7 juli 2019
Veertiende zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 66,10-14c; Ps. 66; Gal. 6,14-18; Luc. 10,1-12.17-20 (C-jaar)

 

Inleiding

Jesaja 66,10-14c
Vrouwenrollen komen geregeld voor in het Jesajaboek. Veelal functioneren zij in de personificatie van Sion/Jeruzalem. Afhankelijk van haar situatie speelt Sion/Jeruzalem haar vrouwenrol. Als de relatie tot de Heer God door Sion/Jeruzalem verwaarloosd wordt, meer nog tenietgedaan wordt, speelt zij de rol van hoer. Zij wordt dan tot een kinderloze, een gescheiden vrouw, verlaten door iedereen. Maar wanneer de relatie met de Heer God hersteld is, is haar vrouwenrol die van een moeder, met talrijke kinderen, wordt zij de bruid van God en heet zij weer Gehuwde.
            Het bijzondere van deze vrouwenbeeldspraak is dat, wanneer zij expliciet in de profetische tekst van het Jesajaboek bediscussieerd wordt, de Heer God de vrouwenbeelden overneemt, maar uiteraard alleen in positieve zin. Niet zozeer Sion/Jeruzalem wordt dan als moeder uitgebeeld, maar de Heer wordt aldus eveneens als een moeder voorgesteld.
            Deze spanning tussen de diverse vrouwenrollen wordt in het Jesajaboek al direct zichtbaar in hoofdstuk 1, dat als inleiding tot het hele boek functioneert. De eens zo getrouwe veste blijkt de rol van hoer te hebben in de verzen 21-26, zonder dat evenwel haar eigennaam expliciet aangegeven wordt. Haar eigennaam Sion/Jeruzalem valt pas in vers 27 in het inleidingshoofdstuk, wanneer de Heer tegen haar opgetreden is en de eens getrouwe veste opnieuw getrouw geworden is.
            De meest uitvoerige vrouwenrollen voor Sion komen we tegen in Jesaja 49,1–50,3. In deze tekstpassage wordt niet alleen over Sion gesproken, maar neemt zij ook zelf het woord in vers 14. Sion zegt dat zij zich verlaten voelt. Het beeld wordt opgeroepen van een vrouw die door haar echtgenoot in de steek gelaten is. Tevens wordt duidelijk dat haar inwoners, haar zonen en dochters dus, eveneens voor haar afwezig zijn. Sion presenteert zich als een manloze en daarmee kinderloze vrouw. In het antwoord van de Heer in vers 15 wordt het beeld van verlatenheid weliswaar overgenomen, maar dan primair in het kader van een kind dat ten onrechte meent door zijn moeder verlaten te zijn, waarbij de Heer de moederrol speelt, overigens zonder het woord ‘moeder’ te gebruiken. De Heer maakt duidelijk dat hij, als moeder, Sion niet vergeet, niet kan vergeten, en dat Sions kinderen dan ook niet meer afwezig zijn, kunnen zijn.
            De relationele vrouwenbeelden komen vervolgens na Jesaja 49,14-15 geregeld voor in het Jesajaboek. In Jesaja 50,1-3 staat de onvindbare en afwezige scheidsbrief centraal. Indirect wordt de Heer zo tot de echtgenoot van Sion/Jeruzalem. Deze lijn wordt opgepakt in Jesaja 62,4v. De herstelde relatie tussen de Heer en Sion krijgt vorm via de beeldspraak van bruid en bruidegom. Sion wordt tot Gehuwde, met de Heer, indirect, tot bruidegom (vergelijk ook 54,1-10).
            Aan het einde van het Jesajaboek, in hoofdstuk 66, wordt nóg een keer gebruik gemaakt van de vrouwenrol voor Sion/Jeruzalem. In de verzen 7-9 wordt het werkwoord ‘baren’ gebruikt. Een activiteit van Sion/Jeruzalem, als moeder, die de Heer niet wenst te breken. Sion wordt tot een overvloedige moeder, met weldadige borsten, waaraan het heerlijk is gezoogd te worden.
            In dit moederbeeld voor Sion/Jeruzalem valt vervolgens het woord ‘moeder’ zelf, maar niet voor Sion/Jeruzalem, maar als beeldspraak voor de Heer, om zijn positieve relatie met Sions kinderen aan te duiden.
            Ten onrechte wordt de ontstaanswereld van de Bijbel wel eens zó patriarchaal voorgesteld dat voor God geen vrouwenbeelden gebruikt zouden zijn. Maar de Bijbel leert ons anders. Wie God als moeder wil voorstellen, vindt de Bijbel aan zijn/haar zijde.

