6 augustus 2017
Gedaanteverandering van de Heer

Lezingen: Dan. 7,9-10.13-14; Ps. 97; 2 Petr. 1,16-19; Mat. 17,1-9 (A-jaar)

 

Inleiding

Daniël 7,9-10.13-14
De selectie van verzen uit Daniël 7 legt alle nadruk op de ‘oude van dagen’ en de ‘zoon des mensen’ die Daniël in zijn visioen ziet. De relatie met de ‘Gedaanteverandering van de Heer’ is helder: de ‘zoon des mensen’ op aarde, dat is Jezus, krijgt Daniël al in zijn hemelse heerlijkheid te zien. Als iemand die door de ‘oude van dagen’ bekleed wordt met heerschappij, eer en koninklijke macht (v. 14), wel te verstaan. Dit is een eerbewijs met een context die echter door de keuze van de verzen in het lectionarium niet meer zichtbaar is. Hij is voor het inschatten van de betekenis van de ‘mensenzoon’ wel van belang. De ‘mensenzoon’ verschijnt namelijk als vertegenwoordiger van de ‘oude van dagen’ en als nieuwe heerser die een reeks dieren en monsters opvolgt – heidense koninkrijken – die op aarde en over het volk Israël geheerst hebben.
Deze context betekent ook dat de vermelding van de ‘zoon’ van de Allerhoogste ook altijd de connotatie van ‘heerser’ heeft en hoop kan geven op verlossing van onderdrukkende machten.

2 Petrus 1,16-19
De (pseudepigrafische) Tweede Brief van Petrus biedt in de tweede lezing van het hoogfeest een interessant inkijkje in de manier waarop christenen één of twee generaties na het Evangelie volgens Matteüs omgingen met de traditie over de gedaanteverandering van de Heer. In de onderstaande exegese van de transfiguratieperikoop uit het Matteüsevangelie ligt alle nadruk op de narratieve functie van de tekst in dat Evangelie en op de relaties met andere teksten en tradities die door de figuren van Mozes en Elia opgeroepen worden.
Dit alles speelt in de interpretatie in de Tweede Brief van Petrus geen enkele rol van betekenis. Hier draait het om iets anders: ‘Petrus’ wordt opgevoerd als ooggetuige en wel om de lezers van de brief een hart onder de riem te steken en hen te verzekeren van de betrouwbaarheid van de boodschap van wat Petrus te zeggen heeft. De gedachtegang is: ik, Petrus, was bij de gedaanteverandering, ik heb de heerlijkheid van Christus gezien en de stem (van God) uit de hemel die nog eens bevestigde: ‘Deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.’ (v. 17) Voor een gemeenschap die zich zorgen maakt over de eigen toekomst en het eigen fundament is dat zeker een grote steun.

Overigens betekent het pseudepigrafische karakter van de brief niet dat ‘Petrus’ hier juist door de betrouwbaarheid van zijn boodschap zo te benadrukken extra hard door de mand valt als onbetrouwbaar, daar de brief niet ‘echt van Petrus’ is. Pseudepigrafisch auteurschap kan ook een vorm van het voortzetten van een traditie zijn en wel met geschriften die uit respect voor de grootheden uit die traditie in hun naam gepresenteerd werden. In die zin is de brief, in antieke ogen, wel degelijk ‘echt van Petrus.’ En de betrouwbaarheid van deze Petrustraditie wordt gewaarborgd door haar te verankeren in de tradities van het Evangelie en de persoon van Petrus als volgeling van Jezus.

Zie: M.G. Ruf, ‘De tweede brief van Petrus. Een eigengereid geschrift’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok. Petrus in de Evangelies, Handelingen en Brieven, Vught 2014, 2017, 104-112.

Matteüs 17,1-9
Het Evangelie van de transfiguratie van de Heer heeft naast een plek op dit hoogfeest ook een vaste plaats op de tweede zondag van de Veertigdagentijd. De tekst is een theologisch hoog opgeladen vignet van een bijzondere ervaring van Jezus en drie van zijn meest vertrouwde discipelen, zijn inner circle als het ware, waartoe de lezer en hoorder van het Evangelie nu ook wordt toegelaten – door het verhaal te horen of te lezen. De tekst is zo opgeladen omdat wat er gebeurt sociaal (kleine groep leerlingen alleen) en geografisch (hoge berg) als heel exclusief gepresenteerd wordt (zie v. 1: ‘waar hij met hen alleen was’ Willibrordvertaling 1995). Dit suggereert een bijzondere situatie waarin ook iets bijzonders kan gebeuren. De hoge berg roept ook oudtestamentische associaties op, zoals de berg van het verbond.
Deze verwachting gaat in vers twee ook prompt in verwachting: Jezus verandert van gedaante op een manier die, gelezen op de achtergrond van Bijbelse en vroegjoodse teksten over de hemel en zijn bewoners, alleen maar de associatie daarmee kan oproepen. Wat beschreven wordt in deze perikoop is zoiets als een venster op de hemelse heerlijkheid waar Jezus mee verbonden is; tegelijkertijd wijst het ook vooruit naar de verrijzenis – de verrezen Jezus heeft deel aan diezelfde hemelse werkelijkheid. De engel die Jezus’ verrijzenis aan de twee Maria’s bekend maakt in Matteüs 28 is bijvoorbeeld net zo stralend wit. Dit is één van tenminste drie verbanden tussen deze perikoop en die van de verrijzenis: ook hier zegt Jezus tot zijn volgelingen dat ze niet bang moeten zijn (v. 17,7), wat hij ook tegen de Maria’s zegt (28,10), en in het laatste vers van deze perikoop, teruggekeerd in de ‘gewone wereld’ (zie het begin van het vers over het afdalen van de berg) wijst Jezus er nadrukkelijk naar vooruit: ‘Vertel niemand van dit visioen voordat de Mensenzoon uit de doden is opgewekt.’

