6 januari 2019
Openbaring des Heren

Lezingen: Jes. 60,1-6; Ps. 72; Ef. 3,2-3a.5-6; Mat. 2,1-12

 

Inleiding

Epifanie
In de westerse kerk heeft Epifanie zich ontwikkeld tot een min of meer zelfstandig feest naast Kerstmis. In de oosterse kerken worden Kerstmis en Epifanie gevierd als één feest van de Heer die zich openbaart aan Israël en aan de volken waarvan ook de gedachtenis aan de Doop in de Jordaan en de Bruiloft van Kana deel zijn. Zoals in de westerse kerk het Romeinse feest van de Sol Invictus verchristelijkt werd door het Kerstfeest, is mogelijk het zelfstandige feest van Epifanie een verchristelijking van een groot feest ter ere van de god Dionysos of Bacchus.
           Epifanie wordt vaak gezien als de verschijning van de Heer aan de heidenvolken. Hier baseert men zich op het feit dat de magiërs naar alle waarschijnlijkheid de Perzische godsdienst van Zoroaster beleden. De evangelietekst zelf spreekt met geen woord over heidenen, en zeker wil dit niet zeggen dat de heidenen wel en de Joden niet Jezus als Messias en eventueel Zoon van God hebben erkend.

Jesaja 60,1-6 – Vernieuwd Jeruzalem
Dit visioen van Jesaja uit de tijd van na de ballingschap heeft iets van een utopie. God brengt de Joodse ballingen uit Babylon terug naar Jeruzalem, van waar zij na de verwoesting door Nebukadnessar waren verdreven; een donkere bladzijde niet alleen in de geschiedenis van Gods volk, maar evenzeer voor Babylon en de volken. Nu wacht hen het herstel van de heilige stad. De tempel was reeds op bescheiden wijze weer in gebruik genomen, maar de volledige wederopbouw hangt af van de medewerking van vreemdelingen (60,10).
            De profeet speelt daar al op vooruit. De uitnodiging om op te staan uit de vernedering en onderwerping is gericht tot Sion, voorgesteld als een vrouw (60,14). De auteur zingt van Gods heldere licht dat de duisternis verdrijft. En op het einde van het hoofdstuk verkondigt hij dat de zon nooit meer zal ondergaan en de maan nooit meer zal verbleken, omdat JHWH zelf voor altijd zijn licht zal geven (v. 20). De ballingen, zonen en dochters van vrouwe Sion, keren terug in een klimaat van vrede, veiligheid en vreugde. Jesaja ziet Jeruzalem als het bloeiende centrum van de wereld. Volken, koningen en handelskaravanen uit alle hoeken van de aarde worden met hun ongekende rijkdom door dat licht aangetrokken, en dat terwijl de stad nog grotendeels in puin ligt. En het meest grandioze is dat al die volken de roemrijke daden van Israëls God zullen verkondigen.

Efeziërs 3,2-3a.5-6 – Heil voor de heidenen
De beloften van het Eerste Testament waren op de eerste plaats gericht tot het volk Israël. Deze lezing vermeldt dat God die beloften in een veel bredere horizon ziet. Zijn heilsplan gaat niet alleen Israël aan, maar evenzeer de heidenen. Dit te ontdekken was voor Paulus als de onthulling van een mysterie. Gods plan is het om allen, dus ook de heidenen, te redden door middel van Jezus Christus. De Messias kan door niemand gemonopoliseerd worden; ook de gojim (niet-joden) worden uitgenodigd om als gelijkberechtigden deel uit te maken van Gods volk. Paulus is zo vol van deze ontdekking dat hij er van overtuigd is dat God hem zendt om daarvan onder de heidenen getuigenis af te leggen.

Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53

Matteüs 2,1-12 – De magiërs uit het Oosten
De ‘Driekoningenvertelling’ van Matteüs lijkt op het eerste gezicht een sprookje: Magiërs uit het Oosten die in de volksoverlevering koningen zijn geworden, een reizende ster, een boze, bange koning en zijn hofhouding, kostbare geschenken voor een baby, een droom als waarschuwing, wat wil je nog meer in een sprookje. Maar Matteüs is geen sprookjesverteller en dus is het zaak om Dichtung und Wahrheit uit elkaar proberen te houden.

