30 maart 2018
Goede Vrijdag

Lezingen: Jes. 52,13–53,12; Ps. 31; Heb. 4,14-16; 5,7-9; Joh. 18,1-19,42

 

Inleiding

De oudtestamentische lezingen in de Goede Week laten zien hoe de gebeurtenissen van Jezus’ laatste dagen in Jeruzalem ingebed zijn in het beste van Israëls bevrijdende en profetische traditie. Op Witte Donderdag het joodse paasfeest als het religieuze kader van de laatste maaltijd van de Heer met zijn leerlingen. Op Goede Vrijdag de profetie van de Knecht des Heren waarin de kerk al vroeg het leven en werken van Jezus Messias herkend heeft. In de Paaswake de doortocht door de Rietzee als metafoor voor Jezus’ doortocht door de dood naar het leven van de verrijzenis. Het zijn de grote en sterke verhalen uit de geschiedenis van het volk van God. We kunnen deze achtergrond eigenlijk niet missen voor een goed begrip van de teksten uit het evangelie.

Jesaja 52,13–53 De knecht des Heren
De profetenlezing staat bekend als de laatste van de vier zogeheten Liederen van de Knecht des Heren. De drie voorgaande liederen vinden we in 42,1-9; 49,1-7 en 50,4-11. De precieze omvang van deze liederen staat ter discussie. Zo laten vele uitleggers in hoofdstuk 42 het eigenlijke lied al ophouden met het vierde vers. De vier profetieën van de Knecht des Heren vertonen in hun voortgang een bepaalde lijn, die de zware weg van de knecht duidelijk uit de verf laat komen. Een vraag is ook of de liederen oorspronkelijk, voordat ze werden opgenomen in (dit deel van) het boek Jesaja, een eigen bestaan hebben geleid. Hoe dan ook, deze vier liederen zijn van grote invloed geweest op de voorstelling van het lijden en sterven van Jezus.
Op vele plaatsen in het Nieuwe Testament vindt men aanhalingen of toespelingen op het vierde knechtslied, zo ook in het Johannesevangelie (bijv. 12,38 en 19,9). Dit lied vormt één van de meest becommentarieerde teksten uit het Oude Testament. De veelheid aan interpretaties van deze tekst komt vooral voort uit de vraag naar de identiteit van deze Ebed Adonai: over wie spreekt de profeet hier (vergelijk Hand 8,34)? Doelt Deutero-Jesaja hier op een historische of op een toekomstige figuur, en bovenal: wat is de rol van de knecht in het goddelijk heilsplan?
Wat betreft de mogelijkheid dat het hier een historische figuur betreft, heeft men wel gedacht aan die profeten en koningen wier leven door het lijden getekend was: de profeet Jesaja, Deutero-Jesaja zelf, Jeremia en Baruch, maar ook de vorsten Uzzia, Hizkia, Josia, Jojakim en Zerubbabel. Bij een toekomstige figuur werd – ook in de joodse traditie – reeds vroeg aan een messiaanse gestalte gedacht. Daarbij speelde het thema van Israëls ballingschap (de Sitz im Leben van Deutero-Jesaja) een niet onbelangrijke rol: de taak van de Knecht des Heren is het terugvoeren van de ballingen naar Sion. Een voorbeeld van zo’n messiaanse interpretatie in de joodse traditie wordt aangetroffen in de Targum Yonathan op Jesaja 52,13v: ‘Zie mijn knecht, de gezalfde, zal voorspoedig zijn; hij zal verheven worden, toenemen en zeer sterk zijn. Zoals het huis van Israël vele dagen op hem hoopte – want hun verschijning was geschonden onder de volken en hun gestalte niet als die der mensenkinderen – zo zal hij vele volken verstrooien; koningen zullen om hem zwijgen en hun hand voor de mond houden.’ Tussen haakjes: het verhoogd worden van de knecht volgens Jesaja 52,13 wordt in het Johannesevangelie in verband gebracht met de dood die Jezus zou sterven aan het kruis: zie 3,14; 8,28; 12,32vv en 18,32.
Ook heeft men wel verondersteld dat het volk Israël als collectivum schuilgaat achter de Knecht des Heren. In dit verband wordt dan wel gewezen op 41,8; 44,21 en 49,3. Andere keren heet deze knecht ook Jakob (44,1v; 48,20; zie Gen. 32,29). Vergelijk bijvoorbeeld ook Hosea 11,1 waar God Israël zijn jongen/kind (Hebreeuws na’ar) en zoon noemt.

