31 maart 2018
Paaswake

Lezingen: Gen. 1,1(26-31a)-2,2; Ps. 104 (Ps. 33) – Gen. 22,1-(-2.9a.10-13.15-)-18; Ps. 16 – Ex. 14,15-15,1; Ex. 15,1-6.17-18 – Jes. 54,5-14; Ps. 30 – Jes. 55,1-11; Jes. 12,2-6 – Bar. 3,9-15.32-4,4; Ps. 19 – Ez. 36,16-17a.18-28; Ps. 42-43 (Ps. 51) – Rom. 6,3-11; Ps. 118; Mar. 16,1-8 (B-jaar)

 

Inleiding

Genesis 1,1–2,4a
In het loflied op de schepping dat Genesis 1–2,4a is, blijft één zaak doorgaans onderbelicht. Als vanzelfsprekend nemen we aan dat de schepping van de mens het hoogtepunt vormt. Er is wel iets voor te zeggen: terwijl de vissen en landdieren ‘naar hun soort’ worden geschapen, is de mens ‘naar Gods beeld en gelijkenis’ geschapen. Wat meer is: God spreekt de zegenwens om vruchtbaar en talrijk te worden over de dieren uit; bij de mens spreekt God tot hem / haar. Hierin is een fundamenteel onderscheid tussen mens en dier gegeven. Nu is juist onze tijd nogal kritisch ten opzichte van superioriteitsclaims van de mens, en terecht. Om die te bestrijden wordt de mening wel gehoord dat de mens ‘ook maar een dier is’. De schepping spreekt echter niet over een vrijbrief voor de mens om maar te doen wat hem goeddunkt, maar om een bijzondere verantwoordelijkheid. Dat wordt zowel in het beeld en gelijkenis van God zijn, als in het aangesproken worden duidelijk. Deze waardigheid houdt een opdracht in, die de dieren nu eenmaal niet van de mens kunnen overnemen! De solidariteit tussen mens en dier is echter in de bijbelse visie evident: beiden zijn partners in het verbond dat God met Noach sluit.
Dit geheim is echter al in het loflied op de schepping gegeven: het is namelijk niet de zesde dag, maar de zevende dag die de kroon op de schepping vormt. En wat gebeurt er op die zevende dag? Niets! Het is een vrije dag waarop mens én dier, ja heel de schepping op adem mag komen. God zelf legde zijn werk neer op de zevende dag. Hij staakte, Dat is een aanstootgevende gedachte voor filosofen die dat te weinig verheven vinden, maar het is een diepe waarheid voor de schepping. Op de zevende dag volgt de schepping God zelf na.
Er wordt in de Bijbel nog een andere motivatie gegeven voor het houden van de sabbatdag, een motivatie die niet minder actueel is voor onze tijd, waarin het werk zo belangrijk lijkt te zijn geworden dat je zonder dat in de ogen van de maatschappij eigenlijk niets betekent.
De Tien Woorden zeggen het: ‘gedenk de sabbat om die te heiligen. Zes dagen zal je werken en de zevende dag is een dag voor de Heer je God waarop je geen enkel werk zult doen, jij, je zoon, je dochter, je slaven en slavinnen, je vee en de vreemdeling binnen de poorten’ (Ex. 20,8; Deut. 5,12). Er is dus zowel een reden vanuit de schepping als vanuit de Exodus, een transcendente en een sociale dimensie. Elke week wordt met de sabbat de slavernij in Egypte herdacht; de Pesachviering eens per jaar is in het bijzonder hieraan gewijd.

