7 oktober 2018
Zevenentwintigste zondag door het jaar

Lezingen: Gen. 2,18-24; Ps. 128; Heb. 2,9-11; Mar. 10,2-12(16) (B-jaar)

 

Inleiding

Genesis 2,18-24
Het boek Genesis begint met twee scheppingsverhalen, die totaal van elkaar verschillen en afzonderlijk moeten gelezen worden. Zij geven elk op hun eigen manier fundamentele aspecten van het mens-zijn weer. Deze verhalen zijn geloofsverhalen en niet bedoeld als geschiedschrijving, maar dat neemt niet weg dat zij ons heel wat leren over God, de mens en de wereld. Het eerste verhaal (1,1–2,4a) is een plechtige scheppingsliturgie, die culmineert in de instelling van de sabbat en waarin God enkel schept door te spreken.
            In tegenstelling tot de transcendente Godsvoorstelling uit het eerste scheppingsverhaal krijgen we in het tweede scheppingsverhaal (2,4b–3,24) een meer menselijk of antropomorf beeld van God. God wordt er voorgesteld als een soort pottenbakker, die de mens (adam) boetseert uit het stof van de aarde (adama) en er een levend wezen van maakt door hem zijn levensadem in te blazen. Omdat God (terecht) vindt dat het niet goed is voor de mens dat hij alleen blijft, boetseert hij uit een rib van Adam ‘een helper die bij hem past’. Zo wordt meestal vertaald. Letterlijk staat er evenwel: ‘een helper die is als tegenover hem.’ Met andere woorden: de vrouw is gelijkwaardig aan de mens. Zij wordt weliswaar later geschapen, maar dat neemt niet weg dat zij het spiegelbeeld is van de mens, wat in de vrijere vertaling ‘een helper die bij hem past’ niet zo duidelijk te zien is.
            Deze gelijkwaardigheid was er niet bij de dieren, waarmee God eerst de eenzaamheid van de mens probeerde te verhelpen. Dat God de mens aan de dieren een naam laat geven bewijst de superioriteit van de mens over de dieren. Deze toevoeging ontbreekt echter wanneer God de vrouw bij de mens brengt, wat duidelijk wil zeggen dat de vrouw op een hoger niveau staat en niet te vergelijken is met de dieren. De vrouw, zo roept de mens jubelend uit, is ‘been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees’. Ongevraagd geeft hij daarna toch een naam aan de vrouw, namelijk isja. Deze naam, die gewoon ‘vrouw’ en niet ‘mannin’ betekent, telt in het Hebreeuws drie letters, waarvan er twee eveneens voorkomen in het woord isj, dat ‘man’ betekent. Man en vrouw verschillen dus wel van elkaar, maar er is veel meer dat zij met elkaar gemeen hebben. Op dit punt van het verhaal leven man en vrouw nog in volkomen eenheid en verbondenheid met elkaar, in een paradijselijke harmonie alsof zij beiden één vlees zijn. Zo heeft God het oorspronkelijk bedoeld.
            Na de zondeval en de daaropvolgende vervloeking komt aan dit ideaal van verbondenheid en eenheid een abrupt einde. De paradijselijke harmonie houdt op te bestaan. Zij zijn niet langer één vlees, maar zijn twee afzonderlijke wezens geworden. Zij worden uit de tuin van Eden verdreven en moeten voortaan de pijnlijke confrontatie aangaan met het onderlinge verschil en met de weerbarstige aarde waarop zij voortaan moeten leven en werken. Dit moeilijke en bedreigende verschil blijkt ook uit het feit dat de vrouw van de man een nieuwe naam krijgt, namelijk ‘Eva’, afgeleid van het Hebreeuwse chawwa, dat ‘leven’ betekent.

Marcus 10,2-12
De predikant beperkt zich best tot Marcus 10,2-12, omdat dit stuk een thematische eenheid vormt en mooi in verband kan gebracht worden met de eerste lezing. Farizeeën stellen Jezus de vraag of een man zijn vrouw mag verstoten. Zij verwijzen daarbij naar een wetsartikel van Mozes in Deuteronomium 4,1 over het geven van een scheidingsbrief. Jezus ontkent de geldigheid van dit wetsartikel niet, maar over de wet heen wijst hij naar het ideaal dat God oorspronkelijk bedoeld heeft. De wet over de scheidingsbrief wordt door hem bestempeld als een tegemoetkoming aan de menselijke zwakheid, als een noodoplossing dus. Zij mag er zijn en heeft bestaansrecht, omdat er soms en tegenwoordig meer en meer, bij gebrek aan echte wederzijdse liefde en door de weerbarstigheid van het menselijk hart, situaties kunnen ontstaan die een scheiding tot gevolg kunnen hebben.
            Maar eigenlijk zou die wet niet moeten bestaan, want zo heeft God het huwelijk niet bedoeld. Scheiden is niet het doel van het huwelijk. Hoe God het huwelijk wél heeft bedoeld maakt Jezus duidelijk met een dubbel argument. Het eerste argument komt uit het eerste scheppingsverhaal: God schiep de mens als zijn beeld… hij heeft hen mannelijk en vrouwelijk geschapen.’ Dit betekent dat man en vrouw samen het beeld van God zijn. Op zichzelf is de mens onvolledig, maar pas samen – naar elkaar toegeschapen – zijn mensen beeld, zichtbare verschijning en plaatsvervanger van God.
            Jezus vervolgt daarna met een tweede argument, namelijk een citaat uit het tweede scheppingsverhaal dat hij veelbetekenend inleidt met ‘daarom’. ‘Daarom’, namelijk omdat man en vrouw samen horen en samen beeld van God zijn, daarom verlaat de man zijn vader en moeder om zich zo aan zijn vrouw te hechten dat ze één vlees, of met andere woorden: dat zij volkomen één worden. Het Hebreeuwse woord ‘vlees’, waarmee niet een deel van de mens, maar de totale mens wordt bedoeld, wijst op het lichamelijke aspect van de man-vrouw-relatie. De uitdrukking ‘zich hechten’ of ‘zich binden aan’ drukt eerder de psychologische kant van de relatie uit: houden van, zich met hart en ziel wegschenken aan elkaar. Door die intieme vereniging en die liefdevolle gehechtheid ontstaat de gave en volledige mens, die beeld is van God. Deze innige band of eenheid is door God bedoeld en gegeven. In de wereld zoals God die heeft bedoeld zou echtscheiding eigenlijk niet moeten bestaan, ja ondenkbaar moeten zijn.
            Vanzelfsprekend gaat het in deze tekst om een ideaal, om de volmaakte harmonie en orde zoals God die oorspronkelijk heeft gedroomd. Zo zou het moeten zijn. Naar dit ideaal moeten gehuwden toeleven, zo goed als enigszins mogelijk is, met heel de kracht van hun hart. Liefde is een werkwoord. Die eenheid ontstaat niet op slag. Het huwelijk is een relatie die mensen op weg zet naar ver-eniging, naar echt-verbinding, naar één-worden, elke dag opnieuw en steeds meer en dichter naar elkaar toe. Dit evangelie gaat dus niet op de eerste plaats over echtscheiding, maar wel over het huwelijksideaal.

