30 juni 2019
Dertiende zondag door het jaar

Lezingen: 1 Kon. 19,16b,19-21; Ps. 16; Gal. 5,1.13-18; Luc. 9,51-62 (C-jaar)

 

Inleiding

            Toen kwam Elia, een profeet als een vuur,
            zijn profetieën brandden als een fakkel. (…)
            U hebt koningen gezalfd om te vergelden
            en profeten om u op te volgen.
            U werd opgenomen in een wervelwind van vuur,
            in een wagen met vurige paarden.
            Over u staat geschreven (Mal. 3,23v)
            dat u klaarstaat voor de vastgestelde tijd,
            om de toorn te stillen vóór hij razernij wordt,
            de ouders te verzoenen met de kinderen,
            de stammen van Jakob te herstellen.
            Gelukkig zijn zij die u gezien hebben
            en in liefde zijn gestorven;
            ook wij zullen zeker leven.
            Elia verdween in een wervelwind,
            en Elisa werd van zijn geest vervuld.
            (Sirach 48,1.8-12)

Profetenlezing: 1 Koningen 19,16b-21
Nadat Elia alle profeten van de Baäl heeft laten doden (1 Kon. 18,20-46) gaat hij op de vlucht voor koningin Izebel, de woestijn in. Daar verzorgt een engel hem zodat hij gesterkt door voedsel, de Horeb, de berg van God kan bereiken (vgl. Mozes: Ex. 31,1; 33,18-23). In een ontmoeting met de Barmhartige roept deze Elia terug van zijn vluchtweg en geeft hem een nieuwe opdracht (1 Kon. 19,1-16). Elia moet twee koningen zalven en Elisa moet hij zalven tot zijn opvolger als profeet. Zij moeten – toegerust door de Gerechte – de aanhangers van de Baäl doden opdat niet nog meer Israëlieten JHWH inruilen voor de Baäl. Met een getrouwe rest waagt JHWH het verder. Het gaat om de keuze tussen JHWH (Ex. 20,1-3) en de Baäl, tussen leven en dood (Deut. 30,19v). Het leven met God, dus met elkaar, staat op het spel.
            De traditie legt met de profeet Ezechiël deze harde woorden zo uit: het gaat om het uitrukken van de zonde (afgoderij) opdat de omgekeerde mens leeft. De Barmhartige wil niet de dood van de mens, maar dat hij leeft (Ezech. 33,10v). De onheilswoorden zijn een laatste appel tot omkeer! (19,16b-18).

De profeet Elia geeft aan de Barmhartige gehoor en ontmoet op zijn terugweg de boer Elisa, terwijl hij met twaalf koppels ossen aan het ploegen is. Elia werpt zijn mantel om Elisa heen als teken van zijn profetische opdracht. Elisa accepteert deze opdracht meteen, maar hij wil eerst nog afscheid van zijn ouders nemen en zijn werk als boer goed afronden. Met enige tegenzin staat Elia deze vertraging toe. Elisa houdt met zijn werkvolk een afscheidsmaal en volgt Elia.
Zoals Jozua de dienaar en opvolger van Mozes is, zo is Elisa dit van Elia (Ex. 24,13; 34,9-12; Joz. 1,1-18; 1 Kon. 19,19vv). De profetische traditie gaat door.          

            Mozes ontving de Tora van Sinaï
            en leverde haar over aan Jozua;
            en Jozua aan de oudsten
            en de oudsten aan de profeten
            en de profeten leverden haar over
            aan de mannen van de Grote Synagoge.
            (Avot 1,1)

Lezing uit de brieven: Galaten 5,1.13-18
Zie: J. Lammers, ‘Appel aan een weifelende gemeenschap’ en V. Bulthuis, ‘Preekvoorbeeld’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014 20152, 31-40

Evangelielezing: Lucas 9,51-62
‘Het geschiedde toen de dagen van zijn opneming vervuld werden’. Met deze woorden begint Lucas zijn verhaal van Jezus’ opgang naar Jeruzalem (9,51; 19,28; vgl. Ezech. 21,6-7). De dagen van Jezus’ intocht, lijden, dood opstanding en tenhemelopneming in Jeruzalem staan voor de deur. Met open vizier (3 x aangezicht : 9,51.52.53) gaat Jezus naar Jeruzalem, ofschoon hij weet dat hij daar door mensen ter dood gebracht en (door God) opgewekt zal worden (9,22.31.44).

Jezus zendt boden voor zich uit naar een Samaritaans dorp om zijn komst voor te bereiden. Omdat het reisdoel Jeruzalem is, wil het ene dorp hem niet ontvangen, maar een ander (Samaritaans?) wel. Nog vol van de ontmoeting met Mozes en Elia op de berg (9,28-36) willen Jakobus en Johannes Elia laten terugkomen, zodat er vuur uit de hemel komt om het ongastvrije dorp te verteren (1 Kon. 1,10vv). Maar Jezus moet hier niets van weten. Jezus spreekt meestal positief over de Samaritanen: de barmhartige Samaritaan (10, 30-37), de genezen en dankbare Samaritaan (17,11-19), en hij wil dat zijn leerlingen ook zijn getuigen zijn in Samaria (Hand. 1,8). Jezus wil geen machtsvertoon (vgl. de verzoekingen, 4,1-13) en wil de boodschap van vrede niet met alle geweld aan de man/vrouw brengen (10,5-16).