Terwijl in de andere liederen over de Ebed Adonai meer de nadruk ligt op het uitverkoren zijn van de knecht (zie de verzen die hierboven aangehaald werden; het Hebreeuwse woord bachar wordt ook gebruikt in verband met de Uittocht en Israëls uitverkiezing als volk in Deut. 7,6 en 14,2; zie verder Jes. 41,9v; 42,1.6; 49,7), komt in 52,13–53,12 het plaatsvervangend lijden van de knecht meer centraal te staan. Dit lijden treft de knecht evenwel niet als bij toeval, maar het komt voort uit een goddelijke beschikking (53,6.10). Deze thematiek doet denken aan de beproevingen die Job moet ondergaan en hoe dit lijden als het ware voorbeschikt was (zie Job 1,8; 2,3; 42,7v ‘mijn knecht Job’ en vooral 42,11 ‘al het lijden dat de heer over hem gebracht had’). Deze uitverkiezing van de knecht (zowel ten goede als ten kwade dus) functioneert binnen het grote thema van Deutero-Jesaja: de blijde boodschap van de uittocht uit de Babylonische ballingschap, een bewijs van Gods trouw aan zijn volk (40,1vv).

Hebreeën 4,14-16; 5,7-9 – Ontzag en gehoorzaamheid
De brieflezing bevat twee fragmenten uit de Hebreeënbrief waarin een zeker nadruk ligt op Christus als middelaar bij God. Christus is de verheven hogepriester die zonder enig voorbehoud met ons solidair werd omdat hij kon meevoelen met onze zwakheden. Zijn aanhoudend en innig gebed tot God werd verhoord vanwege zijn diep ontzag voor hem, wat niet betekende dat hij gespaard bleef voor het lijden en de dood. Juist zijn gehoorzaamheid aan God was daarbij van doorslaggevende betekenis. Nu is Christus zelf een bron van eeuwig redding voor allen die in navolging van hem de gehoorzaamheid betrachten.

Johannes 18,1–19,42 – Verhaal over het lijden
Het lijdensverhaal volgens Johannes vertoont in vergelijking met de synoptische traditie een geheel eigen ‘couleur locale’. Het is niet erg waarschijnlijk dat er sprake is geweest van een literaire afhankelijkheidsrelatie tussen de synoptische en de johanneïsche tradities op dit punt. Overeenstemming bestaat er ter zake van Jezus’ veroordeling tot de doodstraf door een Romeinse prefect, Pontius Pilatus. De ten laste gelegde beschuldiging betrof de aanspraak op de titel ‘Koning der Joden’ (Mat. 27,11; Mar. 15,2; Luc. 23,3; Joh. 18,33). Reeds de vorm van de terechtstelling wijst in de richting van de Romeinse bemoeienis: kruisiging was een Romeinse executiemethode, het jodendom kende immers de dood door steniging, een straf waar het joodse gerechtshof zich overigens zéér terughoudend in opstelde.
Moeilijker te beantwoorden is de vraag in welke mate de joodse autoriteiten van die dagen, verenigd in het Sanhedrin, daadwerkelijk betrokken waren bij de kruisdood van Jezus. Werd hij door de religieuze gezagsdragers onder valse voorwendselen uitgeleverd aan de Romeinse machthebbers omdat men zich op religieuze gronden van hem wilde ontdoen? In dat geval moet er haast wel sprake zijn geweest van gemeen spel om hem ook inderdaad uit te kunnen leveren aan de Romeinen. Deze stonden de overwonnen volkeren immers een grote mate van religieuze autonomie toe met als inzet de Pax Romana. Als de autoriteiten bij de Romeinse machthebber aannemelijk konden maken dat Jezus een reëel gevaar betekende voor de handhaving van de (politieke) rust in het land, konden zij slagen in hun opzet om Jezus uit de weg te ruimen. Het ware motief achter de uitlevering zou dan godsdienstig van aard geweest kunnen zijn, waarbij men kan denken aan blasfemie (Joh. 19,9). Werd de uitspraak van Jezus dat hij één was met de Vader (Joh. 10,30; 17,22) opgevat als een inbreuk op het strikt monotheïstisch karakter van de joodse overtuiging, zoals dat tot uitdrukking komt in het Sjema Israël (Deut. 6,4)? Meer algemeen zou men niet moeten uitsluiten dat met name de priesterlijke groeperingen rond de tempel van Jeruzalem (Sadduceeën en hogepriesters) zich wilden ontdoen van dit religieus enfant terrible dat zich zo kritisch uitgelaten had over instituut en hiërarchie (Joh. 2,13-22).

