4 maart 2018
Derde zondag van de Veertigdagentijd

Lezingen: Ex. 20,1(-3.7-8.12-)-17; Ps. 19; 1 Kor. 1,22-25; Joh. 2,13-25 (B-jaar)

 

Inleiding

Exodus 20, 1-17 – Grootvorst en vazal
Toen de archeologie van het Nabije Oosten aan het begin van de twintigste eeuw enorme vooruitgang boekte, enerzijds door belangrijke vondsten, anderzijds door de ontcijfering van tot dan toe ontoegankelijke talen, heeft de vondst van Hettitische archieven in Bogazköi, in hartje Turkije, de achtergrond en interpretatie van nogal wat Oudtestamentische teksten een grote stap verder geholpen. Die archieven bevatten verdragen van Hettitische vorsten met overwonnen volken elders in het Nabije Oosten, vanaf de veertiende eeuw vChr.

In de aanhef van zo’n verdrag somt de overwinnaar, de grootvorst, zijn titels op en vervolgt met de voorgeschiedenis, de historische proloog: de reden waarom dit verdrag tot stand is gekomen. Vervolgens bevat de tekst van het verdrag de hoofdbepaling: de grootvorst eist onvoorwaardelijke trouw van de overwonnene, de vazal. Dan volgt een reeks van gedetailleerde bepalingen. Ook wordt er een voorwaardelijke vloek geformuleerd; mocht de vazal zich niet houden aan de bepalingen van dit verdrag, dan zal hij gestraft worden. Maar er is ook een zegenformule: wanneer de vazal trouw en onderdanig het verdrag zal eerbiedigen en stipt naleven, zullen hem door de goden voorspoed en vruchtbaarheid ten deel vallen.

Toen Assyrische koningen in de achtste eeuw vChr. vanuit Mesopotamië succesvolle veroveringstochten ondernamen, legden ook zij de overwonnen landen en steden vazalverdragen op die duidelijk geënt waren op die oude Hettitische verdragsoorkonden.

Het oude Israël moet kennis hebben gehad van dergelijke verdragen, omdat er in het Oude Testament nogal wat teksten zijn die er qua structuur en inhoud zeer grote overeenkomsten mee vertonen. Jozua 24 is een mooi voorbeeld. Het boek Deuteronomium is zelfs in zijn geheel als zo’n vazalverdrag te beschouwen.

Exodus 20, dat niet als ‘Tien Geboden’, maar volgens bijbelse terminologie als ‘De Tien Woorden’ (Ex. 34,28) dient te worden gekarakteriseerd, is zonder twijfel een van de mooiste voorbeelden.

Titel: ‘Ik ben jhwh, je God’
Historische proloog: ‘die je uit Egypte, uit het slavenhuis, heb weggehaald.’
Hoofdbepaling: ‘Je mag naast mij geen andere goden hebben, je mag geen afgodsbeelden maken, geen afbeelding van enig ander wezen …’
Vloek: ‘want ik, jhwh, je God, ben een jaloerse god …’
Zegen: ‘maar voor hen die mij liefhebben ben ik genadig …’
Detailbepalingen: ‘Je mag de naam van jhwh, je God, niet misbruiken …’
‘Houd de sabbat in ere …’

Naast het genre (vazalverdrag) is ook de situering van Exodus 20 nogal opvallend. Bij een berg, in de woestijn wordt alvast een blauwdruk vastgelegd voor het toekomstige leven in het land Israël. De ontstaansgeschiedenis is natuurlijk andersom; praktijkervaringen uit het sedentaire leven in het oude Israël worden geprojecteerd in een heel vroege, min of meer ideale oertijd. Maar geboden en verboden ontstaan pas wanneer zich in een samenleving ongewenste praktijken manifesteren; hun spiegelbeeld, het tegendeel van die praktijken, worden dan als dwingende geboden/verboden opgelegd.

Psalm 19 – Zon en Thora
De vraag die nogal wat exegeten met betrekking tot Psalm 19 heeft beziggehouden – en nog steeds bezighoudt – is of het eerste deel (19,1-7) ontleend is aan Egyptische en/of Babylonische zonnehymnen en hoe het tweede deel (19,8-15) daarmee verbonden moet worden. Pogingen om te achterhalen hoe een tekst is ontstaan is een nogal speculatieve bezigheid; de meningen en oplossingen lopen daardoor nogal flink uiteen. Het is daarom beter om de tekst tegemoet te treden zoals hij nu voor ons ligt.
Na lezing en overdenking van de psalm zal men spoedig tot de conclusie komen dat de nadruk op het tweede deel ligt, een loflied op de Thora. Het woord thora wordt met liefst vijf synoniemen nader getypeerd: ‘richtlijn’, ‘bevelen’, ‘gebod’, ‘ontzag’, ‘voorschriften’. Wat de nbv hier met ‘richtlijn’ heeft weergegeven, de nbg met ‘getuigenis’ (edut) is een term die een aantal keren in verband met de Decaloog wordt gebruikt (Ex. 31,18; 32,15).
De samenhang tussen de beide delen van de psalm wordt in de tekst zelf gegeven: ‘Het gebod van jhwh is helder: licht voor de ogen’ (19,9). De Thora krijgt als het ware de eigenschappen en functie(s) van de zon: ‘uw dienaar laat zich erdoor verlichten’ (19,12). Een mooie inclusio of omraming voltrekt zich, wanneer om bescherming wordt gebeden (19,14); het resultaat: ‘dan zal ik volmaakt zijn’. En dat is een duidelijke terugkoppeling naar de aanhef van het tweede deel: ‘De Thora van jhwh is volmaakt’ (19,8).

