, is vóór jullie (Luc. 9,50). Na Jezus’ dood gaat zijn weg voort in de leerlingen die allen vol van heilige Geest (Hand. 2,4) raakten, wat Petrus met Joëls profetie duidt: Hier gebeurt wat is gezegd door de profeet Joël: En het zal gebeuren in die dagen dat ik mijn geest zal uitgieten…
           Zeker, het zijn (te) grote stappen . Maar ik hoop dat duidelijk is hoe het van een klein begin steeds verder gaat. En ook: wat er bij deze bijbelse schrijvers aan hoop en verlangen naar die Geest over alle mensen geleefd heeft… Zou dat de doorbraak van het Rijk Gods betekenen, als allen, wij allen, onze wereld, bezield was van/met deze Geest?

Handelingen 2,1-11
De Pinksterlezing vertelt van een overweldigend begin. Hevige wind (‘wind’ en ‘geest’ zijn zowel in het Hebreeuws als in het Grieks hetzelfde woord) die alles ‘vult’, en vuur, tongen als van vuur, die zich verspreidden, en zich op ieder van hen neerzetten (Hand. 2,2). Achter ‘verspreidden’ zit het Griekse woord ‘delen’, wat we kennen uit Lucas 22,17: ‘neemt deze beker en deelt hem onder u lieden’ (sv) en uit Handelingen 2,45: ‘ze verkochten have en goed en verdeelden dat onder allen naar ieders behoefte’. Met Pinksteren krijgen de apostelen deel aan de Geest die Jezus beloofde, alleen samen delen ze in de volheid van de Geest (zie ook Num. 11). Hij is aanwezig als allen bijeen zijn en blijven. Vandaar de nadruk in Handelingen op eenheid, eensgezindheid (zie bijv. Hand. 2,1; 2,44; 2,46; 4,32 e.a.).Vandaar dat vlak voor Pinksteren het getal van 12 weer ‘vol’ moet worden. Een eenheid die ook gerealiseerd wordt in het elkaar verstaan, van alle verschillende volken en rassen en stammen. Taalbarrières vallen weg, in tegenstelling tot het verhaal van de toren van Babel waar de mensen elkaar niet meer verstaan (Gen. 11). Die eenheid, eenstemmigheid, zal in de toekomst van kerk en wereld vaak met voeten getreden worden. Maar Pinksteren is een hoopvol toekomstverhaal: het kan! De Belofte, het begin is er.

Romeinen 8,8-17
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’, in: H. Janssen & K. Touwen (red.) Paulus zelf. De zeven echte brieven. Exegese en Preken, Vught 2014 20152, 75-86

Johannes 14
In de afscheidsrede van Jezus (Joh. 13 en 14) valt het accent op de persoonlijke, of moet je misschien zeggen de menselijke, relatie. De toon wordt gezet door Als jullie mij liefhebben (v. 15). Van daaruit ontstaat een nieuwe levenssituatie, gekenmerkt door onafhankelijkheid van de ‘wereld’, namelijk niet bepaald door machten van duisternis en kwaad. Zulk leven is mogelijk door de Helper, die gegeven wordt. ‘Parakleet’ (letterlijk: ‘degene die erbij geroepen wordt, de ad-vocaat’) duidt op de nabijheid van de Geest, die voor altijd bij jullie blijft (v. 16) en in vers 17 zelfs: die bij jullie blijft en in jullie zal zijn. De Geest wordt een ‘andere’ helper (v. 16) genoemd. Het lijkt erop dat hij/zij een andere invulling van de helpende aanwezigheid van Jezus zal zijn. Er waait een andere geest dan de ‘tijdgeest’ die ‘de wereld’ te bieden heeft.

Het liefhebben is nauw verbonden met ‘doen’. Het gaat niet alleen om woorden, gevoelens, maar om de vruchten daarvan (v. 15). De relatie tot God wordt bepaald door het horen en doen – een onscheidbaar koppel – van wat hij van ons vraagt (Joh. 14,10vv). Het is de Geest, die als helper ons leert verstaan wat de Heer te zeggen heeft en wat gedaan moet worden (vv. 25-26). Zo is de heilige Geest ook hier verbonden met toekomst, met ‘hoe ga je verder’.

 

Preekvoorbeeld

Pinksteren is geen glinsterend woord. Het is gewoon verbasterd Grieks: Pentekoste betekent ‘de vijftigste’, vijftigste dag van Pasen.
            Het is vandaag de vijftigste Paasdag. Deze telling van Pesach en dan zeven weken verder (zeven maal zeven dagen) is Joods. Met het Wekenfeest gedenkt en viert Israël het verbond met de Heer bij de berg Sinaï en het ontstaan van het volk van God, vijftig dagen na de uittocht uit Egypte.
            Zo begint dus de lezing uit de Handelingen der apostelen: ‘Toen de Pinksterdag aanbrak.’ Op Pinksteren brandden in de tempel van Jeruzalem de vuren om de pelgrims te herinneren aan het vuur van de Sinaï. Dát vuur verschijnt nu in het huis waar de apostelen en hun metgezellen, die honderdtwintig (Hand. 1,15) mannen en vrouwen, zijn samengekomen. Dat Pinkstervuur van het brandende braambos, van de Sinaï, van de tempel, verspreidt zich over elk van hen en het verspreidt zich nog steeds.

