4 februari 2018
Vijfde zondag door het jaar

Lezingen: Job 7,1-4.6-7; Ps. 147; 1 Kor. 9,16-19.22-23; Mar. 1,29-39 (B-jaar)

 

Inleiding

Job 7
Zo arm als Job, een jobstijding ontvangen… uitdrukkingen die zich in ons taalgebruik genesteld hebben. Dat heeft de figuur Job uit het gelijknamige Bijbelboek niet zozeer te danken aan de frequentie waarmee hij voorkomt in het bijbels leesrooster (op de zondagen slechts tweemaal in de drie jaar), als wel aan de beeldende inhoud van zijn verhaal. Hij is een welgestelde en vrome gelovige, die ondanks alle ellende die hem overkomt zijn vertrouwen op de Heer niet verliest.
We moeten het boek niet lezen als een verslag van een werkelijk gebeurde historie. Dat mag al duidelijk zijn aan het begin van het boek. God vraagt satan, een van de hemel-bewoners, om te rapporteren over Job, een van zijn trouwste dienaren. Dat Job trouw is, zal satan niet ontkennen. Maar volgens hem komt dat doordat Job zo welvarend is: alles zit hem mee. Hij krijgt dan ook tot tweemaal toe toestemming van God om Job te treffen: eerst worden hem al zijn bezittingen en kinderen afgenomen, daarna wordt hijzelf getroffen door een pijnlijke huidziekte. In deze desolate toestand treffen zijn vrienden hem aan. Aanvankelijk weten ze niet meer te doen dan mee-lijden, woorden schieten tekort. Zeven dagen zitten ze zwijgend bij elkaar (Job 2,13).

Is er een antwoord?
Daarna klinkt een klacht van Job waarmee hij zichzelf en zijn bestaan vervloekt en vervolgens ontspint zich een reeks van redevoeringen waarin ieder van de vrienden verwoordt wat er volgens hem aan de hand is en waarop Job dan weer reageert. Het zijn monologen die samen een soort dialoog zijn, waarin verschillende visies op het nut en de oorzaak van Jobs lijden, of beter gezegd hét lijden, gegeven worden. Hierin blijkt het literair genre van dit boek: wijsheidsliteratuur, waarin ervaringen en vraagstukken van het leven doordacht en onder woorden worden gebracht. Met name de reactie van God op Job, aan het einde van dit boek (Job 38–41) weerspiegelt dit genre.
De lezing deze zondag bestaat uit een stukje uit een toespraak van Job. Hij brengt onder woorden hoe nutteloos zijn leven is: een mensenleven is slavendienst, leeg, is voorbij voor je het weet en eindigt in het niets (7,2-6). Gedachten die aan Prediker doen denken. Deze verzuchtingen brengt hij voor God, blijkt uit de verzen ná deze lezing. Ondanks zijn klagen en zijn onbegrip over zijn rampspoed heeft Job het contact met God niet verbroken. Satan delft derhalve het onderspit, Job laat God niet los. En God Job niet: het eind van het boek beschrijft hoe Job de rest van zijn lange leven rijker dan ooit gezegend is.

1 Korintiërs 9
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Marcus 1 – De goede boodschap
De evangelielezing geeft een hoopvol perspectief voor het lijden in deze wereld: de goede boodschap van het koninkrijk van God dat nabij is (Mar. 1,15). Johannes de Doper verkondigt het; in Jezus wordt het zichtbaar. Het evangelie van Marcus is pas achtentwintig verzen lang als de lezing van deze zondag begint, maar er is al een hoop gebeurd. Allereerst de grootse proclamatie: begin van ‘het evangelie van Jezus Christus’. Dat is niet: het begin van dit (evangelie)boek, maar de aanvang van ‘het goede nieuws’ (vgl. Jes. 52,7). Vervolgens de doop van Jezus en de stem die de vreugde over deze geliefde Zoon uitroept, de beproeving door satan, de roeping van de broers Simon (Petrus) en Andreas en Johannes en Jakobus, Jezus’ optreden in de synagoge, zijn macht over de boze geesten: het zijn even zovele tekenen van dat koninkrijk van God.
Door de vaart van het verhaal benadrukt Marcus de urgentie van deze goede boodschap. Hij gebruikt zeer frequent, en dat typeert zijn hele evangelieverhaal, het woordje ‘gelijk, onmiddellijk’ (Grieks euthus), in de vertaling terug te lezen als bijvoorbeeld ‘meteen’, ‘de eerste de beste sabbat’ en ‘regelrecht’, in de eerste zin van het evangelie van vandaag (Willibrordvertaling 1995, ‘rechtstreeks’ in de NBV).

