8 juli 2018
Veertiende zondag door het jaar

Lezingen: Ezech. 2,2-5; Ps. 123; 2 Kor. 12,7-10; Mar. 6,1-6 (B-jaar)

 

Inleiding

De profetenlezing en het evangelie gaan beide over de weerstand en het ongeloof die Gods woord en zijn heilzame werking ondervinden. Gods woord, gesproken door profeten en door Jezus – Gods woord in eigen persoon – stoot voortdurend op weerstand en afwijzing. Dat was in vroeger tijden en gaat voort tot op de dag van vandaag (Ezech. 2,3). In Ezechiël horen we dat God zich daardoor niet laat ontmoedigen, maar zijn woord blijft spreken opdat vroeg of laat toch het inzicht doorbreekt dat hij zijn volk niet in de steek heeft gelaten. Het evangelie gaat over de verbazing van Jezus over het complete wantrouwen (niet vertrouwen) van zijn stadgenoten, waardoor zij zich afsluiten voor hun heil en redding. Want, zo zegt Jezus eerder in het Marcusevangelie tot een vrouw die hem aanklampt: ‘Uw vertrouwen is uw redding’ (5,34).

Ezechiël 2,2-5
Ezechiël hoort tot een eerste groep van ballingen, die in 598 voor Christus vanuit Jeruzalem naar Babylon worden gevoerd, tezamen met koning Jojakin. Daar verblijven zij in een Joodse nederzetting gelegen aan de Kebar, een zijrivier van de grote rivier de Eufraat.
               In het vijfde jaar van die ballingschap krijgt Ezechiël een goddelijk visioen, waarin hij tot profeet wordt geroepen (Ezech. 1,1-3). Ezechiël wordt de profeet van de ballingen, zoals zijn tijdgenoot Jeremia profeet is voor de achterblijvers in Juda.
               Dat Ezechiël werd geroepen daar in het verre Babylon, was bijzonder. Want het was voor de eerste keer dat er een profeet opstond buiten Israël/Juda. De gedachte dat de ballingen daar in den vreemde van God en alleman verlaten waren, werd hiermee doorbroken. God bekommert zich om zijn volk, ook wanneer het in den vreemde verblijft.
               Voor de ballingen zal dat een onverwachte ervaring zijn geweest, voor de achterblijvers in Jeruzalem een schok. Want Gods aanwezigheid blijkt niet langer onlosmakelijk verbonden aan Jeruzalem en in het bijzonder aan de tempel, zoals zij lange tijd dachten. God heeft zich verbonden met zijn volk, niet met plaatsen en bouwwerken: Hij is een God van mensen.

De beweeglijkheid van God spreekt uit het wonderlijke en lastig voor te stellen visioen van Ezechiël. Daarin ziet hij vier levende wezens, die het hemelse gewelf dragen en die zich elk voortbewegen op een wiel, wendbaar naar alle kanten. ‘Als de wezens zich verplaatsten bewogen de wielen zich met hen mee, en als ze zich van de grond verhieven, verhieven ook de wielen zich met hen mee’ (Ezech. 1,19).
               Ezechiël wordt aangesproken met ‘Mensenkind’. Hij wordt aangesproken als vertegenwoordiger van het volk, dat jhwh zich verkozen heeft. De benaming ‘Mensenkind’ drukt het verschil uit tussen God met heel zijn heerlijkheid en de mens in zijn aardsheid en kleinheid.
               Bij het zien van het visioen laat Ezechiël zich dan ook plat voorover vallen. Dat is zijn reactie wanneer de heerlijkheid van de Heer zich aan hem openbaart (Ezech. 1,28). En het is maar met behulp van een geest dat hij weer op de been kan komen: ‘Er voer een geest in mij, die me weer op deed staan’ (2,2).

