30 mei 2019
Hemelvaart van de Heer

Lezingen: Hand. 1,1-11; Ps. 47; Heb. 9,24-28; 10,19-23; Luc. 24,46-53 (C-jaar)

 

Inleiding

Hebreeën 9,24-28
De tekstkeuze uit de brief aan de Hebreeën laat direct al zien dat het een combinatie is van de laatste alinea uit hoofdstuk 9 en een stukje uit hoofdstuk 10. Niet het directe vervolg, maar pas vanaf vers 19. De auteur van de ‘brief’ – meer een betoog of preek en welzeker niet van Paulus – betoogt steeds in vergelijkingen met het gegeven uit het Eerste Testament dat Christus dat eerste verbond overtreft.
            De tempel is door mensenhanden gemaakt, een plaats waar telkens jaarlijks het offer gebracht werd om het volk met God te verzoenen. Dat geschiedde tot aan de verwoesting van de tempel door de hogepriester met bloed van offerdieren. Maar Christus heeft met zijn eigen bloed verzoening gebracht met een eenmalig offer van zijn leven en hij is de hemel zelf binnen gegaan. Dit noemt de auteur het hoogtepunt van de geschiedenis. Zoals Paulus schrijft in de brief aan de Galaten ‘toen de volheid van de tijden gekomen was’ (Gal. 4,4). ‘Als Hij een tweede maal verschijnt, zal het zijn los van de zonde, om heil te brengen aan allen die naar Hem uitzien’ (v. 9,28). Hier wordt duidelijk gezinspeeld op het eind der tijden, waarin de verlossing van de zonde volledig zal zijn voor wie leven met Christus en met die hoop op verlossing. Dit is precies wat in het gedeelte uit hoofdstuk 10 op een andere manier nog eens gezegd wordt. Christus heeft met het offer van zijn leven en met het vergieten van zijn bloed een weg gebaand, rechtstreeks naar de woonplaats van God. Dit is de hoop die de christen ook koestert. De auteur onderstreept dit nog eens omdat Jezus die deze belofte deed, betrouwbaar is. Daarom moeten de leerlingen hieraan onwrikbaar vasthouden.
           De tekst van deze tweede lezing geeft aldus aan wat de leerlingen van Jezus eraan hebben, dat hij bij God is uitgekomen. Zeg maar het resultaat, het effect van zijn levenseinde als offer, voor anderen. Hier ligt ook de aansluiting met de inhoud van de Evangelielezing.

Lucas 24,46-53
Lucas vertelt van zijn geloof dat Jezus als de Verrezene zelf de leerlingen onderricht heeft in het lezen en verstaan van de Schriften (het Eerste Testament). Over het lijden en sterven van de Messias en zijn verrijzenis uit de doden op de derde dag. En over de verkondiging onder alle volken, over bekering en vergeving van de zonden in zijn Naam. De dood en verrijzenis van Jezus hebben grote gevolgen, een groots effect voor de mensheid in de relatie met God. Daarom moeten ze in Jeruzalem blijven tot zij ‘uit de hoge met kracht zullen zijn toegerust’. Het gaat dus niet vanzelf, er is kracht voor nodig. Die zal geschonken worden: ‘uit de hoge’ – lees: van Gods kant – komt Geestkracht van Jezus.
            ‘En Hij, Jezus, verwijderde zich en werd ten hemel opgenomen’, vertelt Lucas. En de leerlingen keren terug naar Jeruzalem en zijn voortdurend in de Tempel en eren God. Zo eindigt Lucas zijn eerste boek over Jezus.