Een snelle lezing van Johannes’ relaas van de gebeurtenissen vóór en in het gerechtsgebouw zou de indruk kunnen wekken dat Pilatus uitsluitend handelt op instigatie van Jezus’ opponenten. Pilatus wordt dan gechanteerd om het doodvonnis uit te spreken omdat de religieuze autoriteiten zelf de competentie missen om iemand ter dood te brengen (18,31). Pilatus dus als een speelbal van de joodse leiders?
Toch lijkt dit niet erg waarschijnlijk. Pilatus had immers een rechtstreeks belang bij de hele gang van zaken, lees: de handhaving van de politieke status quo en de onderwerping van het Joodse volk aan Rome. Bovendien is bekend dat de Joodse filosoof Philo van Alexandrië, die Pilatus ook kende, getuigd heeft dat deze bepaald geen vredelievend heerser was. Bij zijn opsomming van de zeven zware misdaden die Pilatus tijdens zijn bewind in Judea begaan had, schrijft Philo dat hij zelfs mensen zonder enige vorm van proces ter dood liet brengen. Zou iets dergelijks ook niet het geval geweest kunnen zijn bij het ‘schijnproces’ dat geleid heeft tot de kruisdood van Jezus?
Men moet bovendien niet vergeten dat de tijd van ontstaan van het Johannesevangelie (eind eerste eeuw) ook getekend werd door een zeker streven van de vroege kerk om op goede voet te komen of te blijven met de Romeinse overheersers, en een eventuele beschuldigende vinger in die richting zal daar bepaald niet aan bijgedragen hebben. Het lijkt daarom niet uitgesloten dat Pilatus en de Romeinse autoriteiten bepaald niet vrijuit gaan bij de vraag wie er nu verantwoordelijk is geweest voor de dood van Jezus.

 

Preekvoorbeeld

De vier evangelies vormen een verhaal van licht, van warmte die ineens doordringt in onze menselijke geschiedenis. Er vallen woorden die wij niet gewoon zijn – zoals barmhartigheid, vergiffenis – woorden die hoop geven.
Er gaat een mens rond die zieken geneest, die zelfs doden doet opstaan. Hij vertelt geschiedenissen die niemand onverschillig laten: over een Vader die zijn weggelopen zoon thuis weer welkom heet; over een Samaritaanse reiziger die een uitgeschudde vreemdeling vol zorg onderbrengt. Kortom, het gaat over een mens ‘die al weldoende rondging’. Over een ‘goede boodschap’. Het lijkt wel of er een nieuwe wereld begint.

Maar wat zo hoopvol begint mondt uit in een somber verslag, het ‘passieverhaal’ dat wij vandaag lezen. Het gaat er, in het geval van Judas, over verraad en omkoperij. Jezus verschijnt voor de Joodse overheden en voor Pilatus. Hij wordt vermorzeld in het machtsspel tussen die twee partijen. Eenmaal veroordeeld wordt hij overgegeven aan een bende folteraars. Ten slotte wordt hij op weg geduwd naar de plaats van die verschrikkelijke dood door kruisiging.
Dat lijkt het einde te zijn van de man die door velen toch als de beloofde Messias werd beschouwd. Die nog maar pas door een enthousiaste menigte in Jeruzalem werd ingehaald. Die in de ogen van zijn volgelingen mislukt was. Hij verzucht, wanneer Hij naar zijn einde gaat: ‘God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?’

