6 mei 2018
Zesde zondag van Pasen

Lezingen:Hand. 10,25-26.34-35.44-48 Ps. 98; 1 Joh. 4,7-10; Joh. 15,9-17 (B-jaar)


Inleiding

Eerste lezing: Handelingen 10,25v.34v.44-48
Deze lezing brengt ons enkele uittreksels uit het lange verhaal over de bekering van de Romeinse honderdman Cornelius en zijn familie, dat in het boek Handelingen het hele tiende hoofdstuk in beslag neemt. Lucas, de auteur van Handelingen, besteedt veel aandacht aan dit gebeuren. Het gaat dan ook om een belangrijke zaak, namelijk de verspreiding van de christelijke boodschap buiten de kring van het Joodse volk. Het is vooral Paulus die daartoe de beslissende impuls heeft gegeven. Maar Lucas wil onderstrepen dat de doorbraak van het christendom naar de volkeren geen vergissing was, maar gebeurde volgens Gods heilsplan en in eenheid met de moederkerk van Jeruzalem. Daarom laat hij de primeur aan Petrus. In het verhaal van Handelingen is de Romeinse honderdman Cornelius de allereerste niet-Jood die christen wordt, en dit gebeurt onder begeleiding en met goedkeuring van Petrus.

Zowel Cornelius als Petrus krijgen een visioen. Cornelius ziet een engel die hem ertoe aanzet gezanten naar Joppe te sturen en daar een zekere Simon Petrus te halen. Petrus wordt op zijn beurt door God zelf overgehaald de ‘heidenen’ niet langer meer als ‘onreinen’ te beschouwen. Dat gebeurt in een symbolisch visioen waarin Petrus eerst weigert onrein voedsel te eten, maar dan te horen krijgt: ‘Wat God rein heeft verklaard, zul jij niet als verwerpelijk beschouwen’ (zie Hand. 10,3-16). De heilige Geest spoort Petrus aan met de gezanten mee te gaan naar Caesarea, de woonplaats van Cornelius (10,17-24).

In de lezing krijgen we het vervolg van het verhaal te horen. Petrus legt uit tot welk nieuw inzicht hij gekomen is: bij God bestaat geen aanzien des persoons, gelovigen uit de volken zijn in de christelijke gemeenschap dus even welkom als Joden (vv. 34-35). Vervolgens verkondigt hij de Paasboodschap (vv. 36-43, niet opgenomen in de lezing; deze verzen klonken in de eerste lezing op het hoogfeest van Pasen). Daarna komt er een goddelijk teken ter bevestiging. De heilige Geest daalt neer over alle toehoorders. De aanwezige niet-Joden spreken in talen en verheerlijken God (zoals de apostelen zelf op Pinksteren, zie Hand. 2,4.11!). De Joodse christenen zijn getuigen van dit gebeuren (vv. 44-46). Niets staat het doopsel van Cornelius en de zijnen nog in de weg (vv. 47-48).

Zie: dr. J.H.A. Brinkhof, ‘Petrus naar de volkeren’ (Handelingen 8,4-25; 9,32–12,23 en 15,7-21) en prof. dr. E.H. Hoet, ‘Nu weet ik zeker dat God geen aanzien des persoons kent’ (Preekvoorbeeld bij Handelingen 10, 34v) in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 74-86.91-92

Antwoordpsalm: Psalm 98,1-4
Psalm 98 is één van de ‘psalmen van JHWH’s koningschap’. Dat zijn psalmen waarin God uitdrukkelijk koning wordt genoemd (zie v. 6, niet in de antwoordpsalm opgenomen). De psalm is hymnisch van opbouw. De psalmist begint met een oproep de HEER te bezingen en geeft vervolgens de redenen waarom men dat moet doen. De Eeuwige heeft de kracht van zijn arm getoond. Hij betoonde goedheid en trouw aan Israël. Daarmee worden Gods bevrijdende daden in de heilsgeschiedenis bedoeld (vv. 1-3a). Vanaf vers 3b wordt de horizon van de psalm verruimd: heel de aarde heeft Gods redding aanschouwd en wordt daarom opgeroepen deel te nemen aan de lofprijzing (vv. 3b-4). Die kringverbreding sluit goed aan bij de inhoud van de eerste lezing.

Tweede lezing: 1 Johannes 4,7-10
In de eerste brief van Johannes kunnen twee grote delen onderscheiden worden. In het eerste deel (1,5–3,24) roept de auteur zijn lezers op in gemeenschap met God te leven door ‘te wandelen in het licht’ en te leven als ‘kinderen van God’, dat wil zeggen: breken met de zonde en het gebod van de liefde onderhouden. In het tweede deel (4,1–5,12) gaat het over de fundamenten van liefde en geloof, die samen hét grote ‘gebod’ uitmaken in de theologie van Johannes. De lezing voor deze zondag is genomen uit het begin van dit deel.

