7 januari 2018
Openbaring des Heren

Lezingen: Jes. 60,1-6; Ps. 72; Ef. 3,2-3a.5-6; Mat. 2,1-12 (B-jaar)

 

Inleiding

Matteüs 2,1-12
Het evangelie van Matteüs, en daarmee tevens het hele Nieuwe Testament, opent met verhalen over het begin van Jezus’ leven. Allereerst situeert een stamboom de figuur Jezus in de context van de geschiedenis van zijn volk (1,1-17). Daarop volgt het verhaal over de ware identiteit van Jezus (1,18-25). In het eerste geval wordt de vraag beantwoordt wie Jezus is (de messiaanse zoon van David), in het tweede geval hoe dat mogelijk is: omdat Jozef hem als zoon heeft aangenomen. Op die manier kan Jezus zowel zoon van God (door middel van de heilige Geest) als zoon van David (via Jozef) worden genoemd.
Hoofdstuk 2 bouwt daarop verder. Ook dit hoofdstuk bestaat uit een tweeluik. Het eerste luik gaat over het bezoek van de magiërs aan ‘de pasgeboren koning van de Joden’ (1-12), het tweede over de poging van Herodes om deze koning uit de weg te ruimen (13-23). Opnieuw worden zo twee vragen beantwoord. In het eerste verhaal is dat de vraag waar Jezus is geboren: in Betlehem, de stad van David. In het tweede deel is dat vanwaar hij komt: uit Nazaret in Galilea. Overigens corresponderen zowel het eerste als tweede deel van beide hoofdstukken met elkaar. Enerzijds wordt in 1,1-17 de identiteit van Jezus als zoon van David duidelijk gemaakt, terwijl in 2,1-12 Betlehem als stad van David centraal staat. Anderzijds wordt in 1,18-25 Jezus geïdentificeerd als Immanuël, ‘God met ons’ (1,23), terwijl in 2,13-23 duidelijk wordt hoe hij ‘een Nazoreeër’ kan worden genoemd.
Daarmee is niet alles gezegd over de betekenis die deze verhalen hebben, maar het laat wel zien dat de opbouw van deze twee hoofdstukken bewust is gebeurd om bepaalde vragen te beantwoorden die samenhangen met de identiteit en afkomst van Jezus: hoe kan Jezus zoon van God én zoon van David zijn? En hoe valt zijn afkomst uit Nazaret te rijmen met zijn geboorte in Betlehem?
Kijken we nu meer nauwkeurig naar de opbouw van 2,1-12, dan zien we daar de centrale plaats die Betlehem inneemt beter uit de verf komen. Dat blijkt al meteen uit het eerste vers, waarin gesteld wordt dat Jezus in ‘Betlehem in Judea’ geboren was. In het vorige hoofdstuk werd geen plaats genoemd en evenmin werd daar vermeld wanneer de gebeurte-nissen in kwestie zich hebben afgespeeld. Ook dat horen we hier voor het eerst: ‘tijdens de regering van Herodes.’ In vers 1 worden evenwel ook nog twee andere plaatsen genoemd: het Oosten en Jeruzalem. Kijken we naar de personages die aan deze plaatsen worden gerelateerd, dan zien we dat Jezus zich in Betlehem bevindt en Herodes in Jeruzalem, terwijl de magiërs uit het Oosten naar Jeruzalem komen (v.1), vandaar naar Betlehem reizen (v.9) en vervolgens, via een andere weg, naar hun land terugkeren (v.12).
Betlehem staat ook letterlijk centraal in deze tekst (vv. 5v en 8). Dat wordt nog een keer versterkt doordat het in vers 6 om een schriftcitaat gaat dat het belang van Betlehem duidelijk maakt als de plaats waar een leider van het volk Israël vandaan zal komen. Het betreft hier bovendien een vervullingscitaat, zoals er nog meer voorkomen in de eerste twee hoofdstukken (zie bijv. 1,22). In Matteüs 2,6 gaat het meer concreet om de combinatie van twee teksten uit het Oude Testament, met name Micha 5,1 en 2 Samuël 5,2.
In Micha 5,1 zegt de profeet Micha: ‘Uit jou, Betlehem in Efrata, te klein om tot Juda’s geslachten te behoren, uit jou komt iemand voort die voor mij over Israël zal heersen.’ Het is meteen duidelijk dat dit vrije citaat is aangepast, want in Matteüs 2,6 wordt over Betlehem gezegd dat het ‘zeker niet de minste onder de leiders van Juda is’. De tekst wijkt op dit punt af van zowel de Septuaginta als de Masoretische tekst.
Het citaat uit 2 Samuël 5 dat daarmee wordt gecombineerd betreft een uitspraak van alle stammen van Israël gericht tot David: ‘De heer heeft u beloofd: Jij zult mijn volk, Israël, weiden; jij zult vorst over Israël zijn.’ In Matteüs 2 wordt deze uitspraak een verwijzing naar Jezus, die tot het nageslacht van David behoort. Op die manier wordt dus het verband met Betlehem en David schriftuurlijk onderbouwd.

