5 augustus 2018
Achttiende zondag door het jaar

Lezingen: Ex. 16,2-4.12-15; Ps. 78; Ef. 4,17.20-24; Joh. 6,24-35 (B-jaar)

 

Inleiding

Johannes 6,24-35
Midden in het Marcusjaar worden de evangelielezingen op vijf zondagen, van 29 juli tot en met 26 augustus, genomen uit het zesde hoofdstuk van het evangelie volgens Johannes. Dat zesde hoofdstuk wordt ‘De Broodrede’ genoemd. Het telt maar liefst 71 verzen.
               Vorige zondag, 29 juli 2018, hoorden we de ouverture van dat hoofdstuk: het verhaal over de wonderbare broodvermenigvuldiging (Joh. 6,1-15). Vandaag gaat het nog niet over de Eucharistie, maar over ‘het eten in geloof‘ (in het Latijn fidei manducatio). Deze evangelielezing wil antwoord geven op de diepste menselijke vraag van alle tijden: ’Waar vind ik een zinvol bestaan, echt leven, ja eeuwig leven?’ Het antwoord van Jezus luidt: ‘Ik ben het brood van het leven. Assimileer mijn manier van leven, zoals je dagelijks brood in je opneemt voor je fysieke leven.’
               Het zesde hoofdstuk van Johannes gaat dus helemaal over Jezus als ‘Het Brood des Levens’, maar dan in twee betekenissen.
               (1) Jezus als persoon, als middelaar van ons heil, in de verzen 1-50. Hierop mogen wij reageren met een ‘eten in geloof’ oftewel ‘eten van het geloof’ (fidei manducatio).
               (2) Pas vanaf vers 51 tot en met vers 58 komt de Eucharistie uitdrukkelijk aan de orde. Daar gaat het niet alleen over ‘eten in geloof’ maar ook over het fysieke eten van ‘het Brood des Levens’. Dit komt over twee weken in de zondagsliturgie op 19 augustus aan de orde.
                De evangelielezing van deze zondag presenteert de geloofsvisie van sint Jan op Jezus in de vorm van een gesprek van Jezus met de menigte. Johannes componeert een dialoog, bestaande uit drie vragen en antwoorden. De vragen zijn zo geformuleerd dat de evangelist Johannes gemakkelijk zijn eigen gelovige uitleg van de voorafgaande wonderbare broodvermenigvuldiging aan Jezus in de mond kan leggen.
               (1) ‘Rabbi, wanneer bent u hier gekomen?’ (v. 24). Jezus geeft schijnbaar geen antwoord op deze vraag. Maar dat doet hij wél. Jezus heeft namelijk de vraag áchter de vraag ‘Wanneer bent u hier gekomen?’ gehoord. Jezus grijpt voor zijn antwoord terug, over die overtocht héén, naar de wonderbare broodvermenigvuldiging. Jezus behandelt zo de vraag naar zijn wonderen principieel aan de hand van zijn overtocht en de broodvermenigvuldiging. Weliswaar zoeken de mensen Jezus, maar hun drijfveer, hun motivatie is niet zuiver. In die overtocht en de broodvermenigvuldiging heeft Jezus hun twee tekenen gegeven. Maar ze hebben de kans gemist daarin verwijzingen te zien naar wie Jezus wérkelijk is. Jezus verwijt hun een aardse instelling en het daaruit voortvloeiende onbegrip voor de tekenen die Jezus geeft. De wonderen van Jezus zijn bij evangelist Johannes altijd verwijzingen naar, tekens van een hogere werkelijkheid.
               (2) ‘Ze vroegen: “Wat moeten we doen? Wat vraagt God van ons?”’(v. 28) Menselijke arbeid en aards voedsel zijn onmisbaar. Maar de mens verlangt in zijn diepste wezen naar méér. Daarom brengt Jezus een onderscheid aan tussen twee soorten voedsel: het aardse voedsel en het geestelijke voedsel. Jezus zegt: ‘God vraagt maar één ding, namelijk dat jullie in mij geloven. Want God heeft mij gestuurd’ (v. 29 volgens de Bijbel in Gewone Taal). Niet vele werken, niet het onderhouden van het hele pakket van 613 geboden en verboden, door de Schriftgeleerden voorgehouden, vraagt God, maar slechts één werk: geloven in Jezus. Kwantitatief is dat weinig, kwalitatief is dat zeer véél gevraagd, niet enkel van de Jood, maar van iedere mens.
               (3) ‘Welk wonderteken kunt u dan verrichten? Als we iets zien zullen we in u geloven. Wat kunt u doen?’ (v. 30)
               Eerst een wonderteken zien en dan geloven, zegt de menigte hier. Op deze uitdaging antwoordt Jezus met nadruk: ‘Mijn Vader geeft jullie het ware hemelse brood’ (v. 32). ‘Ik ben het brood dat eeuwig leven geeft. Als je bij mij komt, zul je geen honger meer hebben’ (v. 35). Dit sluit overigens geheel en al aan bij de Joodse overtuiging dat de Messias op het einde der tijden het mannawonder zal herhalen.
               Let wel: het gaat hier, zoals eerder gezegd, nog niet over het eucharistisch brood. Dat komt later aan de orde (vanaf Johannes 6,50-58). Vandaag is er in de evangelielezing nog geen sprake van ‘Mij eten’ maar van ‘kómen tot Mij’. Dat betekent: je gelovig met Jezus inlaten, moeite doen om hem in je leven te betrekken, zijn manier van leven overnemen. Als Jezus hier ‘Brood uit de hemel’ heet, betekent dit: Hij, Jezus, is een gave van Gód, die in ontvangst genomen wil worden, vergelijkbaar met ons dagelijks voedsel.
               God schenkt zich door Jezus aan de mensen als een levengevende werkelijkheid. Nooit meer honger hebben en geen dorst lijden zijn beelden voor de vervulling van de diepste menselijke verlangens naar zinvol leven, ja eeuwig leven.
               De toehoorders begrijpen er geen snars van (Joh. 6,34). Hun aardse inzicht blijft beperkt tot het binnenwereldse. ‘De mensen zeiden: ‘Heer geef ons elke dag dit brood!’’ Zij denken: dan hoeven we geen moeite meer te doen voor ons aardse levensonderhoud. Onuitroeibaar is de neiging van de mens om het belang van de persoon van Jezus en zijn boodschap te reduceren tot een instrument, een positieve factor voor het in stand houden van het politieke en economische leven van alledag.
               Tot slot, waarom gebruikt sint Jan de metafoor ‘Brood des Levens’ voor de persoon van Jezus? Veel mensen gaan pas over op een verantwoorde, een gezonde levenswijze, als ze helemaal vastgelopen zijn, zoals Johan Cruijff (1947-2016) door zijn eerste hartaanval in 1991 overkwam. Er volgt meestal een moeilijke, langdurige periode van revalidatie. Die is moeizamer en pijnlijker naarmate de voorafgaande verwaarlozing groter is geweest. Iets dergelijks zien we in het geestelijk leven gebeuren. Ook een gezond geloofsleven is een kwestie van lange adem en geregelde, dagelijkse verzorging. Zoals wij vrijwel iedere dag brood eten om fysiek in leven te blijven, zo biedt Jezus, die zelf het ‘Brood des Levens’ is, zijn persoon, zijn manier van leven, zijn verkondiging, iedere dag aan, zodat onze diepste verlangens naar zinvol, ja eeuwig leven geen enkele dag honger en dorst hoeven te lijden.