Ezechiël wordt naar de Israëlieten gezonden ‘naar dat weerspannig volk dat tegen mij in opstand is gekomen’ (v. 3). Het is opmerkelijk dat het volk hier wordt aangeduid met goyim. Dat woord heeft gewoonlijk betrekking op de heidenvolken. Heeft Israël zich door zijn houding van weerspannigheid en rebellie in feite geschaard onder de heidenvolken? Dat is een geweldige aanklacht.
               Weerspannigheid en rebellie horen overigens bij de wereld van een vazallenverdrag. Daarin sluit een volk een verbond met een vreemde heerser. Het volk belooft trouw en gehoorzaamheid aan die heerser en zal bepaalde diensten, waaronder krijgsdiensten, verlenen of afdrachten doen. En in ruil daarvoor biedt de heerser het volk bescherming en verleent het bepaalde zorg. Het vazallenverdrag wordt in de Bijbel en ook hier toegepast op de verhouding van jhwh en het huis van Israël. Israël leeft in een verbond met jhwh. Het heeft gehoorzaamheid en trouw aan jhwh beloofd en jhwh zal zorg dragen voor zijn volk en het volk mag op zijn bescherming rekenen.
               Van Israël wordt in onze perikoop en elders gezegd, dat het ontrouw is geworden aan zijn heer en dat het tegen jhwh in opstand is gekomen en rebelleert (vgl. Amos 4,4; Hos. 7,13; Jes. 1,2): ‘het is een opstandig volk’ (v. 5 in Willibrordvertaling 1995). In de Hebreeuwse tekst staat: ‘het is een huis van opstandigheid’. Zo vervangt Ezechiël de naam ‘Huis van Israël’ door ‘Huis van opstandigheid/rebellie’.

Door zijn ontrouw aan jhwh heeft het huis van Israël het recht op diens bescherming en zorg verspeeld. Daar kan het geen aanspraak meer op maken.
               Toch laat jhwh het volk niet aan zijn lot over, ook al blijft het zich tegen de Heer verzetten tot op die dag en volhardt het in de houding van zijn voorouders (v. 3). En de Heer laat een profeet opstaan te midden van de ballingen. Daarin toont hij van zijn kant de voortgang van zijn beschermende en zorgende verantwoordelijkheid, ook in den vreemde.

De profeet die jhwh zendt, zal de houding van het volk niet zomaar veranderen. Het is immers ‘halsstarrig’ en ‘eigenzinnig’ (v. 4). In het Hebreeuws staat het er beeldender en wordt de houding van het volk omschreven met ‘een hard aangezicht’ (een harde kop) en een ‘stug hart’. Termen die wijzen op een ontoegankelijke houding en op een uiterst moeilijk op andere gedachten brengen. Luisterbereidheid is ver te zoeken.

Toch wordt Ezechiël gezonden om woorden van jhwh te spreken, opdat ‘het volk zal weten dat er een profeet in hun midden is geweest’ (v. 5). Door het spreken van de profeet is jhwh zelf aanwezig te midden van zijn volk. Vroeg of laat zal het besef tot het volk doordringen dat jhwh zijn volk niet in de steek heeft gelaten en dat hij zelf met hen is meegegaan in de ballingschap. Dat is een ultiem teken van duurzame trouw, die hier eenzijdig wordt voortgezet, ook nu de ander, het volk, het niet ziet of erkent en stank voor dank geeft. Later wellicht kunnen bij het volk de schellen van de ogen vallen en kan het inzicht doorbreken.