Jesaja 60,1-6
Dit zijn evenwel niet de enige teksten uit het Oude Testament die in dit verhaal een rol spelen. Dat is met name ook het geval voor Jesaja 60,1-6 en de antwoordpsalm Psalm 72. Zij zijn met name van belang met betrekking tot de figuren die op zoek zijn naar de pasgeboren koning, de magiërs.
Vooraleer in te gaan op deze teksten, staan we echter eerst stil bij de identiteit van deze figuren. In het Grieks komt hier het woord magoi voor. De vraag is natuurlijk wat we ons daarbij moeten voorstellen. In oudere vertalingen werd deze term vertaald met ‘wijzen’, wellicht om de associatie met magie te vermijden. Magie heeft immers elders in het Nieuwe Testament een eerder negatieve bijklank (Hand. 8,9-24; 13,6-11). In Matteüs 2 is een dergelijke connotatie evenwel geheel afwezig. De magiërs komen veeleer positief in beeld, vooral in vergelijking met Herodes, die duidelijk gealarmeerd is door wat ze te melden hebben. Herodes vertoont daarbij overeenkomsten met zowel Farao en Balak, die allebei Mozes naar het leven stonden. Met name Balak is hier relevant, omdat hij in Numeri 22–24 Bileam, een ziener uit het oosten (23,7) laat halen opdat deze het volk van Israël zou vervloeken, maar in plaats daarvan zegent deze Israël. Vervolgens zegt Bileam tot Balak wat er in de toekomst te gebeuren staat: ‘Een ster komt op uit Jakob, een scepter uit Israël’ (Num. 24,17).
De magiërs vertonen aldus overeenkomsten met Bileam wat hun rol en hun boodschap in het verhaal betreft, maar op grond van hun bijzondere kennis doen zij toch eerder denken aan de figuren, waaronder ook magiërs, die actief waren aan het Babylonische hof in het eerste deel van het boek Daniël (1,20; 2,2; 4,4). De Babyloniërs hadden een grote belang-stelling voor astronomie en astrologie en het is precies de interpretatie van deze natuurlijke fenomenen die de magiërs in Matteüs 2 naar Jeruzalem brengt. Verder zijn er ook duidelijke overeenkomsten met de heidense volkeren die naar Jeruzalem komen, waarvan in Jesaja 60,1-6 wordt gezegd: ‘Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijnsel’ (v. 3). Deze identificatie wordt nog versterkt door de geschenken die zij mee-brengen: ‘beladen met wierook en goud’ (v. 6b).
In Matteüs is Jeruzalem echter niet het einddoel van hun reis. De interpretatie van de Schrift leidt de magiërs uiteindelijk naar Betlehem. Zij brengen bovendien niet alleen geschenken mee, maar werpen zich ook nog voor Jezus neer als voor een koning, naar het voorbeeld in Psalm 72: ‘Laten de woestijnbewoners voor hem buigen, … laten zij hem een geschenk brengen… Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem, alle volken hem dienstbaar zijn’ (vv. 9-11). Het verband met deze tekst maakt bovendien duidelijk hoe de magiërs in de latere christelijke traditie koningen zijn kunnen worden.
In Matteüs is echter Jezus zélf de koning en vertegenwoordigen de magiërs in de eerste plaats de heidense volkeren, die hem eer komen bewijzen. Indirect staan zij evenwel ook symbool voor de heidense gelovigen in de matteaanse gemeenschap. Het begin van het evangelie wijst daarbij tevens vooruit naar het einde ervan, waar de opgestane Jezus tot zijn leerlingen zegt: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde’ (28,18) en hen de opdracht geeft om alle volken tot zijn leerlingen te maken (v. 19). Naar deze taak wordt ook verwezen in de brief van Paulus aan de Efeziërs, waar eveneens bevestigd wordt: ‘de heidenen delen door Christus Jezus ook in de erfenis, maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan de belofte, op grond van het evangelie’ (Ef. 3,6).

Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53

Literatuur
Raymond E. Brown, The Birth of the Messiah: A Commentary on the Infancy Narratives in Matthew and Luke (New York: Doubleday, 1979)

 

Preekvoorbeeld

Driekoningen: ik wil het verhaal met u doornemen.
 
Drie Magiërs, ook wel wijzen of koningen of astrologen, zien een ster.
Ze gaan op reis en vragen aan Herodes: ‘Waar is de pas geboren koning te vinden want we hebben zijn ster zien opkomen.’
Ze hebben er nog al wat voor over om die pas geboren koning te zien,
een hele reis dwars door de woestijn.
 
