5 mei 2019
Derde zondag van Pasen

Lezingen: Hand. 5,27b-32.40b-41; Ps. 30; Apok. 5,11-14; Joh 21,1-(14)19 (C-jaar)

 

Inleiding

Handelingen 5,27b-32.40b-41
Al eerder werden Petrus en Johannes gearresteerd, omdat zij ‘het volk onderricht gaven en met een beroep op Jezus de opstanding uit de doden verkondigden’ (Hand. 4,2v). In zijn evangelie vertelt Lucas hoe Jezus zijn leerlingen had voorbereid op wat hen te wachten zou staan:

Men zal u oppakken en vervolgen, u uitleveren aan de synagogen en u gevangen zetten. U wordt voorgeleid aan koningen en gouverneurs omwille van mijn Naam; dat geeft u gelegenheid om te getuigen. Neem u heilig voor om u er van tevoren geen zorgen over te maken hoe u zich zult verdedigen. Want Ik zal u wijze woorden in de mond leggen, zodat geen van uw tegenstanders u zal kunnen weerstaan of weerspreken … u zult door iedereen gehaat worden vanwege mijn Naam.
(Luc. 21,12-17; verder 6,22v)

In het boek Handelingen worden die woorden bewaarheid. De directe aanleiding voor die eerdere arrestatie van de apostelen was de genezing van de verlamde en de daaropvolgende toespraak van Petrus (Hand. 3). Petrus getuigt vrijmoedig voor de hogepriester, de schriftgeleerden en de oudsten dat die genezing bewerkt is door ‘de Naam van Jezus Christus de Nazoreeër, die u hebt gekruisigd, maar die God heeft opgewekt uit de doden…’ (Hand. 4,10). Petrus en Johannes worden vrijgelaten onder voorwaarde dat zij nooit meer met een beroep op deze Naam tot iemand spreken. Van meet af aan geven zij echter duidelijk te kennen dat ze zich van dit verbod niets zullen aantrekken, want God moeten ze eerder gehoorzamen dan mensen (4,17-20). Ze gaan terug in hun eigen kring, brengen verslag uit van het gebeurde en sluiten af met gebed ‘en zij allen werden vervuld van de heilige Geest en verkondigden met vrijmoedigheid het woord van God’ (4,31).

Na de episode van Ananias en Saffira gaat het verhaal verder. De jonge Jezus-beweging groeit zo hard dat de hogepriester en de Sadduceeën vol jaloezie zijn en hen opnieuw laten arresteren (5,17-18). Een engel van de Heer opent ‘s nachts de deuren van de gevangenis – lijkt dat niet op het weghalen van de steen op de ochtend van Pasen? (Willem Barnard, blz. 393-394). Hij bevrijdt hen met de opdracht om opnieuw naar de tempel te gaan om daar het volk ‘alle woorden van dit leven’ te verkondigen (5,20). Natuurlijk is al snel bekend dat de apostelen in de tempel te vinden zijn. Ze worden opnieuw gearresteerd en voor het Sanhedrin – het hoogste bestuurlijke en religieus-rechtelijke college van de Joden – gebracht. Hier begint de lezing van vandaag, die omlijst wordt door de tempel, want aan het slot gaan de apostelen opnieuw naar de tempel waar zij onderrichten en de goede boodschap verkondigen dat Jezus de Messias is (5,21 en 42).

Het schenden van het in Handelingen 4,18 opgelegde verbod om te spreken en te onderrichten met een beroep op de Naam vormt in 5,28 de aanklacht, uitgesproken door de hogepriester, leider van de Sadduceeën. Dat spreekverbod wordt hun opnieuw aan het einde van de lezing opgelegd, desondanks zijn ze door niets of niemand te stuiten.
           Tussen begin en einde van de lezing komen met een kleine onderbreking van de verteller twee personen aan het woord, Petrus en de wetgeleerde Gamaliël. Opvallend is dat Petrus tweemaal over ‘gehoorzamen’ spreekt en Gamaliël (en de verteller) in totaal zelfs driemaal, al gaat het niet om precies hetzelfde Griekse woord (peitharcheo/peithomai). Het eerste door Petrus gebruikte woord laat duidelijk zien dat het gaat om het gehoorzamen aan een autoriteit (in hetzelfde vers wordt Jezus archegos genoemd, leidsman, leider, heerser). Terwijl Gamaliël en de verteller spreken over gehoorzamen aan mensen, spreekt Petrus over het gehoorzamen aan God: ‘God moet men meer gehoorzamen dan de mensen’ en ‘wij zijn getuigen samen met de heilige Geest die God heeft geschonken aan wie Hem gehoorzamen' (5,29.32; 1,8; 2,32; 3,15 en 4,33). Het is een bevestiging van de waarachtige claim van hun boodschap. Natuurlijk is ook de hogepriester van mening dat men God meer dient te gehoorzamen dan de mensen, maar volgens Petrus doet hij dat niet.