Exodus 16,2-4.12-15
De tocht van Israël door de woestijn draagt drie kenmerken. Enerzijds constateren we ‘het gemor’ van het volk, anderzijds vernemen we de zorgzaamheid van God. Ten derde lezen we hoe God zijn volk op de proef stelt. Dat bekende bijbelse ‘gemor’ tijdens de Uittocht omvat ontevredenheid, een verwijt en een smeekbede. Dit laatste, het gebed, wordt slechts indirect geuit. Maar God is God genoeg om ook die vraag om hulp te horen. ‘Brood uit de hemel’ laat God regenen. Dit blijkt ‘een fijn schilferachtig laagje’ dat op rijp lijkt (v. 15). De Israëlieten wisten niet wat zij zagen en vroegen: ‘Wat is dat’ (Hebreeuws: mah-hoe). Dit Hebreeuws is ons woord ‘manna’ geworden. De termen die het manna beschrijven, bevatten enkele Hebreeuwse woorden die maar één keer in de Bijbel voorkomen (hapaxlegomena). Vandaar dat onze vertalingen er maar naar moeten raden. Het manna was waarschijnlijk wit, doorschijnend en smaakte zoet als honingkoeken. Tegenwoordig eten mensen in de Sinaï woestijn nog mann, een substantie die ten gevolge van steken van schildluizen door de bladeren van tamarisken uitgescheiden wordt. Het ‘mannawonder’ is zeer wel mogelijk een natuurverschijnsel dat in deze context van de Uittocht godsdienstig geduid wordt als een teken dat verwijst naar de zorgzame God van Israël wiens naam is jhwh, ‘Hij zal er zijn’, in de zin van ‘Hij zal je niet in de steek laten’. Het wonder is voor de bijbelse mens een ervaring van Gods werkzaamheid in de gebeurtenissen. De heilige Schrift maakt geen onderscheid tussen marvellous (‘verbazingwekkend’) en miraculaous (‘wonderbaarlijk’), zoals de Britten doen. Beide categorieën kunnen naar God verwijzen.