Ik vroeg me af: wat is het wat hen drijft?
Ik kwam uit bij het woord verlangen.
Verlangen is ergens reikhalzend naar uitkijken.
Als we naar de drie koningen kijken dan gaat het als volgt:
Ze zien een ster, het roept iets in hen wakker en ze komen in beweging.
Bij ons kan het ook zo werken.
We zien een beeld, of een foto, ofwel lezen een bericht in de krant dat ons zo raakt dat we in beweging komen.
Het kan ook een innerlijk beeld zijn, een idee, een gedachte waar je zo warm van wordt dat het je in beweging zet.
 
Ze komen bij Herodes
Vol enthousiasme vertellen ze over de ster van het verlangen, over de nieuwe koning, de vredevorst… maar Herodes was helemaal niet enthousiast.
Hoe komt dat??
Omdat in Herodus geen verlangen was, alleen maar begeerte.
Je kunt het ook afgunst, jaloezie, bedreiging of angst noemen.
Het gekke is, dat als die eigenschappen, die in een ieder van ons aanwezig zijn, de overhand krijgen, dan de ster van het verlangen verbleekt.
Sterker nog, dan kunnen krachten van duisternis in beweging komen.
Uiteindelijk is de kindermoord in Betlehem een uiterste consequentie van die krachten.
 
De ster komt weer tevoorschijn
Toen de wijzen uit de duistere krochten van Herodes’ paleis vertrokken, kwam tot hun overgrote vreugde de ster van het verlangen weer tevoorschijn, en bleef staan boven de plaats waar het kind zich bevond.
Ik wil even stil blijven staan bij het woordje vreugde.
Vreugde gaat veel verder dan blijheid… diepe vreugde ontstaat als je aan den lijve als het ware een nieuwe geboorte meemaakt.
Gezondheid na een lange periode van ziekte.
Werk na een lange periode van zoeken zonder vinden.
Vrede met je zelf… vergeving.
Vreugde komt van het Latijnse woord fructus, dat vrucht betekent.
Vreugde is als het ware een vrucht die moet rijpen, en als ze gerijpt is, is er de vreugde van de oogst.
Die vreugde ontdekken de wijzen als ze weer bij hun verlangen komen en de ster blijft staan boven de plaats waar een kind zich bevindt.
 
Wat gebeurt er dan als ze het kind zien?
Het enige wat ik kon bedenken is: ze worden weer als kinderen.
Dat is een evangelisch woord: ‘Word als kinderen.’
Het betekent: onbevangen en blij in het leven staan.
Het betekent: ontvankelijk en kwetsbaar zijn.
Het leven is zo kwetsbaar… hoe kunnen we het beschermen en koesteren?
Voor kinderen heb je alles over, en dat gebeurt ook.
De wijzen geven wat ze hebben.
Goud, wierook en mirre.
Het zijn geschenken voor het leven.
 
Goud is de gave die ons in staat stelt het gewone te veranderen in het kostbaarste.
We hebben goud in onze handen, dat betekent dat we het mooiste en het beste in ons en in elkaar naar boven halen.
Kinderen zijn goud waard.
De lucht die we ademen is goud waard.
Onze talenten die we gekregen hebben zijn goud waard, stop ze niet in de grond.
Caspar biedt goud aan en zegt daarmee: Ik hoop dat jij de wereld in goud verandert en dat ik je daarbij mag helpen.
Baltasar biedt mirre aan. Mirre is balsem voor de ziel. Een vriendelijk woord is balsem voor de ziel. Iemand die voor je gaat is als balsem. Als je gewond, gekwetst bent dan is balsem helend. Balsem maakt je mooi. Ook de gestorven mens wordt gebalsemd in de hoop dat hij/zij mooi naar het andere leven overgaat.
 
Komen we bij Melchior. Hij biedt wierook aan. Dat is het lijntje tussen hemel en aarde. Het staat voor spiritualiteit. Het stelt ons in staat om door de buitenkant heen te dringen en te komen bij wat ons beweegt en bezielt. Bij het diepe weten dat in ieder van ons is neergelegd.
Melchior biedt wierook aan en zegt: ik hoop dat je ons helpt de stem van God te horen te midden van de vragen en zorgen van alledag.
 
Wat een gaven!
 
Er staat geschreven dat de wijzen via een andere weg naar huis terugkeerden.
Dat wil zeggen: Het kind in de kribbe had van hen andere mensen gemaakt.
Het had bij hen het beste naar boven gehaald.
 
Goud, wierook en mirre. Die gaven wens ik u toe in het nieuwe jaar.
Ik hoop dat het een zalig jaar wordt!

 

inleiding dr. Caroline Vander Stichele
preekvoorbeeld Hans Boerkamp

webdesign: Artis