Marcus 6,1-6
Met de perikoop van vandaag sluiten we een tweede deel af van het Marcusevangelie.
               Na een inleiding horen we in Marcus 1,21 over het optreden van Jezus in de synagoge van Kafarnaüm, waar hij met enthousiasme wordt ontvangen omdat de toehoorders onder de indruk zijn van zijn onderricht met gezag. Maar bij religieuze en politieke overheden stoot het optreden van Jezus op grote weerstanden. Daarom eindigt het eerste deel met het samenspannen van mensen uit de kring van Farizeeën en van Herodianen, met het doel om hem uit de weg te ruimen (3,6).
               In een tweede deel (vanaf 3,7) horen we meer over Jezus’ onderricht en een vervolg van de tekenen en wonderen. Daar horen we ook over onbegrip bij zijn verwanten (3,21) en bij mensen uit zijn directe omgeving. Dat laatste blijkt in de perikoop van vandaag, wanneer Jezus in Nazaret komt, hoewel die naam hier niet genoemd wordt (wel in het evangelie van Lucas: 4,16). Daarmee wordt alle nadruk gelegd op hetgeen hier aan de orde is: de afwijzende reactie van de eigen omgeving op het optreden van Jezus. En zo fungeert zijn vaderstad als tegenhanger van Kafarnaüm, waar de toehoorders geestdriftig waren over zijn leer.
               De eerste reacties van de aanwezigen in de synagoge van Nazaret zijn niet veel anders dan de eerdere reacties in de synagoge in Kafarnaüm. Er is verbazing en verwondering (6,2). Maar die verwondering slaat om in aanstoot wanneer zij zich realiseren dat het om iemand uit hun eigen middag gaat, wiens familie zij kennen en die ‘maar’ een gewone ambachtsman is uit hun eigen midden.
               Als een rabbi trekt Jezus met zijn leerlingen door Galilea en aangrenzende gebieden om mensen te onderrichten (6,2.6). Daar is het hem om te doen. Daartoe gaat hij op sabbat naar een synagoge, maar ook onderweg spreekt hij met mensen en zij spreken hem aan.
               Zijn onderricht gaat vergezeld van tekens, die met verschillende woorden worden aangeduid: wonderen, genezingen of uitdrijving van geesten. In de lezing van vandaag staat dat Jezus in zijn vaderstad geen enkel wonder kon doen. In het Grieks staat daar het woord dunamis. We kennen dit woord in onze taal als ‘dynamiek’, en dat duidt op kracht. Om wat voor kracht gaat het? Waar is die kracht op gebaseerd?

In het evangelie van Marcus komt dunamis een aantal keren voor en daarbij valt op dat de kracht, die daarmee wordt aangeduid, steeds in verband staat met God en met hemelse sferen. Het is een kracht die in en door mensen werkzaam kan zijn, maar in God zijn oorsprong heeft.
               Zo horen we bij de ontmoeting van Jezus met de vrouw, die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed, dat Jezus voelt dat er een kracht van hem is uitgegaan, wanneer de vrouw zijn mantel aangeraakt heeft (5,30).
               En elders getuigt Jezus dat er onder zijn toehoorders mensen zijn die de dood niet zullen proeven, voordat ze hebben gezien dat Gods Koninkrijk met kracht gekomen is (9,1).
               En in een gesprek met de Sadduceeën zegt Jezus: ‘Zit u niet op een dwaalspoor, doordat u de Schriften niet kent en evenmin de kracht van God?’ (12,24).
               Ten slotte, tijdens een verhoor door hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden in de laatste dagen van Jezus in Jeruzalem, antwoordt Jezus op de vraag of hij de Messias is: ‘Ja, dat ben Ik, en u zult de Mensenzoon zien, gezeten aan de rechterhand van de kracht en komen op de wolken van de hemel’ (14,62). Kracht is hier een aanduiding van God zelf.

2 Korintiërs 12,7-10
In de brieven van Paulus wordt kracht ook heel direct verbonden met Christus en met de Geest. In Christus is Gods kracht geopenbaard: ‘Wij verkondigen u een gekruisigde Christus, … Gods kracht en Gods wijsheid’ (1 Kor. 1,24).
               En de kracht van de verkondiging zit hem in de werking van de Geest, zo schrijft Paulus iets verder in dezelfde brief: ‘Het woord dat ik u verkondigde, overtuigde niet door geleerde woorden, maar het getuigde van de kracht van de Geest; uw geloof moest niet steunen op menselijke wijsheid, maar op de kracht van God’ (1 Kor. 2,4-5; vgl Ef. 3,16).
               De epistellezing van deze zondag uit de tweede brief aan de Korintiërs, spreekt ook over dunamis, kracht. Paulus getuigt daar dat hij alles te danken heeft aan Gods kracht. Voor zichzelf kan hij slechts roemen op zijn zwakheid (2 Kor. 11,30). Maar kracht (Gods) openbaart zich eerst ten volle in (menselijke) zwakheid (2 Kor. 12,9). Het komt er dus op aan God de ruimte te geven.

