8 oktober 2017
Zevenentwintigste zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 5,1-7; Ps. 80; Fil. 4,6-9; Mat. 21,33-43 (A-jaar)

 

Inleiding

Eerste lezing: Jesaja 5,1-7
In de Woorddienst van deze zondag wordt het ‘Lied van de wijngaard’ in vele toonaarden gezongen. De profeet Jesaja begint. Hij zingt een liefdeslied, over zijn vriend – God zelf – en diens wijngaard. De vriend is tot het uiterste gegaan in zijn zorg voor de wijngaard, hij heeft al het mogelijke gedaan: ‘Wat had ik nog meer kunnen doen voor mijn wijngaard en heb ik voor hem niet gedaan?’ Het lied slaat om in een striemende aanklacht. De wijngaard gaf enkel wilde vruchten. God hoopte op betrachting van recht, maar zag enkel verkrachting van recht. Hij zal de wijngaard prijsgeven aan het onkruid en de wilde dieren.
De betekenis en de draagwijdte van deze beeldrijke passage uit Jesaja zijn duidelijk. De wijngaard is een beeld voor het volk van God. In dit lied klaagt de profeet het ongeloof, de ontrouw en het sociale onrecht in Israël aan: zie de wee-spreuken die onmiddellijk op de lezing volgen in Jesaja 5,8-24.
De literaire vorm van het stuk is minder duidelijk. De profeet noemt het zelf een lied (v. 1); het heeft iets van een fabel (een verhaal waarin dieren of planten optreden als personen); vanaf vers 3 lijkt het op een procesvoering met aanklacht (v. 4) en strafaankondiging (vv. 5-6). In vers 1 zingt de profeet over zijn vriend die een wijngaard heeft; in vers 3 neemt de eigenaar zelf het woord; in vers 7 ten slotte is het woord weer aan de profeet, die verklaart wie bedoeld zijn met de ‘vriend’ en de ‘wijngaard’. Door al die variaties heen blijkt uiteindelijk dat het stuk als een parabel functioneert: in de vorm van een wijnoogstlied vertelt de profeet een verhaal, waarbij de toehoorders gaandeweg tot het besef komen dat zij het op zichzelf moeten toepassen. In het verhaal krijgen zij de rol van rechter toebedeeld (v. 3), maar op het einde worden zij zelf aangeklaagd: zij zijn zelf de wijngaard die geen goede vruchten voortbrengt (v. 7).
In de Hebreeuwse tekst van vers 7b – dat in de eerste Nederlandstalige uitgaven van het lectionarium is weggevallen maar dat wel degelijk bij de lezing hoort – komt een dubbele woordspeling voor, waaruit blijkt dat de profeet het onrecht in Israël op het oog heeft: de Eeuwige verwachtte misjpat (recht), en zie het was mispach (onrecht); tsedaqa (gerechtigheid), en zie het was tse’aqa (jammerklacht, noodkreet van de verdrukte arme). In de vertaling is gepoogd deze woordspeling weer te geven: ‘Hij hoopte op recht maar Hij zag onrecht, Hij zag geen betrachting van recht, maar verkrachting van recht’ (Willibrord-vertaling) – ‘Hij verwachtte recht, maar oogstte onrecht, hij zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting’ (nbv).
Het beeld van de wijngaard als symbool van Israël vinden we voor het eerst in Hosea 10,1, eveneens in de context van een profetische aanklacht. Later is het beeld gemeengoed geworden: zie Jesaja 27,2-5; Jeremia 2,21; 5,10-14; 9,9; Ezechiël 15; 19,10-14; Psalm 80 (antwoordpsalm van deze zondag); Marcus 12,1-12 en parallelteksten (evangelielezing); Johannes 15,1-11.

Antwoordpsalm: Psalm 80,9.12-16a.19-20
In de antwoordpsalm wordt het ‘lied van de wijngaard’ verder gezongen. Psalm 80 is een klaaglied van het volk, dat mogelijk ontstaan is naar aanleiding van een catastrofe die het Noordrijk Israël heeft getroffen: in het begin van de psalm worden immers de namen genoemd van de noordelijke stammen Jozef, Efraïm, Benjamin en Manasse. Het lied kan echter ook later zijn ontstaan in het Zuidrijk Juda, en getuigt dan van de blijvende belangstelling voor het teloorgegane Noordrijk.