Hoe zou het gegaan zijn indien Jezus niet was veroordeeld en gekruisigd? Wat zou het geweest zijn indien hij ‘succes’ had gehad?
Sommigen hebben gedacht en geschreven dat het allemaal zo moest verlopen. Dat God een offer vroeg en dat Jezus het slachtoffer was. Dat is onzin. God zit niet te wachten op dat soort offers, dat staat al in de psalmen en in de teksten van de profeten.
Dat Jezus een lijdensweg is gegaan is overduidelijk. Het lijden van deze concrete mens is voor vele christenen het voorwerp geweest van hun meditatie. Zij lazen het passieverhaal, waarvan zij zich de afschuwelijke wreedheid realiseerden, als de lijdensweg, de doodsstrijd van iemand met wie zij zich innig verbonden wisten. De dood van een geliefde.

Het passieverhaal heeft kunstenaars geïnspireerd. Soms op een zo sterke wijze dat de ‘passies’ van Bach bijvoorbeeld behoren tot ons artistiek en emotioneel erfgoed.
Maar het passieverhaal heeft ook strijd opgeroepen. Met name vele christenen hebben de dood van Jezus gezien als een misdaad, een onrecht begaan door het Joodse volk. Dat was lange tijd één van de argumenten en oorzaken van het antisemitisme.

Natuurlijk is Jezus gestorven in zijn land; vanzelf waren zijn landgenoten betrokken bij wat met hem gebeurd is. Maar, en ik wil dit met nadruk zeggen, het passieverhaal is geen beschuldiging aan het adres van het Joodse volk. Het passieverhaal is het verhaal van wat mensen elkaar aandoen. Altijd. Overal.
Het roept de herinnering op aan alle doden van de vele oorlogen die er geweest zijn. Aan alle brandpunten van conflicten van vandaag. Aan de oorlog in het Midden-Oosten, in Afrika… Aan de vele mensen die verdrukt worden, die in armoede leven omdat niemand zich genoeg om hen bekommert. Aan de duizenden vluchtelingen die veiligheid en levensmogelijkheid zoeken en al te weinig gastvrijheid vinden. Aan de vele conflicten waarover we in de media nauwelijks iets horen. Dat alles hebben de Joden niet gedaan! Het is geen toeval dat aan het begin van de Bijbel het verhaal staat van Kaïn die zijn broer Abel vermoordt.

De dood van Jezus was voor zijn volgelingen onbegrijpelijk. Zij hadden geloofd dat hij de Messias was, de man door God gezonden. Hoe kon God hem dan zo in de steek laten? Waarom liet God hem en zijn werk mislukken?
Daarover gaat het in de eerste lezing vandaag. In de profeet Jesaja komen vier passages voor, die men genoemd heeft ‘de liederen van de lijdende dienaar’. In die teksten wordt het beeld geschetst van een man die naar onze gewone maatstaven een mislukking is. Hij wordt mishandeld, ziet er afgrijselijk uit, wordt vermoord. Een toch is dit de man die door God is gestuurd om zijn volk te redden.
Wij weten niet over wie Jesaja spreekt, welke rol die ‘lijdende dienaar’ gespeeld heeft. Het is wel gemakkelijk te begrijpen dat de christenen die teksten hebben toegepast op Jezus, op zijn lijden en dood.

Maar wat was de opzet van Jesaja? Hij wilde duidelijk maken dat God anders kijkt dan wij. Want wat is ‘slagen’? Wat is ‘succes’? Naar onze opvatting is dat verbonden met macht, rijkdom, met prestige.
Welnu, deze dingen heeft Jezus verworpen bij het begin van zijn openbare leven. Want daarover gaat het verhaal van ‘de bekoringen in de woestijn’. Hij weigert te steunen op deze dingen die ‘de duivel’ hem voorhoudt. Voor hem geen macht, geen rijkdom, geen prestige. En ten slotte, zou men kunnen zeggen, ook geen succes.
En toch. Hebben al die mensen die honger lijden, vervolgd worden, uitgebuit, al die nameloze slachtoffers van menselijke wreedheid, hebben deze mensen geen betekenis, mogen wij zeggen dat zij mislukt zijn? Is Jezus mislukt?
God denkt er anders over. Hij heeft dat ten opzichte van Jezus laten blijken. Drie dagen na zijn dood aan het kruis heeft God hem levend laten opstaan. ‘Hij is de eerste’, schrijft Paulus. Dat wil zeggen: zijn opstanding is een belofte aan alle mensen.

Het passieverhaal is een gruwelijke, reële geschiedenis. Maar zij is niet het einde.

 

inleiding drs. Harry Tacken
preekvoorbeeld Walter Verhelst ofm

 

webdesign: Artis