In de tussenliggende regels belijdt Petrus dat ‘de God van onze vaderen’ – Petrus is ondanks alles een bruggenbouwer! – Jezus, die zij nota bene vermoord en gekruisigd hebben, heeft opgewekt en een hoge plaats heeft gegeven aan zijn rechterhand als Leidsman en Redder om Israël te bekeren en het zijn zonden te vergeven.

De reactie van de aanwezigen laat zich raden: ze zijn kwaad en willen Petrus en de zijnen doden.
          Maar dan staat Gamaliël, die geen Sadduceeër is maar Farizeeër, op en hij weet de gemoederen te bedaren (22,30–23,10). Hij waarschuwt de aanwezigen tot tweemaal toe om geen onbezonnen stappen te ondernemen. Vervolgens noemt hij het voorbeeld van twee bewegingen rond Teudas en Judas de Galileeër die beide doodgebloed zijn, hoewel veel mensen hun hadden ‘gehoorzaamd’. Zijn voorstel is daarom om de tijd zijn werk te laten doen, want ‘als het mensenwerk is wat zij willen en doen, zal het op niets uitlopen; maar komt het van God, dan kunt u hen toch niet vernietigen, want anders zou zelfs kunnen blijken dat u zich tegen God verzet’ (5,38v). De leden van het Sanhedrin gehoorzamen hem.
           De apostelen die tijdens de rede van Gamaliël naar buiten gebracht waren, worden weer binnengeleid, gegeseld en krijgen opnieuw het verbod om te verkondigen met een beroep op de Naam van Jezus. Maar zoals eerder gezegd, ze trekken zich niets van het verbod aan en onderwijzen en verkondigen dat Jezus de Messias is.

Steeds weer gaat het in deze tekst om het verbod van het noemen van de Naam. De naam drukt in het oude Nabije Oosten het wezen en het levensprogramma uit van de drager, zijn levenstaak en ook wel zijn aanwezigheid (Jan Holman, blz. 350).
           De naam Jezus betekent: ‘God redt’. God zelf heeft zijn naam JHWH, zo weten we uit Exodus 3,14, geopenbaard aan Mozes als ‘Ik zal zijn die Ik zal zijn’. Er is hier sprake van een aanwezigheid en een relationeel zijn, een zijn dat betrokken is op iemand of iets (voor/tegen/met).’ Hoe die betrokkenheid precies vorm krijgt, blijft open.
           De eerbied voor Gods Naam werd in de loop der eeuwen steeds groter, zo groot zelfs dat de geopenbaarde Godsnaam jhwh niet meer werd uitgesproken en vervangen werd door adonai, ‘Mijn Heer’. Het is wel opmerkelijk dat de hogepriester steeds spreekt over de Naam en niet over Jezus, de Messias.

Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘Petrus de verkondiger’ (Handelingen 1,1–6,7), in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 60-73

Johannes 21,1-(14)19
Eigenlijk eindigt het Johannesevangelie in 20,30-31 met de woorden: ‘Nog veel andere tekenen heeft Jezus voor de ogen van zijn leerlingen verricht, die niet in dit boek zijn neergeschreven. Die welke u hier vindt, zijn neergeschreven opdat u zult geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leven zult bezitten in zijn naam.’
           Maar in Johannes 21, het nawoord zoals er in dit evangelie ook een voorwoord is (1,1-18), verschijnt Jezus opnieuw aan zijn leerlingen, nu niet in Jeruzalem maar bij het meer van Tiberias. Zeven (!) van zijn leerlingen waren daar bij elkaar. Petrus zegt dat hij wil gaan vissen, de anderen gaan met hem mee. Pasen ligt achter hen. Nu, in het leven van elke dag, moet het geloof worden waargemaakt. Die nacht vangen ze niets…
           Johannes spreekt vaak met een ‘dubbele bodem’. Als hij over de ‘nacht’ spreekt, dan bedoelt hij niet enkel een tijdstip, maar duidt hij ook de gemoedstoestand van de leerlingen aan: het ziet er bij hen van binnen duister uit. Tegenover de nacht plaatst Johannes het ochtendgloren, eveneens niet enkel bedoeld als tijdstip, maar als bron van hoop. Jezus staat hen op te wachten, vraagt of ze iets te eten hebben en als blijkt dat ze niets hebben, geeft hij het advies om het net rechts van de boot uit te werpen. De rechterkant is symbool van Gods macht, van genade en zegen en dat is al snel te zien aan de enorme vangst.

