9 december 2018
Tweede zondag van de Advent

Lezingen: Bar. 5,1-9; Ps. 126; Fil. 1,4-6.8-11; Luc. 3,1-6 (C-jaar)

 

Inleiding

Lucas 3,1-6
De evangelist Lucas opent zijn relaas over het optreden van Johannes met een lange volzin, die het gebeuren in tijd en ruimte situeert. Hij evoceert hierbij voor de lezers en toehoorders zowel de wereldlijke als de geestelijke macht in hun onderlinge spanningen, niet enkel in de tijd waarin de verhaalde gebeurtenissen zich afspelen, maar ook daarna.
           Als keizer symboliseert Tiberius de Romeinse grootmacht die Israël bezet. Het is in naam van de keizers dat het volk onderdrukt wordt. In hun naam worden opstanden hard-handig neergeslagen, met als dieptepunt voor de toehoorders de vernietiging van het religieuze centrum van Jeruzalem in 70 nChr. Herodes en Filippus zijn met Romeinse toestemming de heersers over kleinere joodse gebieden, tetrarchen of viervorsten genaamd. Van een Lysanius die tetrach was in Abilene heeft men munten teruggevonden waarop deze niet enkel de titel tetrach maar ook van hogepriester claimt. Met de vermelding van Pontius Pilatus worden de lezers herinnerd aan het gemak waarmee een Joodse heerser (Herodes Archelaüs) door een Romeinse gouverneur vervangen kon worden om het gebied zo recht-streekser onder het Romeinse gezag te laten vallen. Annas en Kajafas zijn achtereenvolgens door de Romeinen aangesteld als hogepriester, Annas werd door hen ook weer afgezet.
           Herodes is betrokken bij de dood van zowel Johannes (Luc. 9,9) als Jezus (Luc. 23,8-11). Ook Pontius Pilatus, Annas en Kajafas worden door joodse en/of christelijke lezers wellicht dadelijk geassocieerd als rechtstreeks betrokken bij de kruisiging van Jezus (zie Mat. 26,57; Joh. 18,14v.18; Hand. 4,6-10).
           In één zin schetst de auteur dan ook de woelige tijden als achtergrond van niet alleen Johannes’ maar ook Jezus’ optreden.

In die woelige tijden gebeurt iets: God richt zich tot Johannes. Deze goddelijke tussenkomst vindt als het ware plaats buiten de invloedsfeer van alle genoemde heersers: niet in Rome, niet in één van de regionale machtscentra of ook niet in Jeruzalem, maar in de woestijn. Bijbels gesproken is dit de plaats van de wildernis, de plek waar het volk rondzwerft en leert wat het betekent om Gods volk te zijn vooraleer het het beloofde land in kan trekken. De aangesprokene is ook niet één van de eerder genoemde wereldse of religieuze leiders, maar een man die als zoon van Zacharias (en Elisabet) uit een gezin komt van rechtvaardigen die op God hopen. Zijn naam drukt al zijn programma uit: God is genadig (Johannes), God gedenkt (Zacharias). Waar God gedenkt kan iets nieuws beginnen, en dat zal iets genadevols zijn.
           Door de plechtige opbouw van de introductie vormt Gods woord tot Johannes een climax. Johannes krijgt zo het allure van de vele profeten die hem zijn voorgegaan en tot wie God zich heeft gericht (vergelijk bijvoorbeeld de introductie van Jeremia in Jer. 1,1-3). De inhoud van Gods woord tegen Johannes krijgen we echter niet te horen. De klemtoon ligt op het profetische optreden van Johannes (vergelijk Luc. 1,76) en de duiding ervan. Johannes’ prediking van een doop van bekering roept op tot inkeer, wat geïnterpreteerd wordt vanuit de profeet Jesaja als het voorbereiden van Gods weg.

Zie Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95.