Zie: P.J. Tomson, ‘2 Korintiërs. De heidenapostel in het nauw geraakt’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 59-68

Vervolg Marcus
Het wonderlijke is dat die kracht van God zich niet met alle geweld laat gelden, zo horen we in het evangelie van vandaag. Omdat Jezus in zijn vaderstad geen erkenning, geen vertrouwen en openheid vindt ‘kan hij daar geen enkele kracht doen’ (v. 5). Zonder vertrouwen van de kant van de ontvanger kan Gods kracht niet werkzaam zijn.
               Zo horen we ook verderop in het evangelie van Marcus, wanneer Jezus door een vader wordt aangesproken, wiens zoon in de greep is van een stomme geest (9,17). De man vraagt Jezus om zijn zoon te hulp te komen ‘als u enigszins kunt!’ (9,22). En Jezus antwoordt daarop met te zeggen: ‘Of ik dat zou kunnen? Alles kan voor wie vertrouwen heeft’ (9,23). Jezus, gevraagd naar zijn mogelijkheden, legt de bal terug bij de degene die een beroep op hem doet en spreekt hem aan op zijn vertrouwen. Daar zit hem de kneep. En dan haast de vader zich te zeggen: ‘Ik heb vertrouwen. Kom mijn gebrekkig vertrouwen te hulp’ (9,24).
               Vertrouwen hoeft niet volmaakt te zijn. Een beetje vertrouwen, hoe gebrekkig ook, daarmee staat de deur op een kier en dat biedt openheid en perspectief.
               In zijn vaderstad stoot Jezus echter op ongeloof (niet-geloof) en compleet wantrouwen (niet-vertrouwen), die de werking van Gods kracht blokkeren.

 

Preekvoorbeeld

Jezus in de synagoge van zijn vaderstad. Je ziet er gebeuren hoe het evangelie wordt ingekapseld. Het vreemde en ergerlijke woord uit Jezus’ mond – ze stonden versteld, ze waren stomverbaasd – wordt meteen teruggebracht tot bekende coördinaten. Dat is toch de timmerman? De zoon van Maria. We kennen zijn broers. We flirten met zijn zusjes.
               Jezus kon er geen enkel wonder doen, zo staat er, behalve wat kruimelwerk: dat hij een paar zieken de handen oplegde en hen genas. Hij stond verbaasd over hun ongeloof.
               Kennen wij hem misschien te goed? In die zin dat wij hem thuisbrengen in ónze manier van doen, tussen wat wij zo gewend zijn, in déze groep mensen, vertrouwd en bekend.

Met grote weerzin wordt daar in de synagoge van Nazaret het vreemde, de niet-herleidbaarheid, de openheid van verwondering en verbazing teniet gedaan en herleid tot de huiselijke verhoudingen, zoals in sommige kerken kamerplanten zijn neergezet, soms zijn ze van plastic, zodat ze niet verpieteren…
               Die vreemde Jezus moet teruggebracht worden tot wat bekend is: ‘O ja, de zoon van Jozef.’ Dat kleinmaken is verstikkend. Pas op, dit verhaal van Jezus in zijn vaderstad staat ter waarschuwing geschreven. Hij die mensen vreugde bezorgde,  die kapotte levens heelmaakte, die wonderen deed, hij kon niets met hen aanvangen. De Almachtige God staat hier met lege handen.
               Ja, het evangelie is machteloos in een geloofsgemeenschap die zich niet laat storen. Het evangelie kan geen kant uit in een kerk die zich georganiseerd heeft als een onderonsje. Het evangelie komt zelden binnen ‘langs het tuinpad van mijn vader.’ Nee, het evangelie is niet bekend, is niet vertrouwd, is niet herleidbaar, is niet gemaakt van weemoed en nostalgie.
               Hier in de tekst staat een oude vertrouwde synagoge opgericht. En het botst er. Onder het gehoor van Jezus Messias breekt groot conflict uit tussen de omlijnde verwachtingen van het bekende en de vreemdheid die erdoorheen breekt.