Efeziërs 4,17.20-24
Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53

 

Preekvoorbeeld

Vandaag loop ik tegen een uitspraak van Jezus aan, waarover ik even struikel: ‘Werk niet voor voedsel dat vergaat maar voor het voedsel dat blijft ten eeuwigen leven en dat de Mensenzoon u zal geven.’ Het eerste stukje van deze uitspraak komt wat wereldvreemd over. Hoe kan Jezus zeggen: ‘Werk niet voor voedsel dat vergaat!’? Je zult maar kok zijn in een restaurant of gewoon thuis in de keuken en dan te horen krijgen: ‘Werk niet voor voedsel dat vergaat!’ Ik denk ook aan de mensen van de organisatie ‘Voedsel Anders’, die dit jaar met de Voedselkaravaan door Nederland trekken en zich inzetten voor een duurzaam en rechtvaardig voedselsysteem. De grote vraag is immers hoe we ervoor kunnen zorgen dat in 2050 negen en een half miljard mensen op onze planeet genoeg eten en schoon water krijgen.
               Maar wanneer Jezus het heeft over voedsel dat vergaat en voedsel dat blijft ten eeuwigen leven, moet je zijn woorden niet uit hun verband halen. Na het wonder van de broodvermenigvuldiging aan de westkant van het meer van Galilea waren de mensen enthousiast. Eindelijk zagen ze iemand met macht en charisma, die Israël kon bevrijden van de gehate bezetter. Ze wilden Jezus meteen tot koning uitroepen. Maar Jezus had zich teruggetrokken en was in de nacht over het meer naar de overkant gelopen. Wanneer de mensen hem daar de volgende dag vinden, zegt Jezus dat ze hem om de verkeerde reden achterna lopen. ‘Werk niet voor voedsel dat vergaat!’
               Jezus doet niets af aan het werk van een kok in een restaurant of een huisvrouw of huisman in de keuken. Alle evangelisten onderstrepen hoe intens Jezus begaan was met mensen die honger hadden, maar bij Matteüs en Lucas horen we Jezus zeggen dat de mens niet leeft van brood alleen. Vooral de evangelist Johannes trekt deze lijn door. In het vierde evangelie is brood opeens meer dan het brood van de bakker, zoals ook water meer is dan alleen water, wijn meer dan wijn en licht meer dan licht. In elke mens zit dit diepe verlangen naar méér. Jezus spreekt dit verlangen aan. Daarom maakt hij onderscheid tussen het brood van de bakker en het brood uit de hemel.
               Het hoogtepunt van het evangelie van vandaag komt, wanneer Jezus zegt dat hij dit brood des levens niet alleen geeft, maar dat hij dit brood des levens is. Zoals we elke dag om in leven te blijven, onze boterhammen eten, zo biedt Jezus zich elke dag aan als geestelijk voedsel. We voeden ons met zijn woord, zijn manier van leven, zijn manier van zijn, kortom met zijn Geest. Zo wordt de Geest van Jezus onze geestelijke energie. Dat hij het hemelse brood is, wil zeggen dat zijn woord, zijn manier van leven en zijn, het hele weefsel van ons leven doordringt.
               Jezus kijkt dus beslist niet neer op het geploeter en gesjouw van mensen, die elke dag hard moeten werken voor hun dagelijks brood. Integendeel, hij biedt hun inspiratie, richting en oriëntatie. Daarom zegt hij: ‘Vergeet niet dat het belangrijkste werk in je leven daarin bestaat dat je gelooft in mij, in mijn woord en in mijn manier van leven en zijn. Zonder dit geloof kun je werken en presteren wat je wil, je zult adem en inspiratie te kort komen. Het zal je ontbreken aan diepgang en offervaardigheid.’
               Wat Jezus zegt heeft alles te maken met het voedselvraagstuk in onze wereld. Zonder enorme wetenschappelijke en technologische inspanningen redden we het niet. En toch is er meer nodig. Want ook nu al produceert onze wereld met zeven en een half miljard mensen genoeg voedsel voor twaalf miljard mensen. Hoe komt het dan dat meer dan een miljard mensen te weinig of slecht drinkwater en voedsel krijgen? Met wetenschap en techniek alleen schep je nog geen nieuwe economie en geen nieuwe samenleving.
               Gandhi heeft ooit gezegd: ‘Er is op deze wereld genoeg voor ieders behoefte, maar er is nooit genoeg voor ieders begeerte en hebzucht.’ Om een nieuwe economie te krijgen, hebben we allereerst een nieuwe mentaliteit nodig, een bekering van onverschilligheid naar zorg en van hebzucht naar solidariteit. Zorg en solidariteit zijn tekenend voor de levensstijl van Jezus. Waar die levensstijl wordt opgenomen in het weefsel van ons dagelijkse leven verandert alles: ons omgaan met onze medemensen, met het geld, met de natuur en niet op de laatste plaats met onze eigen diepste verlangens.
               We hoorden de apostel Paulus vanmorgen in de tweede lezing zeggen: ‘De oude mens gaat ten gronde aan zijn bedrieglijke begeerten.’ Onze harde economie wordt aangejaagd door bedrieglijke begeerten. Ze weet van niets anders dan tomeloze groei en drukt de zwakken en hongerigen over de rand van de afgrond. Paulus zegt dat we de oude mens moeten afleggen. Hij spoort ons aan de nieuwe mens aan te trekken, die naar Gods beeld geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid. Die nieuwe mens haalt zijn energie en inspiratie uit het brood van de hemel dat leven geeft aan onze wereld.

 

inleiding dr. Jan Holman svd
preekvoorbeeld dr. Jan Hulshof sm

webdesign: Artis