In 9,52-56 gaat het over uitzenden als afgezant (vgl. 10,1-16), en in 9,57-62 om navolgen.
Dit navolgen heeft alles te maken met optrekken (5x: 9,51.52.53.56.57). Het betekent begeleiden, zich vormen, meewerken, metterdaad achterna gaan.
9,57-62 kun je zien als een drieluik:

A) 9,57-58: Iemand wil Jezus onvoorwaardelijk volgen. Jezus wijst op de consequenties:  zonder thuis onderweg zijn.

B) 9,59-60: Jezus zegt tegen iemand: ‘Volg mij!’, onvoorwaardelijk. De tijd dringt. De verkondiging van de heerschappij van God duldt geen vertraging. Op weg naar Jeruzalem geeft Jezus niet de ruimte die Elisa van Elia kreeg (1 Kon. 19,16b-21).

            A') 9,61-62: Iemand wil Jezus volgen, maar wil net als Elisa eerst nog van zijn familie afscheid nemen. Maar Jezus wijst hem erop dat er met het oog op de komst van het koninkrijk niet om maar alleen vooruit gekeken kan worden.

In het linker- (A) en rechterluik (A') is er sprake van woord en wederwoord, van een dialoog tussen degene die Jezus wil volgen en Jezus. In het middenluik (B) geeft Jezus een opdracht om hem te volgen. Wanneer hij zelf iemand roept om hem te volgen duldt hij geen uitstel.
Hoe de drie mensen gereageerd hebben, of zij Jezus inderdaad radicaal zijn gaan volgen, vertelt Lucas ons niet.
In 10,1-16 zendt Jezus tweeënzeventig leerlingen met handen vol vrede, vertrouwend op de gastvrijheid van de mensen bij wie zij aankloppen. Na het volbrengen van hun ‘pastorale stage’ komen zij opgetogen bij Jezus terug (10,17).

Aan ons de vraag hoe wij op de oproep van Jezus tot navolging reageren. Durven wij ons op God te concentreren, in verbondenheid met Jezus Christus, met het oog op de komst van zijn koninkrijk van barmhartige gerechtigheid en vrede? Durven wij met Jezus op te breken en onze aardse geborgenheid op te geven omdat wij geborgen zijn in God? Kunnen wij mensen onderweg – van de weg – zijn en breken met het verleden en Gods toekomst tegemoet gaan? In vrijheid – op eigen initiatief of op Gods uitnodiging – onderweg zijn naar Jeruzalem (9,58), de juiste prioriteiten stellen (9,59v) en getuigen van Gods koninkrijk (9,60), getrouw volhardend en vol vreugde Gods toekomst tegemoet (9,62), Jezus achterna (9,59)?

Franciscus gebruikt onze perikoop om zijn broeders de weg van volharding te wijzen:

            En volgens het voorschrift van de heer paus,
            mag hij op geen enkele manier
            uit deze gemeenschap treden.
            Want volgens het heilig evangelie is
            wie de hand aan de ploeg slaat
            en dan nog eens omkijkt,
            niet geschikt voor het koninkrijk van God (Luc. 9,62)
            [Regel van 1223, II,12-13]

            Er zijn immers veel religieuzen
            die onder het voorwendsel iets beters te zien
            dan wat hun oversten bevelen, achteromkijken
            en naar het braaksel van hun eigenwilligheid terugkeren.
            Ze zijn moordenaars:
            door hun slecht voorbeeld richten ze veel mensen te gronde.
                [Wijsheid, III, 10-11]

Over radicaliteit gesproken!

Literatuur
D. Bonhoeffer, Navolging, Baarn 2001
J. Hulshof, Zondag aan de rivier. Stilstaan bij evangelieteksten, Baarn 2018
G. Kuijer, De Bijbel voor ongelovigen-5, Amsterdam 2016, 5-165
Paus Franciscus, Wees blij en juich. Gaudete et exsultate. Over de roeping tot heiligheid in de hedendaagse wereld, Brussel 2018
A. Smelik, 1 Koningen, ’s-Hertogenbosch/Brugge 1993
J. Smit, Het verhaal van Lucas, Zoetermeer 2009
H. Welzen, Lucas, ’s-Hertogenbosch/Leuven 2011

 