‘... de leerlingen wisten niet dat het Jezus was’ (21,4). Weten is een belangrijk werkwoord in Johannes. De leerling van wie Jezus hield, heeft door de overvolle netten vis als eerste in de gaten dat de vreemdeling aan de oever van het meer Jezus de Heer is. Zijn ogen zien, zijn oren horen en zijn hart zegt hem waar de anderen nog geen weet van hebben. Het feit dat Jezus zoveel van hem houdt, moet op wederkerigheid berusten. Wie van een ander houdt, ziet meer en weet meer wat er in de ander omgaat. Hij vertelt het aan Petrus: ‘Het is de Heer!’ (21,7). Jezus ís er, hij geeft hoop en bemoediging.
           De anderen hebben nog wat meer tijd nodig. Maar als ze zien hoe Jezus voor voedsel zorgt, het vuurtje met brood en vis, moet hen dat aan de wonderbare spijziging hebben herinnerd. Ook zij weten nu dat het de Heer is, al durven ze hem dat niet te vragen (21,12). Het blijft een kwestie van vertrouwen, van geloof in zijn aanwezigheid in de tekenen van brood en vis (Joh. 6).
           De verbinding met de volgende perikoop – het gesprek tussen Jezus en Petrus – wordt ook gevormd door het werkwoord weten. Het komt driemaal voor in de mond van Petrus en betreft niet het weten van de leerlingen maar van Jezus. Naast weten gaat het nu ook over liefhebben. Tot driemaal toe vraagt Jezus of Petrus van hem houdt (agapa? 21,15-16; phile? 21,17). De afwisseling tussen deze beide termen lijkt van retorische aard. Petrus antwoordt telkens: ‘Ja, Heer, u weet dat ik van u houd’ (phile?), de laatste keer zegt hij: ‘U weet alles, u weet dat ik van u houd’. Petrus die Jezus eerder driemaal verloochende, krijgt nu de opdracht herder te zijn over de lammeren en schapen, de kudde van het volk Gods.

Het laatste deel van deze perikoop sluit aan bij de eerste lezing uit Handelingen, waar ‘de leerlingen blij zijn dat ze waardig bevonden waren om vanwege de naam smadelijk behandeld te worden’ (Hand. 5,41). In Johannes zinspeelt Jezus op de martelaarsdood waarmee Petrus God zal verheerlijken zoals Jezus ook met zijn eigen dood de Vader verheerlijkte (17,1). Daarna zei hij: ‘Volg mij.’

Literatuur

Willem Barnard, Stille omgang, Zoetermeer 1992, 20055, 393-394
Jan Holman, ‘Openbaring’, in: De Bijbel theologisch. Hoofdlijnen en thema’s, red. Klaas Spronk en Archibald van Wieringen, Zoetermeer, 350
Louw & Nida, Greek-English Lexicon of the New Testament. Based on Semantic Domains, New York 1988, 19892 Volume 1, 294
K.. Touwen, ‘Petrus in het Johannesevangelie – Gerehabiliteerd’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 34-43

 

Preekvoorbeeld

Een pracht van een verhaal, waarin de evangelist Johannes veel symboliek heeft verweven over ‘vissers van mensen’ worden. Met Jezus’ dood en begrafenis zijn de dromen rond Jezus brutaal geëindigd en keren de leerlingen terug naar hun vroegere stiel: ‘Wij gaan vissen’. Met die nacht zonder vis verwijst Johannes tegelijk naar de nacht in hun ziel. Ze zijn terug in hun oude plooi gevallen. En met zijn verwijzing naar de ochtend waarop Jezus verschijnt legt hij een link naar het licht van Pasen. En als Jezus suggereert om het net uit te werpen aan de rechterkant, verwijst Johannes bewust naar de kracht en de zegen van God. Kleine details die het hele verhaal moeten optillen boven het niveau van het anekdotische.