Galaten 6,14-18
Zie: J. Lammers, ‘Appel aan een weifelende gemeenschap’ en V. Bulthuis, ‘Preekvoorbeeld’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014 20152, 31-40

Lucas 10,1-12.17-20
In Lucas 10,1-24 staat de uitzending van de leerlingen centraal: zoals Jezus reist om de Blijde Boodschap te verkondigen, moeten de leerlingen dat ook doen. Centraal daarin staat het vertrouwen dat de basis vormt voor de uitzending, hetzelfde vertrouwen dat de basis vormt van Jezus’ opgang naar Jeruzalem.
            De boodschap wordt kort en krachtig samengevat in vers 9: het Koninkrijk is nabij; en wel specifiek voor de aangesprokenen: het Koninkrijk is nabij. De Blijde Boodschap is geen descriptieve mededeling, maar een aangesproken worden. Deze gaat gepaard met begroeting. Daarin speelt het woord ‘vrede’ een cruciale rol. Het woord ‘vrede’ is enerzijds een standaardwoord in een begroeting, tot op de dag van vandaag in de Semitische wereld, maar drukt anderzijds de bevrijding en redding uit die God in het Lucasevangelie vanaf het begin van dit bijbelboek brengt (zie onder meer: 1,79; 2,14).
            De opdracht om onderweg niemand te groeten, staat hiermee niet op gespannen voet, omdat hiermee wordt bedoeld om onderweg niet te blijven steken in kletsen met iedereen die je tegenkomt. De urgentie van de verkondiging van de Blijde Boodschap wordt aldus onderstreept. Alleen in het kader daarvan past elke groet.
            Het is opvallend dat het probleem dat Jezus bediscussieert niet gevormd wordt door de aangesprokenen van de Blijde Boodschap. De vraag is niet of er wel mensen zijn die bereid zijn naar de evangelische verkondiging te luisteren en deze aan te nemen. Een negatieve reactie van de toehoorders wordt alleen theoretisch bediscussieerd – als de uitgezondenen terugkeren vernemen we niets over enige negatieve reactie. Het probleem bevindt zich bij de verkondigers. Dit aspect wordt verschillende keren benoemd.
            Aan het begin van de uitzending roept Jezus op te bidden voor meer arbeiders voor de oogst. De oogst is groot, maar zonder arbeiders, of met gebrek aan arbeiders, is deze niet, of niet voldoende, binnen te halen.
            Het aantal van tweeënzeventig verkondigers kan tegen deze achtergrond gelezen worden. Tweeënzeventig is een symbolisch getal. Bijvoorbeeld voor de volkeren van de wereld. Hert is een veelvoud van twaalf, het getal zowel van de stammen van Israël als van de apostelen. Maar het is niet het beroemde veelvoud van twaalf maal twaalf. In deze tekstpassage is sprake van slechts de helft daarvan: zes maal twaalf. Er is dus nog volop ruimte voor een ieder om eveneens deel uit te gaan maken van de door Jezus uitgezondenen.
            Wanneer de tweeënzeventig terugkeren bij Jezus en hun ervaringen delen, is het eerste dat zij melden dat zelfs de duivels aan hen onderworpen waren door Jezus’ Naam. Dat is opvallend. Jezus had de tweeënzeventig niet uitgezonden om duivels uit te drijven, maar de nabijheid van het Koninkrijk aan te zeggen. En als daar één woord bij past, dan is dat het positieve woord ‘vrede’. De uitgezondenen lijken in hun reactie niet de kern te verwoorden en bovendien vanuit een negatieve invalshoek te benaderen.
            Natuurlijk, duivels uitdrijven in Jezus’ Naam is niet verboden; maar in zijn reactie laat Jezus zien, dat zijn leerlingen zich niet moeten verheugen over het feit dat duivels aan hen onderworpen zouden zijn, maar dat zij zich moeten verheugen omdat zij vredesboodschappers zijn en dat hun namen staan opgetekend in de Hemel, dat wil zeggen: bij God, bij de Gever van de Blijde Boodschap van vrede.
            De tekstpassage Lucas 10,1-24 wordt vervolgens afgesloten met twee korte passages, waarin de vreugde over de verkondiging van de Blijde Boodschap centraal staat. In de verzen 21-22 spreekt Jezus, vervuld van heilige Geest, een dankgebed uit tot de Vader. Hij spreekt enerzijds zijn vreugde uit dat de Blijde Boodschap toegankelijk is voor iedereen, verwoordt anderzijds dat de unieke relatie van hem als Zoon tot God als zijn Vader voorbehouden is aan Vader en Zoon. Aansluitend, en dus eveneens vervuld van heilige Geest, richt Jezus zich in de verzen 23-24 tot zijn leerlingen om hen geluk te wensen. Zij worden naar bijbels gebruik (vergelijk Ps. 1,1) zalig gesproken omwille van de verkondiging van de Blijde Boodschap.