Een dag in Kafarnaüm
Deze lezing maakt deel uit van wat wel ‘een dag Kafarnaüm’ genoemd kan worden. Jezus is een wetsgetrouwe jood en woont op sabbat de dienst in de synagoge bij, en leert daar ‘met gezag’ (1,22.27). Bovendien beveelt hij een onreine geest uit een daar aanwezige man weg te gaan. Een wonderlijke gebeurtenis, want wat doet een ‘onreine’ in de synagoge? Maar Jezus léért niet alleen met gezag: hij hééft ook gezag, want de onreine geest gehoorzaamt hem.
De reinigende en genezende aanwezigheid van Jezus wordt voortgezet in het huis van Simon (Petrus). Zijn zieke schoonmoeder staat, nadat Jezus haar hand pakt, gezond op van haar ziekbed. Na de uitdrijving van de onreine geest ging Jezus’ faam als een lopend vuurtje door Galilea (1,28), hier in de beslotenheid van het huis is de reactie op de genezing ‘dienen’. ‘Dienen’ zoals de engelen Jezus ten dienste staan (1,13). Verkondigen en dienen: het zijn de pijlers van het ‘goede nieuws’, de nabijheid van Gods koninkrijk.
Gezien de setting van de eerste gebeurtenis vandaag: ‘in de synagoge, op sabbat’, zal Jezus de sabbatsrust niet verstoord hebben en ligt het huis van Simon (Petrus) dicht bij de synagoge. Maar na zonsondergang is de sabbat voorbij. Dan stromen de mensen met hun zieken en degenen die lijden onder de demonen toe. En Jezus geneest hen.

Iedereen zoekt u
Merkwaardig genoeg krijgen de demonen de opdracht te zwijgen, hoewel ze, volgens de evangelist, wisten ‘wie Jezus was’ (1,25.34). Waarom? Als het Marcus erom te doen is het evangelie van Jezus aan de wereld bekend te maken, waarom dan hier de nadruk op het zwijgen?
Zouden deze geesten moeten zwijgen omdat zij Jezus te snel, te gemakkelijk aanwijzen als ‘de Heilige Gods’ (1,24) en daarmee voorbijgaan aan de weg die gegaan moet worden, de weg die het koninkrijk naderbij brengt? Want díe goede boodschap, de verkondiging in woord en daad, woord en genezing, van het koninkrijk van God dat nabij is, is topprioriteit (1,1.15). Dat blijkt ook de volgende ochtend. Vroeg in de morgen, nog voor het licht is, is Jezus aan het bidden. Alleen, maar lang duurt dat niet. Simon en de zijnen gaan hem achterna, vinden hem en dan spreekt Simon de simpele maar veelzeggende woorden ‘Iedereen zoekt u’ (1,37). Dat is de essentie van dit evangelie: Jezus zoeken. Wie hij is, zal duidelijk worden via de weg die hij gaat. Een weg die allereerst voert naar de synagogen in Galilea, waar hij verkondigt. En elke demon wordt eruit gegooid (1,39). Een weg die ook gaat tot in Jeruzalem. Want weer is het dan vroeg in de ochtend, op de eerste dag van de week (Mar. 16,2). Nu gaat de zon op: het is licht. De vrouwen, die Jezus dienden (15,41, NBV zorgen; Willibrordvertaling ’95 onderhouden), zoeken Jezus, de gekruisigde (16,5). De in wit geklede man in het graf geeft hen een boodschap mee voor de leerlingen: ze zullen hem zien, want hij gaat hen voor naar Galilea. Van schrik zeggen de vrouwen niets (16,8). Hier past alleen stilzwijgen. Maar het goede nieuws moet verkondigd worden. Daarom zal dit oorspronkelijke slot van het Marcusevangelie niet het einde zijn: uiteindelijk zal het evangelie (16,15) verkondigd worden en worden demonen uitgedreven, zijn slangen niet dodelijk meer en worden zieken genezen (16,17-18). Als dat geen goed nieuws is…

 