Het staat ten teken voor de Geest van God die de mensen is gegeven. Ik las bij één van de rabbijnen: Waarom héilige Geest? Opdat je de Geest van God die in jou woont niet verontreinigt door met je gedachten een heel andere kant op te gaan! En je weet het en toch doe je het! Dat je de Geest niet ontwijdt door je te richten op wat met de Geest niet te verenigen valt! Zo bezien is de benaming ‘heilige Geest’ allereerst een opdracht: dat je de Geest heilig houdt.

Dat lijkt me een verstandig uitgangspunt: dat bij alles wat je doet, je ervan bewust bent dat je zorg hebt te dragen voor de Geest die in jou woont, dat je verantwoordelijk bent voor die vonk en vlam aan jou gegeven. Jij bent Gods kandelaar, dat je het vuur hooghoudt! Die vuurvlammen, daar gaat warmte en troost en bezieling van uit, allereerst voor anderen en ook voor jezelf.

Op de Pinksterdag wordt de Geest erop uitgestuurd om ons geloof aan te vuren. Ja, ook als het geloof een kwijnend bestaan leidt, je bent bang dat het dooft, het vlammetje is maar heel klein, – ga bij die honderdtwintig mannen en vrouwen staan en door de warmte, de tocht en de trek hier in huis merk je dat ook jouw vlam weer opflakkert. Ik bedoel: je hoeft de vlam van de geest niet in je eentje hoog te houden. Je bent niet alleen daar waar je leeft.

In een van de profetenboeken gaat het over een kwijnend vuur, een walmende vlaspit, een lontje dat uitgaat. En het is heel duidelijk: dat lontje is een mens, het walmt nog wel wat, maar de vlam is weg.
            In dat profetenboek zie je hoe God zelf dan op zijn knieën gaat om met bolle wangen die vlaspit aan te blazen: hij blaast op dat kleine beetje dat nog gloeit, hij blaast tot er opeens weer een vlam oplaait. En menigeen hier weet wat het is: zo’n dovende lontje. Dat jij het geloof hebt behouden, heb je niet aan jezelf te danken.
            De Geest bezielt een gemeenschap, en die gemeenschap – een parochie – heb je nodig, niet alleen om zelf bij het geloof bewaard te blijven maar ook om het geloof – waar jíj uit leeft – door te geven aan anderen en aan een volgende generatie.

Het Pinksterverhaal begint met iets ongrijpbaars. Het gaat over ‘iets’. Een gewaarworden van ‘iets’ dat ons volstrekt vreemd is. ‘Iets’ dat iets wegheeft van vlammen, ‘iets als vlammen’.
Naarmate dat ‘iets’ dieper neerdaalt in onze werkelijkheid, komen de tongen los, er valt steeds meer over te zeggen: ‘vlammen die zich op ieder neerzetten.’
            Precies zo klinkt het, ook zo ondefinieerbaar van ‘een geluid’, een gewaarworden van ‘een geluid’ dat zich ver buiten onze gehoorgangen ophoudt. ‘Een geluid’ dat klinkt als een windvlaag. Pas naarmate dat ‘geluid’ weerklinkt in onze werkelijkheid, kunnen wij het thuis brengen: ‘een geluid als van een windvlaag dat het huis geheel vulde.’

Verderop in het verhaal krijgen de bezieling door dat ‘iets’ en de inspiratie door dat ‘geluid als van een windvlaag’ naam en toenaam. Pinksteren wordt omstandig gedocumenteerd.
Het wordt vlees en bloed in ‘Parten en Meden en Elamieten, en bewoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en het Libische gebied bij Cyrene, en hier woonachtige Romeinen, Joden en proselieten, Kretenzen en Arabieren.’ Dan is er van iets onbestemds geen sprake meer.

Er is een beweging gaande, voortkomend uit de hoge hemel, neerdalend, zo diep in onze mensenwereld dat wij het kunnen plaatsen en natrekken.
            Soms wil je er niets van weten, van dit ondermaanse, dit aardse tranendal, hier beneden. Niet uit te houden! Ons Jeruzalem, de verdeelde stad, vat van tegenstellingen, bevolkt door elkaar te vuur en te zwaard bestrijdende volken, culturen, religies.
Maar daarboven in de hemel, zou je je soms wensen, hoe hoger hoe ijler, daar zetelt, als er iets zetelt, het ‘iets’, vrede, hooggestemde idealen, enkel Geest.
            Met dat soort speculaties echter houdt de Bijbel zich niet bezig. God is niet een ietserig vertrekpunt, waar wij verder niet op terug hoeven te komen. Hij zweeft niet hoog en droog ergens boven ons bestaan, zetelt niet in luchtkastelen, is niet een schimmige vaagheid die geheel verbleekt vergeleken met dit weerbarstig leven van bloed, zweet en tranen.