1 Korintiërs 1,22-25 – De gekruisigde Christus
De lezing uit de Brief van Paulus aan de gemeente van Korinte is onderdeel van een grotere passage (1,18–2,5) die handelt over het kruis als basis en criterium voor de christen. Binnen dat geheel wordt in 1,18-25 betoogd dat niet de wijsheid van de wereld, maar de dwaze boodschap over het kruis en de gekruisigde Christus de mensen redding brengt. Een mooi scharnierpunt lijkt mij hetgeen over wijsheid wordt gezegd. De Grieken zoeken wijsheid (1,22), maar de ware wijsheid – aldus Paulus – vinden we in Christus Jezus ‘die onze wijsheid is geworden’ (1,30). Het is nogal moeilijk om deze lezing direct in verband te brengen met de twee vorige. Toch is de boodschap van Paulus net zo cruciaal en centraal als die van de Tien Woorden.

Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Johannes 2,13-25 – Johannes en het Oude Testament
Het levert doorgaans interessante en belangrijke informatie op, wanneer men bij een passage uit het Johannesevangelie even de moeite neemt om te kijken of de betreffende perikoop een parallel heeft bij de drie synoptische evangeliën. In het geval van de vertelling over de tempelreiniging valt dan onmiddellijk op dat Johannes dit vrijwel aan het begin van zijn evangelie een plaats heeft gegeven, terwijl alle drie synoptici deze gebeurtenis juist tegen het einde van hun evangelie situeren (Mat. 21,12v; Mar. 11,15-18; Luc. 19,45-48).
Vervolgens springt dan in het oog dat Johannes daarbij een ander citaat uit het Oude Testament gebruikt (Ps. 69,10) dan de drie synoptici (Jes. 56,7). Wanneer auteurs in hun betoog een citaat gebruiken, is het bijna altijd zo dat zij niet citeren om het citeren, maar dat het citaat een functie heeft binnen hun betoog. Niet zelden blijkt dan ook dat het citaat niet letterlijk wordt weergegeven, maar dat er vrij mee is omgegaan. Dit is ook hier het geval. Johannes citeert Psalm 69,10 niet geheel conform de oudtestamentische tekst, want hij schrijft ‘De hartstocht voor uw huis zal mij verteren’ (2,17), terwijl zowel de Griekse als de Hebreeuwse tekst een verleden tijd bevatten: ‘heeft mij verteerd’. ‘De verandering van verleden in toekomende tijd in het citaat dient er dus toe het citaat op Jezus’ dood te betrekken, die door de leerlingen nog niet, door de goede lezer van het verhaal wel in het juiste perspectief wordt geplaatst’ (M. Menken). Wij weten als lezers nu eenmaal hoe het met Jezus is afgelopen; de leerlingen en de mensen op het tempelplein nog niet.
Het evangelie van Johannes wordt ook wel als ‘het boek der tekens’ gekwalificeerd. Liefst 17 keer vinden we in het vierde evangelie de term ‘teken(en)’, dat je ook kunt vertalen met ‘wonder’. Dat woord is dezelfde term als in 1 Korintiërs 1,22 (‘de Joden vragen om wonderen’).
Hoewel er geen sprake is van een citaat, kan het verhaal van Johannes over de reiniging van de tempel wel degelijk gekoppeld worden aan een tekst in het Oude Testament, namelijk de allerlaatste zin van het boek Zacharia: ‘Op die dag zal er geen handelaar meer zijn in het huis van jhwh’ (Zach. 14,21). Het is een messiaans perspectief dat alle volken jaar in, jaar uit naar Jeruzalem komen om jhwh te eren en het Loofhuttenfeest te vieren.

Literatuur
Dr. J. Wijngaards, Vazal van Jahweh (Bibliotheek van boeken bij de Bijbel), Baarn 1965
M. Menken, ‘Citaten uit het Oude Testament in het evangelie van Johannes’, in: G. Van Belle (red.), Het Johannesevangelie. Woorden om van te leven, Leuven/Amersfoort 1995, 71-86, m.n. 77-79

 

Preekvoorbeeld

Als je gasten krijgt, zorg je dat de boel thuis aan kant is. Dat het huis is opgeruimd, en vooral dat er een gastvrije sfeer heerst. Je hoopt toch immers dat jouw gast zich bij jou thuis zal voelen.