 

Preekvoorbeeld

Zending van de tweeënzeventig Leerlingen                                                 
Jezus is op weg naar Jeruzalem,
de stad waar Jesaja in de eerste lezing prachtige dingen over zegt:
Jeruzalem stad van vrede, stad waar je getroost wordt als je door een woestijn van leven bent gegaan.
Jezus is op weg naar Jeruzalem, stad van zijn lijden, sterven en verrijzen.

Om er te komen gaat hij dwars door Samaria.
Nu moet u weten dat Samaria vijandig gebied was.
De meeste Joden die van Galilea naar Jeruzalem trokken, gingen om Samaria heen, via het land van Dekapolis. Zo gevaarlijk was het.
Je kunt het vergelijken met vandaag als het om Palestijns gebied gaat.
Joden gaan er niet doorheen, ze gaan er omheen.
In de tijd van Jezus betekende dat een omweg van een dag extra reizen.
Jezus maakt geen omweg. Hij trekt dwars door vijandelijk gebied.

Je kunt dit soort geografische aanduidingen beschouwen als technische gegevens, maar het is meer. De evangelist Lucas wil hier ook een rode draad mee aangeven, namelijk:
-          Jezus gaat niet om de vijand heen, hij zoekt ze op, hij gaat door Samaria heen.
-          Jezus loopt niet met een boog om de hoeren en de tollenaars, hij gaat met hen aan tafel.
-          Jezus gaat niet om het lijden heen maar hij gaat er doorheen.
Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. We kennen allemaal mensen waar we het niet goed mee kunnen vinden, waar we met een boog omheen lopen.
Het evangelie daagt ons uit om er niet omheen te lopen maar contact te zoeken.

In vijandig gebied zendt Jezus de tweeënzeventig leerlingen uit om de blijde boodschap te verkondigen.
Het getal tweeënzeventig staat er niet voor niets. Het is een symbolisch getal.
Het staat voor alle volkeren in de wereld.
Met andere woorden: aan de tweeënzeventig wordt de opdracht gegeven om de blijde boodschap aan heel de wereld te verkondigen, met name aan degenen die je vreemd zijn, waar je met een boog omheen loopt. Jezus zendt zijn leerlingen er in Samaria op uit.
Veronderstel dat wij die leerlingen zijn.
Veronderstel dat Jezus tegen jou, tegen mij zegt:
‘Ga naar de steden en de dorpen in de omgeving en zeg dat het koninkrijk van God dichtbij is.
Je mag een maatje meenemen ter ondersteuning.’
Hoe reageer je dan...? Zo spannend is het.