Het evangelie neemt verschillende gestalten aan in ons leven. De goede God zit niet voor één gat gevangen als hij ons zoekt en vindt. Ik wil dat uiteenleggen in drie gestalten. Niet dat daarmee alles gezegd is, want ook langs omwegen die ik niet ken komt God ons tegen, maar ik meen dat het wel zinvol is om die drie gestalten een beetje te onderscheiden.
               Het evangelie komt tot ons in wat ik noem: de gestalte van geloof, de gestalte van godsdienst en de gestalte van religie. Met geloof bedoel ik de wereld van ons persoonlijk leven, met godsdienst bedoel ik de wereld van ons kerkelijk leven, met religie bedoel ik de wereld van ons maatschappelijk leven.
               Je zou ook van spiritualiteit kunnen spreken. Onze spiritualiteit heeft een persoonlijke, een kerkelijke en een maatschappelijke dimensie. Of beter is het van een meervoud spreken. Ieder mens bergt meerdere spiritualiteiten in zich. Ze lopen door elkaar heen, ze spreken elkaar tegen, ze zijn niet zomaar met elkaar in overeenstemming te brengen.

1. Als je in het gewone leven zegt: ‘Ik geloof dat...’, kun je te horen krijgen: ‘Geloven, dat doe je in de kerk.’ Maar daar ben ik niet zo voor. Ik zou zeggen: ‘Geloven, doe dat vooral thuis.’ Want geloof is hoe het evangelie in ons persoonlijk leven plaats heeft gegrepen. Je geloof is onlosmakelijk verbonden met je biografie, waar je wiegje stond, wie je tegen kwam, welke crises je doormaakte en hoe je daar weer uit bent gekomen. Je Werdegang.
               Geloof, dat is de binnenkant van je leven, hoe God zich in je meest persoonlijke kern heeft geopenbaard. Geloof is één geworden met je subjectiviteit, je denken en voelen. Het is niet los te denken van jouw eigen leven, je mogelijkheden en onmogelijkheden, je groei en scheefgroei. Als je van je geloof vertelt, is dat iets van jezelf. Het geloof is het evangelie in binnenperspectief.

2. Wat kan de kerk voor het geloof betekenen? Dat is een goede vraag. Want de kerk is niet het natuurlijke milieu van het geloof. Gechargeerd gezegd: het gaat hier in de kerk niet om geloof. Geloven dat doe je maar thuis! Waar het hier in de kerk om gaat is om  het geloofsgemeenschappelijke!  Dat de bronnen van het geloof hier open gaan, dat wij daaruit putten.
               Wat hebben al deze verschillende mensen hier gevonden aan gezamenlijkheid? Niet het geloof, want dat neemt verschillen aan van links naar rechts en weer terug. Maar een geloofsgemeenschap.
               En hoe is die geloofsgemeenschap tot stand gekomen? Door al onze geloven en geloofjes bij elkaar te leggen en er de grootste gemene deler van te vinden? Komen wij hier samen rond een soort gemiddelde? Welnee, zo hebben wij elkaar hier niet gevonden.
               De kerk is niet de plaats waar het geloof voorop staat, de kerk is de plaats van het geloofsgemeenschappelijke , de godsdienst. En dat is dus iets anders, dat is iets anders dan geloof. Geloof is verankerd in onze subjectiviteit. Het geloofsgemeenschappelijke, de godsdienst,  is objectief.
               Dat is een lastig woord. Ik bedoel daarmee niet de pretenties van de objectieve waarheid, maar het tegenkomen van een objectieve werkelijkheid, die dus niet uit jouzelf voortkomt en ook niet uit de groep, maar die er tegenover staat, ons tegemoet komt, ons komt storen.
               In de kerk gaan de bronnen open. Niet de diversiteit van ons geloof maakt zich hier breed, dat zou een kakofonie worden! Nee, de beweging is andersom, niet van binnen naar buiten, maar van buiten naar binnen. Niet het eigene treedt naar voren (dat is geloof), maar het vreemde, het andere, het onbekende, het mysterie doet zich voor (dat is de godsdienst).
               Het gaat hier om de vraag: hoe wordt ieders geloof hier gevoed? Het antwoord is: door het Woord van God, doordat de Schriften hier opengaan, door het Sacrament dat bediend wordt, door het licht van Christus dat ons wenkt en nodigt, door de stilte die hier al was voor jij hier binnentrad, door de gebeden die hier langs de wand fluisteren,