De dichter heeft het beeld van ‘wijnstok Israël’ breed uitgewerkt. God heeft een wijnstok uit Egypte gehaald en hem geplant in het beloofde land, waar hij uitgroeide tot een machtige struik. Nu echter heeft de vijand de wijnstok verwoest: de Assyriërs en de Babyloniërs zijn gekomen en het volk zucht in ballingschap. De psalmist smeekt God dat hij opnieuw zorg draagt voor zijn wijnstok. Het kan toch niet zijn dat God het werk van zijn handen laat varen. ‘Zie uit uw hemel neer op deze wijnstok, zoek hem weer op, en koester het stekje dat Gij toch eigenhandig geplant hebt. Wij zullen nooit meer van u weggaan. Maak ons nieuw en wij roepen uw Naam.’

Filippenzen 4,6-9
Zie Bert Jan Lietaert Peerbolte, ‘Filippenzen. Wat navolging verdient’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 90-95

Evangelielezing: Matteüs 21,33-43
In Jezus’ tijd waren de leiders van het volk niet beter dan hun vaderen in de tijd van Jesaja. Toch zingt Jezus in de parabel van deze zondag opnieuw het lied van de wijngaard. De pachters van wijngaard Israël hebben geen vruchten voortgebracht. Zij hebben zich verzet tegen God. Toch doet de eigenaar al het mogelijke. Hij zendt de ene dienaar na de andere, en ten slotte zelfs zijn zoon, maar die worden allemaal mishandeld en gedood. Wat zal de eigenaar van de wijngaard doen? ‘Hij zal de wijngaard aan anderen geven’. De wijngaard wordt gespaard. Jezus blijft hopen op een volk dat wél vruchten voortbrengt. Met deze parabel wilde hij een laatste waarschuwing tot de leiders van het volk richten, een dringende oproep zich alsnog te bekeren.

In het licht van het Paasgeloof hebben de evangelisten deze parabel allegorisch geïnterpreteerd en hem op Jezus zelf toegepast. De eigenaar is God, de wijngaard is Israël, de wijnbouwers zijn de leiders van het volk en de dienaren zijn de profeten: zo bedoelde Jezus het zelf al toen hij de parabel vertelde (zie ook de oudere versie van de parabel in Marcus 12,1-12). Maar in de versie van Matteüs komen er allegorische elementen bij. De twee groepen dienaren zijn de vroege en de late profeten, van wie sommigen inderdaad mishandeld, gestenigd of gedood werden (zie bijvoorbeeld 2 Kron. 24,21 over de profeet Zacharia). De zoon, die eerst uit de wijngaard geworpen en vervolgens gedood wordt, is Jezus zelf, die buiten de muren van Jeruzalem werd gekruisigd (zie Joh. 19,17 en Hebr. 13,12).

De wijngaard heeft tóch vruchten voortgebracht. In Jezus – die uit de wijngaard wordt geworpen – komt de edelste vrucht uit de wijngaard naar buiten. Of met de woorden van Psalm 118 die Jezus op het einde citeert: ‘De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is juist de hoeksteen geworden.’ Rond Jezus, de afgekeurde steen, zal een nieuw volk worden verzameld.

 

Preekvoorbeeld

Het lied van de wijngaard

Vandaag wordt het lied van de wijngaard in diverse toonaarden gezongen. Jesaja begint ermee: zingt een liefdeslied over zijn vriend, zijn lief, – God – en diens wijngaard. Hoe ontroerend! Jesaja laat horen hoeveel God om ons geeft, hoeveel hij voor ons over heeft. Hij wil alleen maar dat wij uitgroeien, dat wij mens worden, dat we genieten van elkaar, van de wijn die het hart verheugt. We zijn tot zijn vreugde en die van elkaar geschapen. Dat is het vertrekpunt voor het lied van Jesaja: ‘Voor mijn Geliefde wil ik zingen.'

??De liefde van God komt aan het licht
?De wijngaard – het is een thema dat in Israël steeds opnieuw is opgenomen als een beeld van de vruchtbare en liefderijke verhouding tussen God en zijn volk. Ook andere profeten spreken ervan en zingen erover. En Jezus zelf pakt dit intussen vertrouwde beeld op om zijn boodschap in diverse toonaarden van liefde en schoonheid – én van pijn om het lot van ons mensen ­– te laten klinken. Wat hij te vertellen heeft, is Gods vruchtbare boodschap van liefde en geluk voor alle mensen. Helaas vergaat het die vruchtbare wijngaard als de steen die de bouwlieden hebben verworpen. Maar bedenk: die steen komt straks weer voor de dag als hoeksteen van een nieuwe liefdevolle beweging van mensen.
Dat is ook de opzet van de gelijkenis van de wijngaard: rond Jezus verzamelt God een nieuw volk. In Jezus dragen de zaden van de wijngaard die God heeft geplant vrucht. Rondom hem neemt een onverwachte en schitterende boodschap van de liefde van God voor zijn volk, voor zijn mensen, gestalte aan. Zo komt de liefde van God voor de mensen, van mensen voor God en voor elkaar, aan het licht.