Het gesprek tussen Jezus, Mozes en Elia is op tenminste twee manieren te verstaan, die allebei van belang zijn voor het beeld van Jezus dat de evangelist Matteüs schildert. Ten eerste kunnen Mozes en Elia verstaan worden als representanten van Thora en Profeten; ze gelden beide als dé vertegenwoordigers van deze onderdelen van de Tenach. In Matteüs heeft Jezus de rol van wetgever in de voetsporen van Mozes (zie bijv. de Bergrede), van vervuller van de oudtestamentische profetie en van wonderdoener in de voetsporen van Elia (zie bijv. de wonderbare spijzigingen en de weduwe van Sarepta). Jezus is zo een meer dan volwaardig vertegenwoordiger van God op aarde, zoals wetgevers en profeten dat ook waren. Ten tweede hebben Mozes en Elia ook nog iets anders gemeen: ze zijn beiden ten hemel opgenomen (dan wel: ze hebben een onbekende rustplaats) en bestaan nu bij God. Dit gold in vroegjoodse traditie ook voor Mozes.
Nu zal Jezus gekruisigd worden en verrijzen – daar zit een belangrijk verschil met Mozes en Elia – maar toch is de suggestie aan het einde van het Evangelie sterk dat Jezus’ leven nu een bestaan bij God is dat, tijdelijk, ook op aarde waarneembaar is. De verbinding met de kruisiging (zie ook het einde van hoofdstuk 16 en het vervolg van hoofdstuk 17) legt echter een nieuw accent; deze wordt ingeleid door Gods proclamatie van Jezus als zijn geliefde zoon in een citaat uit Psalm 2,7 (daarmee is ook het derde deel van de Tenach, de Ketubim, geschriften, present in de tekst). Jezus wordt in zijn hemelse gestalte geliefde zoon van God genoemd, tegelijkertijd zal de lezer van het Evangelie volgens Matteüs ontdekken dat dit hemelse bestaan pas werkelijkheid wordt voor Jezus door de kruisiging en de marteldood heen. Dat heeft in de geschiedenis van de interpretatie verschillende betekenissen gekregen; voor Matteüs hoort er, in het verband van Jezus’ gesprek met Mozes en Elia, representanten van Gods wet en profetie, ook bij dat trouw aan God uiteindelijk, ook door de diepste ellende heen, beantwoord zal worden met Gods trouw aan de mens.

 