Om te beginnen met de magiërs. Het gaat hier waarschijnlijk om leden van een belangrijke priesterkaste, volgelingen van een Perzische profeet van de goede god. Evenals hun meester leggen zijn volgelingen zich toe op de strijd tegen de machten van het kwaad. Als zodanig zijn de magiërs in deze perikoop de tegenpolen van de priesters en magiërs van de Egyptische farao die ingezet werden tegen Mozes, Aäron en het volk der Hebreeën (vgl. Ex. 7,11v). In de evangelielezing van dit feest komt de parallel tussen Jezus en Mozes nog zo niet sterk naar voren, maar deze wordt duidelijker vanaf vers 13. Deze magiërs waren specialisten in de uitleg van dromen en van de sterrenwereld, waarin zij goddelijke of bovennatuurlijke aanwijzingen meenden te herkennen.

De ster die de magiërs zagen in het Oosten en die ze gevolgd waren tot in Jeruzalem is voor alles een goddelijke openbaring, en daarmee een teken van vreugde. Velen hebben getracht te achterhalen om welk ster of planeet het hier gaat. Echter, hier gaat het op de eerste plaats om een ster die aan de kant van de Dichtung staat, en dus een bijzondere symbolische betekenis heeft, en niet om een of ander onbekend natuurverschijnsel. Markant is dat die ster, bron van licht, verdwijnt wanneer de magiërs in Jeruzalem aankomen. In de stad die een plaats van licht zou moeten zijn heerst duisternis. Matteüs herhaalt dat wanneer hij vertelt over de dood van Jezus in Jeruzalem (Mat. 27,45). De ster verschijnt weer als de magiërs Jeruzalem verlaten.

Twee of drie koningen? Ofschoon de volkstraditie de magiërs tot koningen heeft gepromoveerd en hun aantal op drie heeft vastgesteld, vermeldt Matteüs slechts twee koningen: Herodes en Jezus. Bij Herodes aangekomen vragen de magiërs naar de pasgeboren ‘koning van de Joden’. Deze titel werd nooit gebruikt voor de davidische koningen. ‘Koning van de Joden’ was de titel die Herodes had ontvangen van de Romeinse senaat. De vraag van de magiërs om informatie over de koning der Joden betekende een hevige schok voor Herodes. Zoiets wijst op een mogelijke staatsgreep. En in andere gevallen van dergelijk gevaar maakte Herodes daar korte metten mee, zelfs als het om zijn eigen kinderen ging.
           Later zal Matteüs de titel ‘Koning der Joden’ weer gebruiken in zijn passieverhaal: de Romeinse soldaten dreven de spot met Jezus als ware hij de koning der Joden en de Romeinse gouverneur Pilatus liet een bord aan het kruis bevestigen waarop stond ‘Jezus van Nazaret, koning van de Joden’. Voor de machthebbers was de plaats van zo’n koning der Joden niet een paleis in Jeruzalem, maar het kruis. Dat niet alleen Herodes schrok maar met hem heel Jeruzalem vertelt Matteüs om de priesters en oudsten, die later medeverantwoordelijk zullen zijn voor de dood van Jezus, te betrekken in de angst om een eventuele staatsgreep en het mogelijke verlies van hun eigen bevoorrechte positie.

Herodes vraagt zijn adviseurs om samen te komen en te trachten duidelijkheid te krijgen omtrent die eventuele troonpretendent. Hier nu gebruikt Matteüs het Griekse werkwoord synagoo (samenkomen) waarvan het woord synagoge is afgeleid. Hier echter wordt het woord gebruikt voor een meer beperkte bijeenkomst van die priesters en schriftgeleerden. In 26,3.57 gebruikt de evangelist hetzelfde werkwoord wanneer de hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden bijeen komen om Jezus te (ver)oordelen.
           De vraag van Herodes aan zijn adviseurs is, in zekere zin, curieus. De magiërs hadden gevraagd naar de koning der Joden, terwijl Herodes hier advies vraagt met betrekking tot de Messias. In die tijd doken er her en der messiaanse figuren op die door het volk soms als mogelijke koning beschouwd werden. Voor Herodes zijn die pseudokoning der Joden en de Messias gelijk en een reëel gevaar voor zijn troon. Het antwoord op de vraag van Herodes halen de deskundigen uit een mengcitaat van Micha 5,2 en 2 Samuël 5,2, zij het met een aanpassing door de evangelist: In Betlehem in Judea, want zo staat het geschreven bij de profeet: ‘En jij, Betlehem in het land van Juda, bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda, want uit jou komt een leider voort die mijn volk Israël zal hoeden.’
            In de tekst van Micha wordt Betlehem gelokaliseerd in de streek van Efrata, terwijl Matteüs schrijft over Betlehem in Judea, de naam van het prinsdom van waaruit Herodes langzaam zijn macht had uitgebreid. Juda is de bijbelse naam van het grondgebied van de afstammelingen van Juda, de zoon van Jakob, die zijn broer Jozef van de dood redde door hem aan de Ismaëlieten te verkopen (Gen. 37,26v).
           Verder is er nog een ander verschil tussen Micha en Matteüs. Micha schrijft over alfej, vertaald als ‘duizenden’ of ‘geslachten’, terwijl Matteüs schrijft over ‘heersers’, in het Hebreeuws alufej. Het verschil in beide versies is mogelijk door de afwezigheid van klinkertekens in de Hebreeuwse tekst. Zo kan het Hebreeuwse woord ‘lfj op twee verschillende wijzen worden gelezen.
           Ook spreekt Micha over ‘heersen’, terwijl Matteüs ‘hoeden’ gebruikt. Op deze wijze krijgt Jezus iets van de karaktertrekken van zijn verre voorvader, de herder-koning David, waarvan in 2 Samuël 5,2 gezegd wordt dat hij het volk Israël zal weiden.