Handelingen 1,1-11
De eerste lezing van de liturgie op deze Hemelvaartsdag, is het begin van het tweede boek van Lucas. Er wordt meteen in de eerste zin al duidelijk gemaakt dat dit niet het eerste boek van de auteur is. Het is het vervolg op een eerder boek. Een onbevangen lezer zal zich afvragen welk boek dat is. Hij/zij krijgt meteen al informatie over de inhoud, de hoofdpersoon en de tijd waarover het boek gaat. ‘Over wat Jezus gedaan en geleerd heeft vanaf het begin tot de dag waarop hij ten hemel werd opgenomen’. De kerkganger van vandaag zal niet zo’n onbevangen lezer zijn. Dat eerdere boek moet een Evangelie zijn. En de vermelding van een zekere Theofilus, die in de eerste zin al genoemd wordt, leidt direct naar het Evangelie volgens Lucas, waarin ook Theofilus genoemd wordt in de introductie van het boek. De auteur wil daarmee zeggen dat beide boeken bij elkaar horen.
           Lucas vertelt dat Jezus aan de apostelen verscheen, gedurende veertig dagen. En hij sprak met hen over het Rijk Gods. Daar had hij voor zijn dood ook meer dan geregeld over gesproken in parabels en bij genezingen. Er is dus continuïteit in het spreken over het koninkrijk van God, voor en na de dood van Jezus, voor en na de verrijzenis van Jezus. Na de vermelding over Jezus’ aanwezigheid, volgt een specifiek moment. Hierin vindt een instructie plaats: ‘Blijf in Jeruzalem wachten op de belofte van de Vader, die gij van mij vernomen hebt’. Kennelijk is deze voor de leerlingen wel bekend, maar wordt dit voor de lezer nu pas geopenbaard. ‘Johannes doopte met water, maar gij zult over enkele dagen gedoopt worden met heilige Geest’.

Dan volgt een kort vraaggesprek waarbij de aansluiting met het voorgaande zoek is. De aandacht gaat naar iets anders uit: het herstel van Israël als koninkrijk. Dat ideaal van een Messias als koning van Israël wordt afgewimpeld, en er volgt een opdracht: jullie zullen mijn getuigen zijn tot ver over de grenzen van Israël, tot het einde der aarde. Jezus spreekt dus over het Rijk Gods en de leerlingen moeten zijn getuigen zijn. Dat is weer een vorm van continuïteit tussen de periode voor en na de verrijzenis van Jezus. Je zou kunnen zeggen: de apostelen worden door Jezus weer onderhouden over het Rijk Gods in relatie tot zijn leven.
           Daarna wordt Jezus aan hun oog onttrokken en ten hemel gevoerd. Zoals eerder Henoch (Gen. 5,24) en Elia (2 Kon. 2,1-8) in het Eerste Testament. In de beeldtaal staat dat Jezus ‘omhoog geheven werd en een wolk onttrok hem aan hun ogen’. Dat lijkt op een wolk die tussen de kijkende apostelen en Jezus inschuift. Of op een wolk waarin Jezus wordt opgenomen als teken van Gods aanwezigheid: de lichtende wolk die het volk Israël begeleidde bij de reis van het volk door de woestijn gedurende veertig dagen.
           Dan verschijnen even plotseling twee ‘mannen in witte gewaden’ die uitleg geven van het gebeuren en een belofte geven: deze Jezus zal op dezelfde wijze terugkeren als gij hem naar de hemel hebt zien gaan. Deze formule ‘op dezelfde wijze’ geeft weer een continuïteit aan van het heden met de toekomst, met betrekking tot Jezus. Zo worden de leerlingen meegenomen in het geheel van Gods handelen.

Er zijn duidelijk verschillen tussen de twee verhalen over Jezus’ hemelvaart. Aan het slot van het Evangelieverhaal zegent Jezus de leerlingen die hij meegenomen heeft naar buiten de stad Jeruzalem, en zij keren met grote vreugde terug naar de stad en de tempel.
            Aan het begin van Handelingen moeten twee mannen in wit gewaad – signaal van boden uit de hemel – uitleggen wat er gebeurd is.
            Maar de overeenkomst is treffender: het is initiatief van Jezus dat de leerlingen getuigen zijn geworden van Jezus en dat zij door Hem bezig zijn gebleven met de verkondiging van het Rijk Gods vanuit Jeruzalem als een middelpuntvliedende kracht tot aan de grenzen der aarde.

 

 

 