Nee, Hij is niet een onaantastbaar veilig te stellen uitgangspunt. Hij ìs deze beweging van vuurvonken, windstoten, levensadem, deze alles ontregelende onrust, die zich uiteindelijk verwerkelijkt in die bange leerlingen en in elk van deze bij name genoemde volken en bevolkingsgroepen.
            Nog eens: God is niet een vast archimedisch bovennatuurlijke punt (toch geruststellend dat er ‘iets’ is), maar deze laaiende en waaiende werveling. Niet dáár te denken, maar híer: als een toewending, een neerdalen in onze werkelijkheid, gehalte dat gestalte aanneemt. ‘Vervulling’ noemt de Bijbel dat. Zij werden van de heilige Geest vervuld.

Dat wat wij zo ontberen, maar niet kunnen missen: bezieling, inspiratie, vreugde, kracht,
is hier in deze lezing gegeven.
            Maar let op, het ontvangen van de Geest is niet allereerst in ‘mooie’ ervaringen te vatten. In het evangelie, bij die leerlingen, domineren vooral angst en vrees. Als Jezus hun de Geest toeademt, zijn die angst en vrees heus niet als bij toverslag weggeblazen. Nee, juist ìn hun angst en vrees ontvangen zij de heilige Geest.
           En het Pinksterverhaal spreekt van ‘verbazing’: ‘buiten zichzelf van verbazing’.  En van ‘verwarring’: ‘ze raakten geheel in verwarring.’ En van ‘verbijstering’: ‘verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht.’ Kennelijk moeten we het daar van hebben: van die ontwrichtende ervaring van verwarring, verbijstering, van ons stuk gebracht!
            Het probleem met het woord ‘vervulling’, althans zoals wij dat horen, is dat wij kennelijk de holle vaten zijn die God tot de rand toe vult: ‘vervuld van de heilige Geest’, ‘mijn beker vloeit over.’

Maar dat die stormwind die vaten doet schudden en butst, dat de vuurgloed ze blakert, dat ze gescheurd en lek voor Gods aangezicht verschijnen, maar niettemin als door een wonder tot overvloeiens toe worden gevuld, ondanks hun lek en gebrek, dat horen wij er niet gauw in. Want wij worden niet graag van ons stuk gebracht.
            Dat God ons in verbijstering en verwarring brengt, wordt weinig gewaardeerd. Dat Christus onze diepe angsten en complete ontregeling niet wegneemt, maar juist daarin tot ons komt en ons zijn Geest toeademt – alleen maar een ademtocht – dat is ons eigenlijk te weinig.
Wij hadden ons de heilige Geest graag een beetje steviger gedacht. Liever ontvangen wij vreugde, troost en hoop, als assemblagepakket, los verkrijgbaar zijn, zomaar voor het grijpen...
Alleen wie werkelijk getroost is, weet dat nergens anders dan middenin de verbijstering de troost zich laat vinden. Niet daarachter of met een grote boog erom heen.
            Alleen wie hoopvol heeft leren leven, weet ook hoe dichtbij de verwarring is, de leegte, het gemis. En vreugde, diepe vreugde moet worden losgebeiteld uit pijn, verdriet en woede. Alleen daar wordt zij gedolven.

Zoals het Woord is vleesgeworden – dat vieren we met Kerst – , zo wordt vandaag met Pinksteren de beweging van de Geest belichaamd door mensen niet anders dan wij. ‘Zij werden vervuld van de heilige Geest,’ zo staat geschreven.
            Dat is een wonder Gods. Mensen zo lek als een mandje, met een scheur door hun ziel, een gat in hun hand, niet zo integer als ze zouden willen zijn, die de scherven en brokstokken van hun bestaan aan elkaar passen en lijmen zodat het toch nog iets lijkt, worden vervuld van de heilige Geest. En de Geest blijft in hen, stroomt er niet aan alle kanten weer uit maar blijft als een helende kracht, als een wonder van genezing!
            Dat wat wij zo behoeven: bezieling, inspiratie, vreugde, kracht, is niet pas in een ideale geloofsgemeenschap voorhanden. Dat alles is hier te vinden, zodra wij van ons stuk worden gebracht. Bezieling, inspiratie, vreugde en kracht, dat brengen wij niet teweeg. Zodra wij daaraan gaan sleutelen wijken ze weg, deinzen ze verschrikt achteruit.

Zij komen pas voorzichtig weer naderbij als de Geest ons ontregelt, het kerkelijk gedoe en gedaas ontwricht, ons verwart. Ja, zo zien bezieling, inspiratie, vreugde en kracht ons het liefst: van ons stuk gebracht om mensen uit één stuk te worden in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

 

inleiding dr. Henk Bloem
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen

webdesign: Artis