Voordat de leerlingen op weg gaan hebben ze wel les gehad. Ze zijn met Jezus opgetrokken.
Ze wisten wat het betekent als Jezus zegt: Het koninkrijk van God is dichtbij.
Jezus bedoelt daarmee:
-          dat vijanden vrede sluiten,
-          dat arme mensen weer gelukkig worden,
-          dat zieke mensen getroost worden,
-          dat duivelse gedachten worden uitgedreven,
-          dat er een weg is door pijn en verdriet heen,
-          dat er leven is na de dood.
Dat bedoelt Jezus als hij zegt: ‘het koninkrijk van God is dichtbij.’
Ga dat maar vertellen.
Nogmaals: veronderstel dat Jezus hier stond en tegen ons zegt: ga maar naar de woningen hier in de omgeving en ga het maar vertellen.
Ja maar… hoor ik denken, ik ben geen jehova getuige… dat ligt ons niet…

Ongetwijfeld zullen onder de tweeënzeventig leerlingen dit soort opmerkingen gemaakt zijn.
En dan staat er niet dat Jezus hen vertelt wat ze precies moeten zeggen.
Hij geeft ze een alternatieve houding mee:
-          Geen rugzak en geen eten en drinken betekent dat je afhankelijk bent van de ander.
-          Ik zend je als lammeren te midden van wolven. Het betekent dat kwetsbaarheid je kracht is.
-          Geen geld betekent dat je geen hotel kunt nemen als onderdak geweigerd wordt.
-          Geen schoenen betekent dat je niet boven de ander verheven bent, alleen de rijken konden zich schoenen permitteren.
De houding die Jezus van ons vraagt is een omgekeerde wereld, deze wereld omgekeerd.
Als wij naar iemand toe gaan waar me moeite mee hebben, wapenen we ons vaak met woorden als:
-          Ik zal ze wel eens zeggen waar het opstaat.
-          Ik zal ze wel eens zeggen wat ze moeten doen.
-          Als ze zich niet aan de regels houden, dan zal ik ze eens een lesje leren.
Onze rugzak is vaak overvol als we naar iemand toe gaan met wie we moeite mee hebben.
‘Maak hem leeg’ zegt Jezus, ‘maak je leeg.’

Hij geeft ons slechts een enkel woord mee waar we het mee moeten doen:
Jezus zegt: ‘Laat je eerste woord vrede zijn.’
Echt gemeend... vrede, want je naaste is een mens als jij.

Moet je je voorstellen: je hebt ruzie met iemand en je belt aan.
De enige houding om het goed te maken is het vurig verlangen naar vrede, dat de ander het goed maakt, dat wolf en lam samen kunnen eten.
Dat is het woord en de houding waarbinnen het koninkrijk van God gestalte kan krijgen.
En dan staat er nog iets heel moois:
Als je binnen bent, eet dan wat je wordt voorgezet.
Je kunt dat letterlijk nemen maar soms krijg je ook vieze dingen voorgeschoteld, verwijten, beschuldigingen, kwaadheid. Dat is eten dat je niet mag weigeren,
je moet het samen eten, want dan pas kan het koninkrijk van vrede gestalte krijgen als een Godsgeschenk.

Er staat nog veel meer in dit korte stukje evangelie, maar waar het op aankomt:
wij kennen allemaal ons eigen Samaria.
De uitdaging is om er niet omheen te lopen maar er doorheen te gaan,
En als het woord van vrede niet ontvangen wordt,
schudt dan het stof van de voeten en laat je de vrede in je hart niet ontnemen.
Zo worden we gezonden.

 

inleiding prof. dr. Archibald van Wieringen
preekvoorbeeld Hans Boerkamp

webdesign: Artis