                                                                      

Preekvoorbeeld

Vandaag komen Jezus’ tegenstanders met een uiterst delicate vraag. ‘Heeft een man de volmacht om zich van zijn vrouw los te maken?’ Zo staat het er letterlijk in het Grieks. Dat is een pijnlijke vraag. Tot in onze dagen aan toe. Volgens de laatste cijfers loopt in de westerse wereld bijna één op de twee gesloten huwelijken uit op een scheiding. Wat de omstandigheden ook zijn: laten we het er over eens zijn dat dat niet de bedoeling was, toen de twee met elkaar huwden. Je trouwt niet met de bedoeling om weer te scheiden. Scheiding is altijd pijnlijk. Of – zoals het oude spreekwoord zegt: scheiden doet lijden. Je was met zulke mooie plannen en verwachtingen begonnen. En al dat moois is kapot gegaan. Pijnlijk en verdrietig.

Het is niet de bedoeling dat de relatie breekt. Dat is dan ook precies wat Jezus zijn tegenstanders duidelijk probeert te maken. Hij vraagt zijn tegenstanders: ‘Wat staat er in de Wet die Mozes van God ontvangen heeft?’ Waarop zij antwoorden, bijna gretig lijkt het wel: ‘Van Mozes mág het! Hij heeft de mogelijkheid gegeven tot een scheidingsakte.’ En Jezus weer: ‘Ja, maar dat was oorspronkelijk niet de bedoeling.’ En dan gaat Jezus terug naar het scheppingsverhaal aan het begin van de Bijbel (ook Mozes!).

Dat verhaal hoorden we vandaag in de Eerste lezing. Daar staat: ‘Het is niet goed dat de mens alleen blijft.’ En God maakte ‘een hulp die bij hem paste’, aldus onze vertaling. Eigenlijk staat er ‘een (gelijkwaardige) partner tegenover hem’. De bedoeling is duidelijk. Ik ben pas een volwaardig mens als ik een relatie aanga met een ander. Zonder die ander ben ik geen volwaardig mens. En die ander is geen volwaardig mens zonder mij. Dat geldt niet alleen voor het huwelijk, dat geldt ook voor degenen die ongehuwd blijven; het geldt voor elke vriendschapsband, voor elk contract, voor elke verbintenis die ik met een ander aanga.
            Heb ik het recht – ongeacht of ik man of vrouw ben – mij van mijn relatie los te maken? Jezus’ antwoord is duidelijk: ‘Nee, dat is eigenlijk de bedoeling niet. Dat het gebeurt is al pijnlijk genoeg.’

Volgens mij heeft Jezus het vooral over die pijn. Want je zult maar degene zijn die losgelaten wórdt. Die alleen achterblijft. Degene die geen verweer heeft. Wellicht – of waarschijnlijk – zal die persoon ook zelf mede schuldig zijn aan de scheiding. Maar het initiatief lag bij de ander. Die maakte zich los. En liet jou alleen achter. Vernederd. Gekleineerd.

Het is dan ook niet zonder betekenis dat we meteen hierna horen hoe de leerlingen kinderen bars terugwijzen. Kinderen staan in het evangelie altijd model voor de kwetsbare mensen; de ‘kleinen’, ook als dat volwassenen zijn. Daar doen de leerlingen nota bene zelf waarvan Jezus net zei dat het niet goed is om te doen. Met dat prachtige woord aan het eind: ‘Laat ze maar naar mij toe komen.’

Dat is de Blijde Boodschap van vandaag. ‘Als je alleen gelaten wordt of in de steek gelaten; als je alleen achter blijft of als je je gekleineerd en vernederd voelt en niet weet waar je het zoeken moet, kom dan naar mij toe.’ Jezus wijst niemand terug. Hoeveel schuld je ook mag hebben aan alles wat kapot is gegaan. Sterker, hij legt je, hij legt mij de handen op. Precies op de plek waar de pijn zit. En u en ik worden uitgenodigd de warmte van zijn troostvolle aanraking tot ons door te laten dringen.

 

inleiding dr. Sylvester Lamberigts
preekvoorbeeld drs. Dries van den Akker sj

webdesign: Artis