?De hoeksteen die heel de kerk draagt?
Zo hangt bij ons in huis een foto van een tempeltje uit de tweede eeuw voor Christus. Rond het begin van onze jaartelling had het zijn beste tijd wel gehad. Het was nog maar een rommeltje. Juist in die periode zocht een groepje kersverse christenen een plek om samen te komen. En dit gebouwtje kwam vrij. Steen voor steen werd het tempeltje weer opgebouwd en langzaamaan veranderde het in een wankelmoedig en bescheiden kerkje. Er ontbrak nog wat! Juist toen sloot zich een man bij het jonge clubje aan. Hij bekeek het bouwsel van alle kanten en zocht een tijdje tussen de stenen tot hij zag wat hij nodig had: een betrekkelijk onbenullig steentje dat nog ongebruikt was blijven liggen. Hij begon wat te wrikken aan een wankel muurtje. Daar ergens was precies een plekje overgebleven voor zijn steentje. Hij schoof het ertussen, wisselde hier en daar nog wat stenen om… En plotseling stond het daar. Een echte vakman!
En zo staat het kerkje – dat ooit een tempeltje was – er nog steeds. Het is niet zo gemakkelijk te bereiken. Het ligt vlak langs de snelweg, maar hoe kom je er bij? Je moet een beetje zoeken en een beetje sluip-door kruip-door verder en dan kom je onverwacht bij het kerkje aan.
Vlak bij dat kerkje is trouwens een meertje waar geneeskrachtig bronwater aan het oppervlak komt. Daar ontspringt het kleine riviertje de Clitunno. De laatste eeuwen voor Christus trokken veel mensen ernaartoe om er rust te vinden en om heling en genezing te zoeken. Toen wij er waren, zagen we met eigen ogen hoe die steen van de vakbekwame bouwmeester daar tot hoeksteen was geworden. En we zagen hoe de boodschap van Jezus er wortel schoot op zo’n plekje dat bijzonder geschikt is om er mensen te dopen…
Daarom hebben we er een foto van genomen en hem opgehangen in onze huiskamer om de gelijkenis van de wijngaard en daarmee ook die gelijkenis van de hoeksteen niet te vergeten.

Onstuimige groei?
Hoeveel druiven kan een wijnstok niet dragen! Hoeveel vruchten brengt zij voort!Soms denk je misschien wel eens als je zo om je heen kijkt: waar zijn ze allemaal gebleven? Lopen de kerken langzamerhand leeg?
Misschien moet je anders leren kijken – zoals met dat hoeksteentje. Als ik om me heen kijk, zie ik voorbeelden te over van plekken en plekjes waar de kerk ademt, leeft, beweegt. Waar – om in beelden te spreken – wijnstokken worden geplant, en waar ze al groeien en bloeien.
Zo ken ik een pastoraal werkster die haar eerste werkplan al de titel ‘Herberg’ mee gaf. Deze ‘Herberg’ is intussen tot stand gekomen en is voor steeds meer mensen een plek om thuis te komen.
Een paar mensen bedachten een jaar of twintig geleden een cursuscentrum in Amsterdam. Dat centrum is intussen volwassen geworden en probeert steeds weer in te spelen op de schuivende vragen van kerk en samenleving.
Een diaken kwam op het idee om fietsen die mensen over hebben te gaan inzamelen. Met een vrijwilliger die de opgehaalde fietsen weer in orde brengt, worden deze fietsen geschikt gemaakt voor asielzoekers en andere mensen die – om financiële redenen – niet zo gemakkelijk aan een fiets kunnen komen.
Een andere pastor kwam op het idee een ‘Oase’ vorm te geven. Dat is een centrum geworden voor ontmoeting, gesprek, rust, persoonlijke (her)oriëntatie en maatschappelijke betrokkenheid.
Deze voorbeelden zouden we met elkaar nog flink uit kunnen breiden. Wat ik hiermee aan wil geven is dat er plekken te over zijn waar wijngaarden welig tieren. Ze kunnen u of anderen weer aan ideeën helpen of u of anderen de ruimte bieden om tot zichzelf te komen.

 

inleiding dr. Paul Kevers
preekvoorbeeld drs. Hans Sevenhoven

webdesign: Artis