Preekvoorbeeld

De leerlingen van Jezus wilden getuigenis afleggen van wat zij geloofden. Zij waren er immers van overtuigd dat God helemaal akkoord ging met al wat Jezus tijdens zijn korte leven had gezegd en gedaan. Zij waren er zeker van dat God achter hem stond toen hij doorging tot het uiterste. Zij geloofden dat God hem had laten opstaan uit de dood en zij twijfelden er niet aan dat Jezus thuisgekomen was bij God en nu verheerlijkt leeft. Dat was hun geloof. Maar hoé konden zij daarvan getuigen? Hoé kregen ze dat gezegd?
           Lucas zoekt het niet ver en neemt zijn toevlucht tot verhalen die zij kenden. Er staan in de Schrift nog meer van zulke hemelvaartsverhalen, bijvoorbeeld over Elia die in een stormwind ten hemel werd opgenomen (2 Kon. 11), en ook in de Oudheid zijn er verhalen van grote figuren die ten hemel varen. Op dezelfde manier vertelt Lucas nu dat Jezus voor hun ogen omhoog geheven werd. Het lijkt wel een ooggetuigenverslag, alsof hij er bij was. En als er opeens twee mannen in witte gewaden bij hen stonden, dan weet je dat de evangelist hen in zijn verhaal opneemt om uit te leggen wat er gebeurt. Zij kwamen reeds voor in het verhaal over Jezus’ geboorte, toen zij de herders op de hoogte brachten; en we zagen ze nog onlangs bij het graf van Jezus, toen de vrouwen te horen kregen dat zij de Levende niet bij de doden moesten zoeken.
           Na zijn dood beseften Jezus’ leerlingen op den duur toch dat zij hem niet meer konden zien zoals toen zij met hem rondtrokken. Die vertrouwde manier van omgaan was voorgoed voorbij en die moesten ze loslaten. Dat zal niet gemakkelijk geweest zijn. Maar Jezus was niet zomaar in het niets verdwenen. Hij is thuisgekomen bij God. Hij zal nu op een gans ándere manier met hen zijn en hij zal voor altijd met hen verbonden blijven. ‘Al heeft hij ons verlaten, hij laat ons niet alleen.’ Verheerlijkt bij God, is hij nu méér bij ons dan hij ooit heeft gekund tijdens zijn leven hier op aarde. Daarom is het goed dat hij gaat. We vieren vandaag niet dat Jezus de zwaartekracht heeft overwonnen en zo letterlijk de hoogte is ingegaan. Dan zou het niet meer over ons geloof gaan en zou het geen evangelie meer zijn, maar een soort bijbelse ruimtevaart...
           Maar afscheid nemen en kunnen loslaten, zal er steeds bij horen. Toch is afscheid nemen en loslaten niet gemakkelijk. Zoals ook wij bepaalde vormen van christen-zijn en kerk-zijn moeten kunnen loslaten. Wat een geluk dat Jezus’ leerlingen dat hebben gekund en dat zij niet hebben vastgehouden aan wat hen vertrouwd was. Er stond iets nieuws te gebeuren waar zij zelf nog geen weet van hadden. Maar moédig hebben zij een levende traditie mogelijk gemaakt. Want traditie is een lévend gebeuren, conservatisme is dat veel minder. Conservatisme is heel vaak heimwee naar een verleden dat voorbij is of naar een toestand die nooit bestaan heeft. Krampachtig vasthouden aan het verleden kan echter ontrouw zijn aan het heden. ‘Een rups is toch ook alleen dan trouw aan zichzelf, als ze een vlinder wordt’ (Roger Lenaers).
           Dat hadden de leerlingen geleerd van Jezus. ‘Nu is het jullie beurt!’ had hij hen gezegd; en dat zegt hij ook tot ieder van ons. Als je rondom je kijkt, zie je dat mensen er alles aan doen om deze wereld iets méér bewoonbaar te maken voor iets méér mensen. Maar wij staan er niet alleen voor. Thuis gekomen bij God, laat de verrezen Heer ons niet in de steek. Integendeel. Dit wordt de tijd van de heilige Geest, de tijd waarin Jezus op een andere manier met ons is. Het is de tijd van het christendom in een rijke variatie van kerken en christelijke gemeenschappen. De manier waarop de verrezen en verheerlijkte Heer nu bij ons is, zal ons helpen om in alle openheid ons geloof te beleven. De heilige Geest zal ons inspireren om de juiste keuzes te maken. Die inzet van onze kant heeft toekomst. Wat er allemaal gebeurt en met welke moeilijkheden we ook af te rekenen hebben, onze inzet voor een meer leefbare samenleving loopt goed af. Ons christen-zijn is geen doodlopende weg die op een mislukking uitloopt. Maar ze is de weg naar onze voltooiing, wanneer we echt helemaal mens zullen worden. Door onze inzet en zo vele daden van goedheid en liefde komen ook wij thuis bij God. Dat is onze toekomst, en nu is ónze hemelvaart begonnen. Zalige hoogdag!        

 

inleiding drs. Henk Berflo
preekvoorbeeld Paul Heysse

webdesign: Artis