Baruch 5,1-9
Baruch 5 vertoont een aantal parallellen met de profetie uit Jesaja 40, die als eerste lezing naast Lucas 3 geplaatst is. Beide profeten beklemtonen immers de hoop voor Jeruzalem dat er een einde komt aan de ballingschap, dankzij Gods ingrijpen. Deze troostrijke boodschap kan geactualiseerd worden waar Gods bevrijdende tussenkomst ervaren wordt in het optreden van Johannes en Jezus.
           Johannes is, zoals Jesaja 40,3 het uitdrukt, een stem die roept dat de weg gebaand moet worden in de woestijn. Dat gaat met nodige inspanning: valleien opgehoogd, heuvels en bergen verlaagd om de baan te effenen. Voor Baruch gebeurt dit omdat God de natuur gebiedt om een effen pad te creëren zodat zijn in ballingschap verstrooide volk onder zijn leiding kan terugkeren (Bar. 5,7). Bij Jesaja echter zijn het mensen die de nodige inspanning moeten opbrengen, analoog met de daden van bekering die Johannes verwacht van wie zich door hem laat dopen (Luc. 3,10-14). Hier is het pad rechtstreeks voor God zelf bedoeld.
           Bij het beeld hoort ook nog inzicht door het ‘zien’. In Baruch wordt Jeruzalem opgeroepen om te zien hoe de verstrooide kinderen terugkeren, verheugd over Gods trouw (3,5). Bij Jesaja is het Gods glorie die gezien wordt en waaruit blijkt dat God waarlijk gesproken heeft (Jes. 40,5). Voor Lucas kan men het gebeuren samenvatten als ‘zien hoe God redding brengt’. Hiermee roept hij de lofzang van Zacharias in herinnering die Gods redding beklemtoont (Luc. 1,68-75).

Het optreden van Johannes is door de evangelist voorgesteld als een vervulling van een eeuwenoude profetie én als realisatie van de aankondiging van Zacharias over de rol van zijn pasgeboren zoon (Luc. 1,76-79). Dit past in het kader van het theologische schema van ‘belofte- (gedeeltelijke) vervulling’ dat de auteur toepast. Gebeurtenissen worden beschreven als vervulling van een belofte. Hiermee functioneren ze als een soort garantie dat ook de nog openstaande beloften eens vervuld zullen worden. Heel Johannes’ optreden aan de Jordaan is de vervulling van wat zijn vader Zacharias over hem zegt. Tot een profeet van de Allerhoogste zal dit kind geroepen worden (Luc. 1,76), en inderdaad, in woord en daad gedraagt Johannes zich als een profeet die zijn volk oproept tot bekering. Later in het evangelie zal hij ook expliciet als profeet erkend worden (20,6). Dat Johannes volgens zijn vader voor God uit zal gaan om zijn weg voor te bereiden (1,76), wordt bevestigd door de duiding van wat hij doet in termen van Jesaja’s profetie. Gods bevrijding zal samenhangen met vergeving van zonden, wat aansluit bij de oproep tot inkeer van Johannes (Luc. 1,77, zie 3,3). Zacharias verwacht de redding van Gods volk zodat zij God onbevreesd in diens nabijheid kunnen dienen (Luc. 1,68-75). Over Jezus is al aangegeven dat hij groot zou worden, de zoon van de Allerhoogste genoemd zou worden, de troon van David zou krijgen, in een koningschap dat geen grenzen kent (Luc. 1,32v). Doordat beloften rond Johannes in vervulling gaan, mag de lezer ook verwachten dat de andere beloften, waaronder de beloften rond Jezus, eveneens in vervulling zullen gaan.

 

Preekvoorbeeld

Heuvels moeten wijken, dalen moeten volgestort, alles moet geëffend, recht en gladgemaakt worden, want de Heer komt. Dat roept Jesaja de profeet, en in onze Evangelielezing wordt het door Johannes de Doper herhaald. Krachtige taal, taal van die voorbije eeuwen: zo ging het als een koning door het land trok met zijn gevolg. Dágen van tevoren kwam een heraut al waarschuwen: maak een brede weg klaar, mobiliseer iedereen die kan graven en hakken en sjouwen. De koning kan niet over jullie ezelpaadjes met zijn draagkoets, zijn bereden garde heeft ruimte nodig. Laat zien dat je er wat voor over hebt dat de koning je dorp aandoet!
           Jesaja bedoelt het als een blije uitroep. Johannes de Doper herhaalt het als een oproep tot actie, bij hem klinkt het ook een beetje dreigend: zorg dat je ruimte maakt voor de Heer, dat zijn komst je niet compleet overvalt.