Preekvoorbeeld

Vroeger, in mijn schooltijd, was er aan het eind van het schoolkamp een bonte avond met schimmenspel. In een donkere zaal, een wit laken gespannen voor een felle bureaulamp, verschenen enkele schimmen op doek. Stemmen spraken, maar je ‘zag’ het niet.
Ik moest eraan denken, bij de lezing uit Job. Een wonderlijk schimmenspel lijkt te worden opgevoerd. Eerst verschijnt in het goddelijk licht de kwaadaardige schim van de satan. Wat heeft die daar te zoeken, die kwade genius?
Hij plaatst Job in een kwaad daglicht. ‘Job, die is gewoon een econoom, hij gaat voor de winst. Neem hem de winst af, en hij zal u wel de rug toekeren!’ En Job wordt getroffen, eerst in bezit en voorspoed, dan zelfs in zijn kinderen en zijn lichaam.
Wat heeft die satan te zoeken in het goddelijk licht? Maar hij is er, zoals het kwaad er is in de wereld. Het doek van dit schimmenspel is niet een schoon laken, het is het gore, vieze laken van vuil, ziekte en ellende in de wereld. Het donkere doek, dat ons doet uitschreeuwen ‘God, waarom?’ en waar doorheen je enkel misvormde schimmen ziet en hoort: de zogenaamd wijze betogen van de vrienden van Job, die zo goed weten hoe de wereld en de goddelijke werkelijkheid in elkaar steken. Alle waanwijsheid der eeuwen wordt door hen te berde gebracht als ‘troost’: ‘God weet alles beter, eind goed al goed’, ‘Je zult wel een stiekeme zondaar zijn want Gods rekensommetje klopt altijd’. ‘Toon nou maar berouw’, enzovoort, enzovoort. Zij, de commentatoren bij het nieuws, weten achteraf altijd precies hoe het komt en wie de schuld heeft. Hun vinger wijst altijd naar de ander.

Het boek Job is wijsheidsliteratuur. In de vorm van een verhaal wordt de vraag naar het kwaad aan de orde gesteld. Als vraag ons bekend in het vaste argument: ‘Als er een God is, hoe kan hij dit dan toelaten?’ En voor we er erg in hebben laten we ons verleiden tot allerlei argumentatie, die niets oplevert, net zoals de vrienden van Job.
Maar de werkelijkheid van het kwaad, van de ellende leent zich niet voor filosofische beschouwingen. Job schreeuwt het uit.
We hebben maar een klein stukje gelezen van zijn wanhoop en proefden daarin het essentiële verschil: Job praat niet over God, Job richt zich tot God. In een grote klacht en aanklacht ‘Heer, ontferm u! Het is niet eerlijk, het klopt niet, maar u laat ik niet los!’
Job weigert schim te zijn in een waanwijs spel, hij waagt het om God in het gezicht te kijken. Wie kan dat doorstaan?
Het is veel hoofdstukken verder, alle onwijze sprekers voorbij, als God zelf Job antwoordt. Niet in de vorm van een goddelijke uitleg, die wel zou kloppen. Integendeel. Even scheurt het vuile laken open en onverdraaglijk blijkt dan het licht: ‘Job, mensenkind, de vraag naar het kwaad is vele malen te groot voor jou. Meen niet, dit te kunnen beargumenteren.’
Job buigt en erkent ‘Nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd’. Geen sluitend antwoord, wel de ervaring van heilige overmacht, groter dan het kwaad. Even, op Jobs klacht, scheurde het gore laken open.
?Jezus Christus, Gods licht in eigen persoon. Waar hij verschijnt breekt het Godsrijk even door, zoals bij de man in de synagoge. Levend toonbeeld lijkt die hier van de vraag naar het kwaad. Kwaad, dat niet met God te verenigen valt, kwaad dat lijkt te stuiptrekken in het licht. De ‘boze geest’ wordt uitgedreven én het zwijgen opgelegd.
Jezus lijkt huiverig voor voortijdige getuigenissen, alsof hij dan ingepakt kan worden in onze onwijsheid, onze betweterij, onze vrome gedachten of waanwijze beschouwingen. Jezus onderschat de klacht van Job en Jobke niet, als ze bij hem gebracht worden. Hij kent hun pijn, hij hoort hun kyrie eleison (Heer, ontferm u). Zelf zal hij, net als Job, in uiterste nood Gods afwezigheid aanklagen.
Paaslicht, het licht van Gods overweldigende heiligheid, groter dan het kwaad, breekt niet door op een koopje. De hele weg zal Jezus gaan, de hele klacht zal hij zich eigen maken, want van binnenuit zal hij het gore laken openscheuren. Zo staat hij, als Gods licht in levende lijve, naast de getroffenen, de lijdenden. Niet een beschouwing over het kwaad in de wereld, helpt het kwaad de wereld uit, slechts de mens naar Gods hart die in het kwaad vasthoudt aan Gods overweldigend licht.
‘Het rijk van God is nabij’, je ziet het wanneer het licht door de scheur heen komt, wanneer – al was het maar even – lijden, pijn en dood op de vlucht worden gejaagd.
Niet vrome beschouwingen ‘wij weten wel hoe het zit’, worden van ons gevraagd. Dat is de taal van de dwazen en de boze geest. Wel de volharding van Job. Hij liet, net als Jezus, God niet los en God laat hem niet los.
Job en Jobke (in het Fries is Jobke de vrouwelijke vorm van Job), houd vol, hef je hoofd op, Gods rijk is nabij.

 

inleiding dr. Joke Brinkhof
preekvoorbeeld ds. Rinske Nijendijk-Cnossen

webdesign: Artis