Exodus 14,15–15,1
De lezing uit Exodus 14,15–15,1 concretiseert de bevrijding uit de slavernij als het fundamentele verhaal van de identiteit van Israël. Het begint evenwel met een eigenaardige episode. Het lijkt erop dat Mozes wat al te vroom zich tot God wendde voor bevrijding uit de benauwenis. Het lijkt er op dat Mozes God verantwoordelijk stelt voor de bevrijding: ‘De Heer zal voor u vechten’ (14,14). Maar het afleggen van een slavenmentaliteit bij de Israëlieten, inclusief bij Mozes zelf, is toch echt noodzakelijk. Daarom zegt God: ‘Wat roep je tot mij? Zeg tegen de kinderen van Israël dat ze optrekken!’ Het zal niet de laatste keer zijn dat de mens God ter verantwoording roept en daarmee zijn eigen verantwoordelijkheid ontloopt.
Dan volgt de beschrijving van de doortocht door de Rode Zee, waarbij menigeen de indrukwekkende beelden van de film The Ten Commandments op zijn netvlies zal hebben staan. Uit de kolkende massa rijzen twee muren van water op en de Israëlieten gaan er droogvoets doorheen. De Bijbel is hier soberder en duidt een natuurlijk verschijnsel als een goddelijke mogelijkheid tot bevrijding: ‘De Heer liet door een krachtige oostenwind de zee terugwijken gedurende heel de nacht en maakte droog land en de wateren werden gedeeld’ (Ex. 14,21). Dat Mozes op datzelfde moment zijn hand over de zee uitstrekt kan wellicht als een staaltje van goed leiderschap worden gezien; het toont eens te meer aan hoe belangrijk de samenwerking tussen God en mens is.
De engel van God die in de Hebreeuwse Bijbel het actieve handelen van God zelf op aarde symboliseert wisselt van plaats en beschermt het volk nu van achteren en hetzelfde geldt voor die andere aanduiding van Gods aanwezigheid: de wolk / vuurkolom.
Een bijzondere aandacht verdient de apotheose, waarbij de Egyptenaren dood op de oever liggen en de Israëlieten een loflied aanheffen. Een bijzondere plaats komt hierbij toe aan Mirjam en haar tamboerijn (Ex. 15,20), die een hele stoet vrouwen in dans meevoert. Deze tekst heeft sommige kerkvaders (met name van oosterse signatuur) op het idee gebracht dat vrouwen een belangrijk aandeel in de liturgie horen te hebben.
‘Het volk geloofde in God en in zijn dienaar Mozes en zij zongen een lied.’ Stoutmoedig verklaart de rabbijnse uitleg: ‘In Mozes geloven staat gelijk met in God geloven’, en ook: ‘wie één gebod met overtuiging houdt ontvangt de Heilige Geest’. Hoe komt die uitleg daarbij? Heel eenvoudig: wie zingt moet wel bezield zijn van de Heilige Geest!
Toch blijft nog één kwestie knagen: mag er wel gezongen worden als de Egyptenaren, – toegegeven, de beulen – dood op de oever liggen? Inderdaad vertelt het verhaal dat de engelen een lied willen aanheffen en dat God hen berispt: ‘hoe kunnen jullie zingen als Mijn schepselen ten onder gaan?’ Toch wordt de Israëlieten niet het zwijgen opgelegd! Zij zijn immers de directe slachtoffers van de onderdrukking en vernedering geweest en hebben aan den lijve alle pijn ondergaan en de dood van hun geliefden moeten meemaken. De engelen zijn daarentegen slechts toeschouwers.