De tekst is klaar en duidelijk en behoeft niet veel uitleg. God is liefde. De liefde komt van God. Door elkaar lief te hebben, worden wij kind van God. Dat God liefde is, zien wij vooral in Jezus. Gods liefde is geen beloning van enige prestatie onzerzijds. Het initiatief ligt geheel bij God. Liefhebben betekent voor God: ‘zijn leven geven’, de ander hoger achten dan zichzelf, zoals Jezus heeft gedaan.

Evangelielezing: Johannes 15,9-17
De evangelielezing is een deel uit de grote afscheidsrede van Jezus in het Johannesevangelie. Ze is het onmiddellijke vervolg van de lezing van de vorige zondag en vormt er één literaire eenheid mee. Jezus ontwikkelt het beeld van de wijnstok. Hij is zelf de ware wijnstok, zijn Vader is de wijnbouwer, zijn leerlingen zijn de ranken die alleen maar vrucht kunnen dragen door met de wijnstok verbonden te blijven.

In de lezing herkennen we enkele belangrijke sleutelwoorden: liefhebben/liefde (vv. 9.10.12.13.17); blijven (vv. 9.10.16); gebod/gebieden (vv. 10.12.14.17); vreugde (v. 11); vrienden (vv. 13.14.15).

De literaire opbouw van de tekst wordt duidelijker, wanneer we oog krijgen voor de concentrische structuur ervan. Daartoe moeten we de verzen 7 en 8 uit de lezing van vorige zondag erbij betrekken. Het belangrijkste element staat in het midden, andere thema’s worden daar twee aan twee rondom geschikt:

• In het centrum staat de vreugde: ‘Dit zeg Ik u, opdat mijn vreugde in u moge zijn en uw vreugde volkomen moge worden’ (v. 11).
• Vlak vóór en na de vreugde wordt het gebod van de liefde vermeld. Wie dat gebod onderhoudt, blijft in de liefde en zal vreugde ondervinden (vv. 10 en 12).
• In de verzen daar omheen wordt uitgelegd waarin deze liefde bestaat. Zoals de Vader Jezus liefheeft, zo heeft Jezus zijn leerlingen lief: hij geeft zijn leven voor zijn vrienden (vv. 9 en 13).
• De leerlingen zijn inderdaad geen dienaars, maar vrienden van Jezus (vv. 8b en 14v).
• De bedoeling is, dat de leerlingen rijke vruchten voortbrengen die blijvend zijn (vv. 8a en 16a).
• Dan zullen zij van de Vader verkrijgen wat zij in Jezus’ naam vragen (vv. 7b en 16b).
• In de buitenste kring staat nogmaals de voorwaarde: het onderhouden van het liefdesgebod. ‘Als gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven’... namelijk door elkaar lief te hebben (vv. 7a en 17).

Heel deze gedachtegang wordt gedragen door het beeld van de wijnstok. De verbondenheid van de ranken met de wijnstok vertolkt de blijvende liefdeseenheid tussen de Vader en Jezus, tussen Jezus en de leerlingen, en tussen de leerlingen onderling.

De toespraken in het Johannesevangelie maken soms een eentonige, langdradige indruk met veel herhalingen van dezelfde woorden. Maar zij bevatten een ander soort gedachtegang dan wij gewoon zijn. Geen rechtlijnige redenering die tot een eindconclusie voert, maar een benaderen van de werkelijkheid in omtrekkende bewegingen, vanuit verschillende gezichtspunten. De gedachtegang van Johannes kan het best vergeleken worden met concentrische cirkels. Het is een gedachtegang die in opeenvolgende kringen naar het centrum zoekt.