Het verzoek van Herodes aan de magiërs is vreemd. Hij was onaangenaam geschokt bij de notitie over de koning van de Joden. Terwijl hij zegt hem te willen gaan aanbidden, is zijn eigenlijke intentie hem te vermoorden, maar dat vertelt de evangelist pas vanaf vers 13.

De geschenken aan het kind en zijn moeder zijn in de loop der geschiedenis vaak symbolisch uitgelegd, wat best de bedoeling van de auteur geweest kan zijn. Het gaat hier in elk geval om gaven die traditioneel aan de goden en de (goddelijke) koningen werden aangeboden.

 

Preekvoorbeeld

‘Zij vertrokken langs een andere weg naar hun land.’ Dat is het laatste dat we horen van de wijzen uit het Oosten. ‘Ze vertrokken’ en dan verdwijnen ze definitief van het toneel. Nooit meer, nergens komen we hen meer tegen in de Bijbel. Ja, wel in legenden, mythen en folklore. Maar dat is later, veel later; dan wordt aangenomen dat het er drie waren – waarschijnlijk omdat zij goud, wierook en mirre, drie geschenken, meebrachten. En later ook is aan hen een naam gegeven: Casper, Melchior en Baltazar, en is er een multicultureel gezelschap van gemaakt: een zwarte en twee witte wijzen; koningen zijn ze later geworden, vandaar de naam van het feest van vandaag: Driekoningen.
           Prachtige figuren, waar je allerlei geheimzinnige theorieën op los kunt laten – ze kwamen uit het Oosten, en dat lijkt op mensen nu eenmaal een bepaalde aantrekkingskracht uit te oefenen.

In het evangelieverhaal van Matteüs is dat niet anders. Ze komen uit het Oosten – en ze komen door een ster. Dat zijn vreemde zaken, ook voor Matteüs, die toch nog meer dan de anderen een joods evangelie schrijft. Je door sterren laten leiden – het kon niet, en het kan nog niet natuurlijk – de toekomst ligt immers niet geborgen in het verloop van de sterren, ondanks alle rubrieken in de bladen die je altijd bij de kapper leest. Maar één keer mogen de sterren een aards gebeuren dienen. Deze ene, deze enige keer kan het wel: uit de natuur krijgen de magiërs voor één keer een aanwijzing over wat zich in de geschiedenis heeft afgespeeld – ze komen door een ster gestuurd – uit het Oosten.
           Ze komen vanwege die ster. Dat lijkt voor ons toch nog gekker dan het in joodse, in oudtestamentische oren is: want in de beweging van die ster zie je ook iets terug van die vuurkolom in de woestijn, die aanwijsstok van de bevrijding die voor Israël onderweg uit Egypte, uit de onderdrukking weg, de verbinding tussen de hemel en de aarde vormt. De vuurkolom, die aangeeft wanneer te reizen en wanneer te rusten – waarheen te gaan: naar het beloofde land. Zo ging de vuurkolom, zo gaat de ster.