Marcus 16,1-8
Het evangelie van Marcus 16,1-8 bevat de kortste weergave van het verrijzenisverhaal. Ook hier gaat het om verlossing: heel de verrijzenis staat in het teken van het Paasfeest. De bevrijding uit duisternis en dood zet zich voort in het bevrijdend handelen van God die Christus uit de benauwenis van de dood tot het leven voert. En passant horen we hoe de vrouwen de sabbatsrust respecteren en pas na het einde daarvan naar het graf gaan, ‘op de eerste dag’. We hebben daaraan de zondag als onze rustdag te danken, alhoewel er ook christenen zijn die de sabbat blijven houden.
Het gedenken van de bevrijding uit de slavernij maakt echter geen plaats voor de opstanding: zonder de sociale dimensie van bevrijding die door Jezus en zijn leerlingen met zoveel overtuiging is gevierd, wordt de opstanding tot een louter geestelijk gebeuren zonder impact op de werkelijkheid. Het gaat hier om het leven vanuit Gods perspectief, waarin onderdrukking en dood zijn overwonnen: alle onderdrukking die dat verduistert dient te worden weggenomen.
De getuigenissen van de opstanding hebben in de verschillende evangelies een verward karakter, maar zoveel is zeker: de vrouwen hebben er het grootste aandeel in en betonen zich waardige dochters van Mirjam! Geen wonder dat Maria (Mirjam) van Magdala later wel apostel der apostelen is genoemd: zij was het immers die de opstanding aan haar broeders verkondigde, al werd ze niet geloofd (Joh. 20).
De opdracht van de verrezen Christus aan zijn volgelingen, dus ook aan ons, is intussen indrukwekkend en zou iedere christen weer moed en kracht kunnen geven. De volgelingen van Jezus hoeven niet weg te schuilen uit vrees voor de buitenwereld: nee, zij hebben veel te bieden, hun handoplegging geeft nieuwe kracht, zij kunnen met allerlei mensen spreken, zelfs met vreemdelingen, en in de naam van Jezus zullen zij kwade machten kunnen verdrijven en mensen kunnen bevrijden van hun bezetenheden. Voorwaar een nalatenschap om trots op te zijn.

 

Preekvoorbeeld

‘Ze vroegen zich af, wat dat opstaan uit de doden toch mocht betekenen.’ Die vraag uit het evangelie is ook een vraag uit 2018: ze werd gesteld door apostelen toen, ze wordt gesteld door ouderen en jongeren nu.

Jezus leeft, zegt onze geloofsbelijdenis. Zeker, zeggen sommigen: Hij leeft voort in de herinnering, al tweeduizend jaar lang. Is het dat, wat verrijzenis betekent? Het is natuurlijk niet niks – tweeduizend jaar lang herdacht worden, tweeduizend jaar lang troosten, tweeduizend jaar lang uitdagen. Hij moet wel heel bijzonder geweest zijn. Maar is het dat, wat bedoeld wordt met de vreugdekreet, waarmee de apostelen de wereld in getrokken zijn? Ik denk het niet.
Op de eerste plaats, omdat Pasen dan nauwelijks geloof vraagt: dat Jezus nog steeds herdacht wordt, dat kun je gewoon zien.
Op de tweede plaats omdat je dan zou moeten zeggen, dat Jezus op dit moment stervende is: er zijn minder mensen die zich hem herinneren. Laatst vroeg een jongere me: Pasen, wat is dat eigenlijk voor feest?
Op de derde plaats, omdat het eeuwig leven, het voortleven dan iets zou zijn, dat groten en machtigen en gruwelijke misdadigers dan beter zou lukken dan gewone mensen. Jezus, Franciscus en Augustinus, die leven nog voort in de herinnering, maar ook Nero, Hitler, Stalin, Mao... Maar mijn oma niet. Mijn vader en moeder wisten nog van haar, maar die zijn nu zelf dood; ik heb haar niet gekend.