Heuvels moeten wijken, dalen moeten volgestort. In mijn oren klinkt dat niet zo mooi als het toen bedoeld was. Ik hoor het motorgeronk van bulldozers. Ik denk aan de grote sportevenementen – dat zijn de nieuwe koningen waar de wereld voor juicht, en waarvoor ruimte moet worden gemaakt. In Beijing gingen tien jaar geleden hele woonwijken tegen de vlakte om plaats te maken voor de Olympische Spelen, de bewoners moesten maar zien waar ze bleven. Mensen die hardop protesteerden zitten vandaag nog steeds achter de tralies. Of ik denk aan de verwoestende wegenbouw in het Amazonegebied, waar de longen van de wereld moeten wijken voor die andere grote koning, het snelle geld.
           Maar als vertegenwoordiger van een religieuze traditie moet ik misschien niet te snel wijzen naar de werelden van geld en topsport. Wat hebben we als kerk gedaan met die oproep van Jesaja en Johannes om alles te laten wijken voor de komst van de Heer? We zien het met afgrijzen als andere religieuze bewegingen sporen van verwoesting door de wereld trekken, maar de geschiedenis van het christendom liegt er ook niet om. Overtuiging waar alles wat anders is voor moet wijken. Alles wat in de weg staat moet plat, alles wat boven het maaiveld uitsteekt afgeschoren. We kennen het, in het groot en in het klein.

Maar wacht even. Is dat waar Johannes toe oproept? Natuurlijk niet! Ruimte maken voor de Heer, dat doe je in jezelf, in je ziel, in je gedrag, in je denken en spreken. Als je een paar zinnen verder zou lezen in het Evangelie, zou je zien dat Johannes voor iedereen suggesties heeft. Want de mensen vragen: wat moeten we dan doen, hoe moeten we dan ruim baan maken voor de Heer? Johannes zegt: deel je voedsel met elkaar, geef kleren aan wie niets heeft, pers je naaste niet af. Dus wat glad gemaakt moet worden, zijn de bulten en gaten in je eigen levenspad.

Ruimte maken voor God – dat is de opdracht van deze adventstijd. En dat doe je dus niet ten koste van anderen, door anderen te oordelen of door ze jouw wil op te leggen. Maar pas op, ruimte maken voor God doe je ook niet ten koste van jezelf.
           Soms gaat dat tussen mensen zo: dat je ruimte maakt voor anderen door jezelf klein te maken. Soms is het zo verdeeld: de één pompt zich op en neemt alle ruimte in, de ander maakt zich klein en schikt in. Maar voor God, voor de Heer als hij komt, hoef je niet in te schikken. Want God wil in jouw leven wonen, in je lijf en in je geest, dus precies daar moet ruimte zijn en geen benepenheid. Je moet jezelf niet groter maken dan je bent en niet kleiner, je moet jezelf ruim maken. Elke cel van je lijf kan de Heer ontvangen, heel je denken kan vervuld worden van goedheid en genade. Zoals God ruimte heeft voor jou, heb jij het voor God, en je zult ontdekken dat we dan ook ruimte krijgen voor elkaar zonder dat er iemand in de knel hoeft te komen.

Als je gasten krijgt en je verheugt je op hun komst, dan ga je al wachtend de kamer door en de tafel langs en overal maak je het nog nét even mooier, je schikt alles voor de komst van je visite. Dat is Advent: de ruimte die je in jezelf hebt gemaakt voor de Heer, al wachtend steeds nog een beetje meer aankleden met liefde en vreugde.

 

inleiding dr. Ine Van Den Eynde
preekvoorbeeld dr. P. van Veldhuizen

webdesign: Artis