Preekvoorbeeld

Vandaag de (vooravond van de) zondag voor Hemelvaartsdag. In de feestelijke tijd van Pasen. Feestelijk, maar ook spannend: het feest van Pasen komt verder achter ons te liggen en donderdag is het Hemelvaart; de kerk gedenkt dat Jezus is opgenomen in heerlijkheid. En daarbij horen we uit het evangelie een gedeelte uit de grote afscheidsrede van Jezus tot z’n leerlingen. Hoofdstukken lang is Jezus al bezig het de discipelen uit te leggen: ‘Luister eens, lieve mensen, de tijd komt, ja is dichtbij, dat ik niet langer in jullie midden zal zijn.’ De vraag is dan hoe de leerlingen verder zullen gaan als Jezus zal zijn verhoogd en verheven. Wat zal er dan gebeuren, hoe zullen ze dan, als er niet meer dat directe contact kan zijn dat er nu tijdens het gesprek nog wel is. Hoe zullen ze dan in de wereld staan, in het leven staan? Wat staat je te doen als hij er niet meer is in die directe nabijheid?
Je herkent de vraag, zo vlak voor de viering van Hemelvaart komende donderdag, Jezus van de aarde verdwenen – en wat dan? En je herkent de vraag bij de dagen van gedenken en vieren, 4 en 5 mei, bevrijding – en wat is daarbij onze inzet, wat staat ons nu te doen in onze nationale en internationale samenleving? En je herkent de vraag als veelkleurige kerk in deze tijd, niet zonder zorgen, op zoek naar de beste manier om wat haar beweegt uit te dragen, zodat ook anderen zich aangesproken weten en nieuwsgierig worden naar wat ons drijft. Hoe in de wereld te staan, hoe in het leven?
Jezus zegt dan tegen zijn leerlingen: ‘Ik heb jullie liefgehad, zoals de Vader mij heeft liefgehad – blijf in mijn liefde.’
Blijf in mijn liefde. Daarbij is in gedachten te houden dat in het gedeelte dat aan dat van vandaag voorafgaat, Jezus spreekt over de wijnstok en de ranken. Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Zo nauw is de verbinding, zo nauw de band. Maar er is nog meer: in dat beeld dat Jezus gebruikt, dat van de wijngaardenier, hoor je tegelijk het hele Oude Testament meeklinken. Want daar is de wijngaard het beeld van Israël, het volk door God bevrijd – en dat is ook Pasen, uittocht, op weg gezet naar de toekomst, naar het land van belofte, waar de mens echt mens kan zijn – de wijngaard als het beeld van Israël, als het land van melk en honing waar het goed is om als mensen samen te leven. Dat is het perspectief, dat is het beeld dat Jezus de leerlingen voorhoudt als hij hun zegt: ik ben de wijngaardenier. Ik zet mij in voor die wijngaard, voor de toekomst, voor het leven waarin de mens werkelijk mens kan zijn. En jullie, jullie zijn de ranken. Aan jullie groeien de vruchten.
En dan volgt: blijf in mijn liefde. En als je die twee dingen samen hoort, dat van de wijngaard, van de wijngaardenier en de ranken aan de ene kant en die opdracht: ‘Blijf in mijn liefde’ aan de andere kant, dan proef je onmiddellijk wat die liefde inhoudt: wat die opdracht van Jezus behelst: dan hoor je dat die liefde niet iets klefs is – het betekent niet dat de leerlingen, dat de kerk van nu, dat wij nou allemaal zo extra lief tegen elkaar moeten zijn, dat er nooit eens een conflict kan zijn, omdat we zo lief tegen elkaar moeten doen – want hoe vervelend het ook kan zijn, van conflicten kan je, als je het goed doet, ook groeien – het kan heel vruchtbaar zijn, en dat geldt niet alleen in de kerk, dat geldt even zo goed daarbuiten, in een relatie, op het werk. Wie af en toe niet eens een stevig conflict heeft, moet z'n relatie maar eens goed onder de loep nemen. Niet iets klefs dus, die liefde, maar zo zegt Jezus verder: jullie blijven in mijn liefde, als je je aan mijn geboden houdt. In die liefde gaat het om de geboden, om de gerechtigheid, om je inzet voor de ander. Liefde die zich uit in daden naar elkaar. De liefde is het sap van de wijnstok, waardoor de ranken vrucht dragen.
En hoe maak je dat dan concreet? Want liefde blijft in alle schoonheid toch een moeilijk te vatten woord. Dichters hebben er hun handen vol aan en komen er toch uiteindelijk ook nooit helemaal uit.
Willem Barnard is er veel mee bezig geweest. In een van zijn gedichten schrijft hij:

Liefde o lief dood woord
wordt weer warm levend vlees,
wees met mij dode, wees
bloed in mij, stroom voort,

adem mijn luchtwegen in,
woon in mijn longen, huis
in mijn hartkamer, wijs
mij de weg tegenin.

Liefde, mijn lieveling,
eiland geteisterd vlees
in het doodswater, zing
blijf bij mij, genees.
(Guillaume van der Graft, Verzamelde gedichten, Baarn 1982, 954)

Wijs mij de weg tegenin. Dat is treffend. Liefde betekent dat als je dan ooit een conflict hebt met een ander, nee niet omwille van de liefde dat conflict dan maar toedekt en de ander maar gelijk geeft; dat is liefde van het kleffe soort – en daar schiet je niks mee op – maar dat je in dat conflict de warmte opbrengt om de ander echt te horen, te proeven wat die ander echt bedoelt, zonder daar eerst de barrière van je eigen gelijk voor te leggen, en dat je vanuit dat echte horen aan de gang gaat om te kijken of je wel echt zover uit elkaar staat. Jullie blijven in mijn liefde als je je aan mijn geboden houdt: God liefhebben en je naaste als jezelf, zoals de andere evangelisten dat samenvatten.
Kort nog twee dingen. Het eerste is dat we in dat alles niet vergeten moeten dat Jezus begint te zeggen: ‘Ik heb jullie liefgehad’. Dat is de bron, dat is de basis. Wij leven vanuit de liefde van God, die zich in Jezus voor ons inzet. Dat is onopgeefbaar. Dat is de kracht ook om steeds opnieuw te beginnen.
En het tweede is dat Jezus zegt: ‘Dit zeg ik jullie om jullie vreugde te geven’. En bedenk dan nog eens dat dit gesprek in Johannes plaatsvindt vóór Pasen, voor alles wat nog moet gebeuren: vreugde. Elkaar liefhebben is leven in de vreugde van Pasen: dat er toekomst is, dat we nooit tevergeefs leven, dat we bevrijde mensen mogen zijn.


inleiding dr. Paul Kevers
preekvoorbeeld ds. Nico Pronk

 

webdesign: Artis