Nee, ‘Jezus is verrezen’, dat moet betekenen, dat er met de gestorven Jezus iets is gebeurd. Maar wat dan? En ja, dan begint het stotteren: dat weten we eigenlijk niet precies. De Schrift vertelt er niets over, wat er deze nacht is gebeurd. In het evangelie van zonet zijn we eigenlijk al te laat: de nacht is voorbij, de morgen is begonnen en de nacht geeft haar geheim niet prijs. We hebben wat draadjes in handen: er zijn vrouwen bij een leeg graf; er zijn apostelen, die vertellen van verschijningen; er zijn nog steeds christenen, die zeggen dat ze zijn aanwezigheid in hun midden aanvoelen. En al die draadjes voeren naar dat donkere gat in de nacht, naar dat punt ‘x’. Daar moet de knot wol liggen, waarvan wij die draadjes vast hebben, maar de knot wol zien we niet. Dat punt ‘x’, het moet iets met God te maken hebben, lijkt het. God heeft iets gedaan met Jezus, zeggen de apostelen: Hij heeft het oordeel van de hogepriesters en van Pontius Pilatus omgekeerd. Die zeiden: Hij is schuldig aan godslastering, aan poging tot opstand. En God heeft gezegd: Leef voor mijn Aangezicht, je bent Mijn Zoon. Zoiets. Voor de rest hebben we alleen maar beelden voor ‘x’, voor wat er met Jezus gebeurd is: opstanding, ontrukking, nieuw leven, verrijzenis.

Maar weten we dan zeker, dat er in dat donkere gat echt een knot wol ligt en niet niks? Kun je dat bewijzen? Nee. Dat is niet te bewijzen. Het lege graf is geen bewijs: het is een teken van het geheim, maar geen bewijs. Je kunt er ook andere verklaringen voor geven. Dat het lijk geroofd is bijvoorbeeld: dat zeggen de soldaten (Mat.  28,11-15). Of volgens de moslimtraditie: dat voorafgaand aan de kruisweg Allah de beeltenis van Jezus over een andere persoon (Judas) heeft gelegd, die werd gekruisigd, terwijl Allah na deze opmerkelijke persoonsverwisseling Jezus tot zich ophief in de hemel. Of dat er een aardbeving is geweest en dat zijn lijk tussen de aardschollen is verdwenen... Ja, of dat God éénmaal heeft gedaan, wat hij zo nog nooit had gedaan. En die verschijningen aan de leerlingen, dat is ook geen bewijs: het is wel een teken van het geheim, maar geen bewijs.
Op Pasen wordt van ons geloof gevraagd: we hebben alleen maar wat losse draadjes in handen. We mogen geloven, dat die draadjes ons in handen zijn gegeven door God. We mogen geloven, dat deze mens door de dood is heen gegaan, zoals eens het Joodse volk door de Rode Zee heen trok. Dat hij zelf leeft en in ons midden is. En dat dat er een teken van is, dat recht doen en echt liefdeleven sterker is dan de dood. Want dat was toch zijn leven: recht doen, liefde leven, aanbidding van God. Dat te mogen geloven, is een vreugde. Ik bedoel dit: als mij verteld zou worden, dat Hitler weer leeft, dan zou ik schrikken. ‘Nee toch’! Maar als me deze nacht gezegd wordt, dat Jezus Christus leeft, dan is dat blijde boodschap. Ja, die mag leven, die mag in ons midden zijn, die wil ik wel eten en drinken.

Dat donkere gat in de nacht tussen zijn kruisdood en die morgen, dat de vrouwen naar het graf trokken, misschien is het wel één groot licht: een groot licht in de nacht. Het lijkt donker, als je erin kijkt, zoals het je ook donker voor de ogen wordt, als je te lang in de zon kijkt. Misschien moet je er ook niet te lang naar kijken. Misschien moeten we kijken naar elkaar, naar het brood en de beker daar op het altaar, naar onze wereld en dan kijken, of we in het licht van Pasen daar iets kunnen herkennen van hem. Wie in het licht van deze nacht naar onze wereld kijkt, kan daar veel van hem herkennen: van zijn lijden en van zijn verrijzenis. En wie hem herkent, die mag lachen, liefhebben en met vreugde zeggen: Jezus leeft, hij is verrezen. Dat geve God. Zalig Pasen.

 

inleiding prof. dr. Marcel Poorthuis
preekvoorbeeld prof. dr. Jozef Wissink

 
webdesign: Artis