Preekvoorbeeld

Het feest van de Gedaanteverandering is minder populair dan bijvoorbeeld het Hoogfeest van Sacramentsdag of van het Heilig Hart. Misschien komt dit, omdat de Gedaanteverandering van Jezus zich op ijle hoogte afspeelt, ergens op een bergtop tussen hemel en aarde, ver boven het vlakke polderland van ons dagelijkse leven. Jezus is op deze eenzame hoogte alleen met zijn drie favoriete leerlingen en met Mozes en Elia. Wie zou bij dit selecte gezelschap durven aanschuiven? En wat met Jezus gebeurt, is al helemaal van een andere wereld. Zijn gezicht straalt als de zon, zijn kleren schitteren als het licht. Mozes en Elia zijn bij hem en praten met hem. Uit een lichtgevende wolk klinkt een wonderbare stem, oneindig ver en toch zo dichtbij: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, aan wie ik vreugde beleef. Luister naar hem.’
Toen onze godsdienstleraar vroeger op school dit verhaal van de Gedaanteverandering eens vertelde, zei een klasgenoot dat hij het ‘een sterk verhaal’ vond. Hij werd daarvoor bijna de klas uitgestuurd, maar hij had gelijk. Het is een sterk verhaal, maar niet zoals het verhaal van de baron van Münchhausen, die zich aan zijn haren uit het moeras trok. Het verhaal van de baron is een sterk verhaal, omdat het een loopje neemt met de realiteit. De evangelieverhalen zijn sterk omdat ze de realiteit dragen. Ze zijn zo sterk dat ze ons boven ons zelf kunnen uittillen. Maar ze zijn ook zo sterk dat ze ons naar de onderkant van de werkelijkheid kunnen duwen. Neem het verhaal over de beproeving van Jezus in de woestijn. Daar duwt de duivel ons omlaag naar het souterrain van de ziel, waar zich dingen afspelen die we liever niet weten. In het verhaal van de Gedaanteverandering tilt Jezus ons boven onszelf uit, hoger dan we reiken kunnen, naar een wereld van geluk, waarvan we geen vermoeden hebben.
Maar dit tafereel van opperst geluk is omlijst door ervaringen van lijden. Zes dagen vóór de bergbeklimming zei Jezus tegen zijn leerlingen dat hij veel zou moeten lijden, dat hij ter dood gebracht zou worden en op de derde dag zou worden opgewekt. En meteen na de Gedaanteverandering horen we het verhaal over de epileptische jongen en zijn wanhopige ouders. De Gedaanteverandering van Jezus is Gods antwoord op het bidden van mensen die lijden: ‘Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft.’ Als wij in het duister zitten, wil dit niet zeggen dat alles duister is. Als wij sprakeloos zijn, zijn daarmee nog niet alle woorden verstomd. Als onze wegen doodlopen, wil dit nog niet zeggen dat er helemaal geen weg is. In een flits breekt het licht door het duister heen, heel even, maar lang genoeg om te weten dat het kan. Een moment van volmaakt geluk, een gezicht dat straalt als de zon, kleren die wit zijn als het licht, de nieuwe Mozes, gekomen om Wet en Profeten tot vervulling te brengen, de Stem die zegt: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, aan wie ik vreugde beleef. Luister naar hem’, de hemelse Mensenzoon uit het visioen van Daniël, verheerlijkt op aarde, bekleed met heerschappij, eer en koninklijke macht.
Maar het gaat niet alleen om hem. Tegen eenieder van ons wordt vandaag gezegd: ‘Jij bent Gods geliefde kind. Kom uit het souterrain naar het licht. Je bent gemaakt om méér te zijn dan je bent. Ook jij mag stralen en leven in het licht.’ Want daarom is de Mensenzoon met heerschappij bekleed, niet om je klein te houden, zoals aardse heersers meestal doen, maar om je groot te maken, en je te bevrijden van alles wat jouw mens-zijn bedreigt. Hij onderdrukt je niet, maar helpt je op de been, vrij en opgericht. Grootheid van mensen doet geen afbreuk aan zijn glorie. We hoeven daarom niet angstvallig te protesteren, wanneer Jezus samen met anderen genoemd wordt, of het nu gaat om Confucius, Boeddha of Socrates. Hij kan ertegen. Hun licht maakt het licht dat hij uitstraalt niet minder, integendeel. Bij hem is de bron van leven. In zijn licht zien wij licht (Ps. 36,10).
Het verhaal van de Gedaanteverandering blijft een vreemd verhaal, niet goed in te passen in het dagelijkse leven en dat is ook de bedoeling. Het gaat om een andere wereld, de wereld tussen hemel en aarde, waar andere dingen gebeuren dan in de supermarkt, op het voetbalveld of in het asielzoekerscentrum. Daarom worden ook andere woorden gebruikt, een taal die we bij dichters en mystici vinden. Maar het gaat wel over het gewone leven, ook over de supermarkt, het voetbalveld en het asielzoekerscentrum. Door welke krachten laten we ons leiden, door de impulsen die uit het souterrain komen, waar de kleine duiveltjes zich genesteld hebben van ‘eigen land eerst’, van ‘pakken wat je pakken kan’ en van ‘ieder voor zich en God voor ons allen’? Of door de opwaartse thermiek van Jezus, die ons boven onszelf doet uitstijgen en meeneemt naar ‘een stad voor vriend en vreemden’, ‘voorbij het niemandsland’, ‘een wereld zonder grenzen zo groot als het heelal’, ‘een hemel voor de mensen’.
Grote christelijke denkers zeggen dat ons leven maar één doel heeft, en dat is gelukkig worden. Vandaag wordt ons de weg gewezen. Die weg is niet die van de geluksindustrie, niet de weg van ‘Honderd geluksversnellers voor iedereen’ of van ‘Tien tips om gelukkig te worden’. In onze cultuur is de boodschap meestal dat je zelf moet zorgen dat je gelukkig wordt – een ander zal het niet voor je doen – en dat je daar ook zelf voor kunt zorgen; dat je het geluk naar je toe moet halen. Het Evangelie wijst een andere weg: ‘Luister naar hem’. Het hart van zijn boodschap is dat we geen geluk vinden zolang we het naar ons zelf toe denken en naar ons zelf toe halen: ‘Gelukkig die hongeren naar gerechtigheid, want ze zullen verzadigd worden. Gelukkig de barmhartigen, want ze zullen barmhartigheid ondervinden, gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien.’

 

inleiding prof. dr. Peter-Ben Smit
preekvoorbeeld dr. J. Hulshof sm

webdesign: Artis