Die ster, dat licht, Jesaja spreekt er ook over: sta op en schitter, je licht is gekomen, duisternis bedekt dan wel de aarde, maar over jou schijnt de Heer – en ja ook: volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijnsel. Het bemoedigt Israël, dat terug uit de ballingschap van Babel, de puinhopen voor zich ziet van Jeruzalem dat helemaal opgebouwd moet worden. Het licht komt – de Heer zelf zal het licht geven. Die woorden van de profeet gebruikt Matteüs hier om z’n verhaal over die wijzen uit het Oosten te vertellen: dat wat de profeet heeft gezien, wordt ook hier en nu werkelijkheid bij het kind in de kribbe van Betlehem. De toekomst die Jesaja voor het volk ziet, dat licht dat God zelf doet schijnen in de duisternis, in het donker, dat wordt hier door Matteüs opgenomen: kijk, hier gebeurt het: licht in het donker; volken komen naar uw licht, de rijkdom van de volken naar u toe.
           Maar met de ster alleen komen ze er niet; voor de definitieve bestemming, voor de uiteindelijke plaats is de ster niet genoeg. Daarvoor moeten de Schriften van Israël open. In Jeruzalem vragen ze het: waar is de pasgeboren koning, die geboren is. Duidelijk is: van de ster leren ze wel de tijd, maar niet de plaats op aarde. Daarvoor moeten de Schriften open.

Dan volgt een heel pijnlijk aspect in het verhaal, dat je er liever niet bij zou hebben. Want dat verhaal van de koningen is toch zo mooi, het spreekt zo aan. Voor ons, volgestopt met kerstromantiek, met kribjes in het stro, herdertjes daaromheen, het liefst in de sneeuw. Pijnlijk, want die aankondiging van die magiërs uit het Oosten van de geboorte van de nieuwe koning, die vraag naar de plek waar deze is geboren, blijkt de aanzet tot een grote confrontatie. Want in reactie op de vraag van de wijzen blijkt er één te zijn die beseft wat er op het spel staat: koning Herodes. Het blijkt het verhaal over twéé koningen te zijn: dat kind en Herodes. En deze laatste beseft: wanneer het waar is dat de koning der Joden door de volken gezocht en gehuldigd wordt, dan is zijn troon in gevaar, dat is een aanval op zijn macht.
           Die moet afgewend. Herodes roept alle geleerden bijeen en legt hun de vraag voor waar de Christus, waar de Messias is geboren. Opmerkelijk: Herodes, juist hij noemt het kind als eerste ‘Messias’. Herodes weet, dat nu dat bericht van die nieuwe koning gebracht wordt, de zaak tot op het uiterste onder spanning komt te staan, het vanzelfsprekende onder schot wordt genomen. Want waar gezongen is: ‘Komt laten wij aanbidden’ – daar is de keuze aan de orde: wie wordt er nu eigenlijk aanbeden: wie heeft en wie geef je de macht? De herder of de tiran? Die nieuwe koning, waar de magiërs over komen melden, die in het spoor staat van de verwachting van Israël, óf die ander, die er niet voor terugdeinst grote moordpartijen ten uitvoer te brengen om de eigen macht te handhaven, steeds weer, de hele geschiedenis door. Grote spanning: want het aanbidden van de één is het bespotten van de ander. ‘Juicht voor de koning van de Joden’, betekent dat je niet buigt voor de dove wereldmacht. Waar die nieuwe koning wordt aangekondigd, daar gaat politiek de bel rinkelen, daar wordt uiterst kritisch gekeken naar wat er gebeurt met de machtsverhoudingen.
           De wijzen trekken naar Betlehem, opnieuw leidt de ster, het licht hen, en zij vinden er het kind en zijn moeder Maria en ze aanbidden het kind. In de confrontatie tussen de twee koningen buigen de wijzen voor het kind, de koning der Joden, die tegelijk de koning van de volken is. In dat perspectief mogen wij staan. Ze aanbidden en geven geschenken. En ze openen de schatten die ze meegebracht hebben.
           En onze geschenken, dat kan niet anders zijn dan onze inzet voor de wereld-anders, andere machtsverhoudingen, voor macht die verbonden is met recht en liefde, die niet op het ‘hebben’ maar op het geven geconcentreerd is, zoals Jezus in zijn verschijningen heeft duidelijk gemaakt, onze inzet voor wie naast ons staan, dichtbij en veraf. Want dat kind is koning.

 

inleiding Gerard van Buul ofm
preekvoorbeeld ds. Nico Pronk

 

webdesign: Artis