3. Tenslotte is er nog de maatschappelijke dimensie van het evangelie. Hierbuiten – in het maatschappelijk verkeer – is geen sprake van objectiviteit of subjectiviteit. Daar doen meerdere godsdiensten en levensbeschouwingen zich voor en alles is relatief, met als een verworven goed van onze beschaving: de scheiding van kerk en staat. Die relativiteit, het evangelie kan daar goed tegen. gelovigen doorgaans wat minder.
                Hierbuiten, in het buitenperspectief doet het evangelie zich voor als een religie met een eigen cultuur en komt God ter sprake in diaconaat, politiek, literatuur, theater, dans, muziek.

Wat levert dit hele overzicht ons nu op? In het geloof is onze subjectiviteit in het geding. Het geloof is verweven met onze biografie, het vindt plaats in ons allerpersoonlijkst domein: thuis.
               Godsdienst daarentegen gebeurt in het geloofsgemeenschappelijke, in de geloofsgemeenschap waar de bronnen opengaan als objectieve werkelijkheden die ons wenken en wijzen.
               Religie is het buitenperspectief. In het donker zijn alle katten grauw. Daar is het evangelie een uiterst relatieve werkelijkheid te midden van andere religies, een maatschappelijk fenomeen.

Jezus gaf onderricht in de synagogen en kwam ook in Nazaret, waar hij was opgegroeid. En u voelt wel aan wat voor een conflict zich hier voordoet. Het conflict van: hoe gaat het hier in de synagoge toe? Ligt dat in het verlengde van de huiselijke verhoudingen, hoe sommigen van ons elkaar al van jongs af kennen? Jezus is hier opgegroeid, zodat het laatste woord van de lezing is: ‘Dat is toch de zoon van Jozef?’
               Of is dit hier een huis van God, waar uit de boekrol wordt voorgelezen en gesproken met gezag, niet als een uiting van de allerindividueelste emotie, maar omdat Gods woord hier klinken moet.
               Wat zich daar in Nazaret voordoet is precies het conflict tussen het geloof en de godsdienst, tussen de persoonlijke dimensie van: ‘Ik heb nog met jou geknikkerd’ en de geloofsgemeenschappelijke dimensie van: ‘Dit  hier moet gezegd, dit moet gedaan.’

De kerk is er in de eerste plaats om de vreemdheid, de oninpasbaarheid en de aanstotelijkheid van het Woord van God te dienen. Het gaat erom dat het je níet bekend in de oren klinkt, zoals het altijd al geweest is, dat het je níet vertrouwd is.
               O ja, Jezus zou zich zomaar weer terug kunnen voegen in het leven van alle dag. Hij komt het dorp binnen, de buurman steekt de hand op en alles is zoals het was, alsof hij nooit is weggeweest.
               Om je dán los te scheuren! Nee, het is niet waar, ik bén weggeweest, weggegaan en nu weliswaar teruggekomen, niettemin er is een tussentijd die zij niet kennen. Er is een tussenkomst, een wonder, woord van God, teveel gezien, teveel gehoord. Klaagliederen gezongen, treurzangen, weeklachten, het past nooit meer. Het verschil speelt hier op.
Verdoezel het niet.

Het staat op spanning. Aan de ene kant het evangelie dat je uitleidt, exodus, je uit de tent lokt. Aan de andere kant de inkapseling, de toe-eigening, annexatie.
Dat wij hier ruimte vrijhouden voor wat – en wie – ons vreemd is. Jezus, ik kan hem niet thuisbrengen.

 

inleiding drs. Theo van Adrichem
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen

webdesign: Artis