Op het ogenblik dat ze onverwacht zo veel grote vissen vangen is het de geliefde leerling die als eerste reageert en in de vreemdeling op het strand Jezus herkent. Hij zegt tot Petrus: ‘Het is de Heer!’ Tijdens de periode dat de apostelen met Jezus waren rondgetrokken is er tussen de Heer en Johannes diepe vriendschap gegroeid. In de plotse vangst zien zijn ogen, horen zijn oren en zegt zijn hart hem waar de anderen nog geen weet van hebben. Iets dergelijks herkennen wij wellicht ook in ons eigen leven of zien we bij anderen gebeuren: liefde maakt je veel gevoeliger om dingen op te merken of mensen aan te voelen. Het is de liefde ook die echte relaties mogelijk maakt. Zij vormt de kern van verbondenheid maar ook van trouw. Ze maakt toekomst en nieuw perspectief mogelijk. Dat treft ons heel sterk in het vervolg van het evangelie van deze zondag.

Jezus verlaat deze wereld. Hij heeft een kleine groep gevormd die hij bij het laatste avondmaal de Geest heeft beloofd om zijn zending verder uit te dragen. Nu roept hij Petrus, die hij aanstelt als verantwoordelijke van de groep. Eigenaardig genoeg dat hij niet vraagt naar diploma’s, opleiding en vaardigheden van Petrus. Wat Jezus wél interesseert is: hoe zit de relatie tussen ons? En die vraag lijkt voor hem wel héél belangrijk: Tot driemaal toe vraagt Jezus, en het klinkt plechtig: ‘Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij meer lief dan dezen Mij liefhebben?’ Tweemaal bevestigt Petrus de vraag van Jezus. Maar als Jezus het een derde maal durft vragen, wordt Petrus zich plots bewust van zijn diepste kern: zijn donkere kant, die wij trouwens allemaal hebben. Het is alsof hij plots naakt voor de Heer staat. En dan kan hij slechts stamelen: ‘Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik U bemin.’ Hier valt alle camouflage weg. Hier is totale openheid, transparantie. Jezus weet ook hoe zwak Petrus ooit is geweest toen hij plechtig verklaarde: ‘Ik ken die mens niet’. Dit belet Jezus echter niet om het met hem te riskeren: op voorwaarde dat er liefde is die verbondenheid mogelijk maakt. Dat maakt het volgen van Jezus mogelijk.

Het is precies die band met Jezus, die we terugvinden in de eerste lezing van vandaag. Daarin hoorden we het verhaal van de apostelen die voor de hogepriester worden gebracht. Hij had hen uitdrukkelijk verboden in de naam van Jezus onderricht te geven. Maar zij antwoordden: ‘Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen.’ Onmiddellijk daarop verwijzen zij naar de persoon van Jezus, naar zijn universele zending en naar de opdracht die zij van hem hadden gekregen. Het gaat niet om een nieuwe leer. Het gaat om iemand, een persoon die namens God is gezonden. Zijn liefde heeft hen zo diep geraakt, dat zij iedereen willen laten delen in dat ongelooflijk goed nieuws. Het gaf hen hoop en vooral kracht om ondanks verboden en weerstand te blijven spreken.

Zitten wij op dit ogenblik niet in dezelfde situatie? Godsdienst wordt bij ons in het Westen uit de maatschappij geweerd en in de marge geplaatst als niet relevant. Op die manier is er een klimaat geschapen waardoor wij met onze christelijke levensbeschouwing, met ons geloof nog moeilijk naar buiten durven komen. Geloven behoort zogezegd tot de sfeer van je privéleven en daar hoef je je evenmens niet mee lastig te vallen. Meer dan ooit blijft de uitdaging van kracht om met de persoon van Jezus een band op te bouwen, ons te laten doordringen van Gods liefde, die in Jezus is zichtbaar geworden. Die verbondenheid maakt ons vaardig om, ondanks onze verborgen angst, mensen mee te betrekken in het wereldwijde avontuur van vrede en verzoening. De stappen die we durven zetten zullen ons vervullen van vreugde. Wellicht zullen we in die ogenblikken iets mogen proeven van Pasen.

 

inleiding dr. Yvonne van den Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld Bob Van Laer ofm

webdesign: Artis