Zo moet er ook een gastvrije sfeer heersen in het huis van God. Bij hem immers zijn alle mensen welkom. Toch is dat niet altijd zo, zoals Jezus en zijn leerlingen ervaren in het evangelie van vandaag. Ze gaan de tempel van Jeruzalem binnen en bij het zien van wat zich daar allemaal afspeelt, geloven ze hun ogen niet. De hele voorhof is vergeven van de geldwisselaars en veehandelaren die daar hun handeltje drijven waarmee ze pelgrims geld uit de zak proberen te kloppen. Met hun op winst beluste bedrijvigheid onttrekken ze aan het zicht waar het op deze plaats eigenlijk om gaat: de eredienst aan God. Maar vooral doen ze vergeten dat God gastvrij is en dat hij in de tempel een ruimte wil scheppen die vrij is van alle zucht naar gewin.

De eerste lezing, uit het boek Exodus, is wat dit betreft een belangrijke vingerwijzing. Het is een verfrissende stap terug in de tijd, toen het volk nog geen vaste woonplaats had, laat staan dat er een vaste woonplaats was voor God. Hier in de woestijn stelt God huisregels op, die een richtsnoer voor het volk moeten vormen zodra ze zich in het land Israël hebben gevestigd. Historisch moet men dit misschien een beetje met een korrel zout nemen, omdat de tekst ontstaan is in de tijd dat het volk al lang en breed in het beloofde land woonde. Maar het reeds lang gesettelde volk houdt zichzelf met het beeld van een God die huisregels uitvaardigt terwijl ze nog onderweg zijn, blijvend een spiegel voor. Dit om het eigen bestaan te toetsen aan datgene waarom het God, die hen bevrijdde uit de slavernij, allemaal begonnen is. In de eerste lezing vinden we daarvan de uitwerking, culminerend in wat we de Tien Geboden of de Tien Woorden noemen.

Maar als mensen eenmaal gesetteld zijn, zowel geestelijk als fysiek, gaat het vaak mis. Dat maakt het evangelie op pijnlijke wijze duidelijk. De beroemde tempel, het centrum van de Joodse wereld en het huis van God voor de volken, is een verlengstuk van de markt geworden. De hartstocht voor zijn huis, waarover de dichter van Psalm 69 spreekt, heeft plaatsgemaakt voor de hartstocht voor het eigen gewin. Dat is waar Jezus zich geweldig over opwindt. Als het huis van God al geen plaats meer is waar mensen onvoorwaardelijk bij hem te gast mogen zijn, dan is het slecht gesteld met het volk.

Van de tempel, Gods huis, loopt een draad naar het huis van de menselijke ziel. Als we God willen ontvangen, moet het huis van onze ziel schoon en opgeruimd zijn. Niets liever immers wil hij dan bij ons zijn intrek nemen. Maar dan moet hij wel naar binnen kunnen, en daarom moet binnen alles in het teken staan van gastvrijheid. Helaas is dat lang niet altijd het geval. Soms staat de tempel van onze ziel zo vol met allerlei misplaatste zaken dat het voor God onmogelijk is om er binnen te komen. De deur kan niet meer open, of er is binnen geen ruimte meer. Logisch dat als we op deze manier leven, God niet binnen kan komen.

Maar natuurlijk hoeft het lang niet altijd zo te gaan. Veel mensen zijn van goede wil en willen niets liever dan dat God bij hen komt wonen. We kunnen echter ook een té goede gastheer of gastvrouw willen zijn. Door te denken dat we ons tot het uiterste moeten uitsloven door uit te blinken in vrome praktijken om hem te kunnen ontvangen, houden we de deur ook dicht voor hem. Onbewust zijn we dan aan het handelen met God. Dan lijken we op de kooplui die Jezus uit de tempel wegjaagt: de duivenverkopers, de veehandelaren en de geldwisselaars. Jezus zegt: Ruim dat allemaal op! God heeft de ziel van de mens gemaakt als een plaats waar hij alleen met ons wil wonen. Weg dus met alles waar hij over kan struikelen, zelfs als er een sfeer van vroomheid omheen hangt.

Betekent dit dat we dan maar niets meer moeten doen en moeten wachten tot we een ons wegen? Nee. Om God binnen te laten komen, moeten we hem wel uitnodigen. Allereerst door ons niet mooier voor te doen dan we zijn. Soms zijn we letterlijk en figuurlijk zo opgeruimd dat we een al gastvrijheid zijn. Maar soms ook heeft het huis van onze ziel achterstallig onderhoud, is het er somber en bedompt, zitten er scheuren in de muren en gaten in het dak. Soms voelen we onszelf niet meer thuis in het huis van onze ziel, omdat we eenzaam zijn, verdrietig, angstig of van onszelf vervreemd.

In dat geval mogen de huisregels die God zijn volk gaf ook ons tot richtsnoer zijn. Ze zijn immers bedoeld om de wereld waarin we leven bewoonbaar te maken, te beginnen met onze binnenwereld. Dat ze ons mogen helpen om het huis van onze ziel tot een echt thuis te maken, opdat we er samen met God mogen wonen.

 

inleiding prof. dr. Panc Beentjes
preekvoorbeeld drs. Victor Bulthuis

 

webdesign: Artis