Preekvoorbeeld

Ook al is het al jaren aan de gang, wennen doet het eigenlijk nooit en het voelt nog steeds niet pret­tig. Ik bedoel: dat kerken moeten worden gesloten, afgebroken soms zelfs, omdat er te weinig of geen gelovigen meer naar toe komen; dat parochies samen moeten gaan in steeds anoniemere pasto­rale verbanden; dat kloosters sluiten omdat er nog maar af en toe een jonge man of vrouw zich ge­roepen voelt tot het religieuze leven. Wennen doet dit niet. Maar wat wil je? Inmiddels weten we dat nog maar minder dan de helft van de Nederlanders zich betrokken voelt bij een kerk. Geen wonder dat er steeds minder ruimte nodig is voor steeds minder mensen.
           De mensen die zich nog wel betrokken voelen, voor wie het kerkelijk vieren nog wel betekenis heeft, lijden hier aan. Het is ook niet makkelijk om je eenzaam te voelen in je geloof, een uitzonde­ring. Die ene oom of tante te zijn die ‘er nog aan doet’. En zo’n halfvolle kerk herinnert je er soms zo pijnlijk aan dat je misschien wel tot een laatste generatie behoort voor wie wat de kerk viert en ge­looft en leert van betekenis is. Sommigen van hen, maar inmiddels ook steeds minder, hebben nog herinneringen aan de overvolle kerken van hun jeugd met soms drie, vier of vijf druk bezochte mis­sen op een zondag. Die herinnering kan soms een verlangen worden: werd het maar weer zoals toen.
           Maar is het wel goed om hier naar terug te verlangen? Ik vraag het me af. Ik vraag het me af naar aanleiding van Jezus’ woorden in het evangelie van vanmorgen. Als ik die goed tot mij laat door­dringen weet ik niet zo goed meer wat ik aan moet met dat heimwee naar de volle kerken van lang geleden en naar het meedoen van veel mensen. En al helemaal niet met wat je kunt horen aanbeve­len als remedie tegen het kerkelijk verval van vandaag: dat het aantrekkelijker moet in de kerk, dat het mensen meer moet aanspreken. Volgens mij is Jezus niet zo van ‘hoe meer mensen, hoe meer vreugd’. Hij lijkt zich er niet zo druk om te maken of zijn boodschap aantrekkelijk is en of hij mas­sa’s volgelingen krijgt.
           Want hoe gaat dat rondom Jezus? Er trekken mensen met hem mee, zijn leerlingen, een handjevol, die zich wel sterk willen maken voor Jezus en zijn boodschap en er dienen zich anderen aan die hem hun wens kenbaar maken om ook met hem mee te trekken, bij hem te horen. Wat mij opvalt is dat Jezus niet zegt, wat je toch zou verwachten: Graag, fijn dat je mee wilt doen en met mij de goede weg wilt gaan, die van waarheid en leven. Fijn dat je het mij niet alleen laat opknappen. Dit zegt Jezus dus mooi niet. Hij houdt de mensen eerder van hun voornemen af. Tot drie keer toe zelfs.
           Weet wel, zegt Jezus, de Mensenzoon heeft nog geen steen om zijn hoofd op te leggen. Als je mijn volgeling wilt zijn, dan moet je onbehuisd kunnen zijn. Mijn weg gaat namelijk naar mensen die geen huis hebben, die niemand hebben. Mijn weg is geen meubelboulevard waar je het huis van je dromen wordt aangeboden. Ik vraag je niet om je wereld tot een grote showroom te maken, wel om haar in te richten met zorg en recht en met hart voor mensen die van niemand nog een steen krij­gen om hun hoofd op te leggen.
           Weet wel, zegt Jezus, laat de doden hun doden begraven. Jawel, het is een belangrijke plicht van de Wet van Mozes om de doden te begraven. Maar als je zo iemand bent die zich altijd aan de Wet en zijn verplichtingen wil houden uit angst dat anderen wat op je hebben aan te merken of dat mis­schien God wel ontevreden over je is, of als je bang bent dat mensen iets verkeerds over je zullen kunnen zeggen en je je dus maar houdt aan wat gebruik en wet is en hoort bij de goede zeden, dan ben je eigenlijk zelf ook al dood. Begraaf jij dan maar de doden, want op mijn weg krijg je het te moeilijk, ben ik bang. Op mijn weg loopt iedereen het risico dat er iets op haar of hem valt aan te merken, want ik bemoei me juist nogal met mensen op wie iets valt aan te merken.
           Ook tegenover iemand die alleen maar afscheid wil nemen van zijn familie, gedraagt Jezus zich te­rughoudend. Ik geloof dat hij wil laten zien dat je er op zijn weg tegen moet kunnen dat je niet al­tijd wordt gewaardeerd; dat je niet altijd geborgen bent bij mensen die het geweldig vinden wat je allemaal doet en dat je van de kerk bent. Hier moet je tegen kunnen, zegt Jezus. Als je teveel vastzit aan de waardering die anderen je geven, dan heb je geen ruimte in jezelf om waardering te geven aan mensen die om waardering schreeuwen, omdat ze die van niemand krijgen. En juist naar die mensen leidt mijn weg.
           Niks geen gepraat dus over aantrekkelijkheid of over ‘hoe meer zielen hoe meer vreugd’. Jezus maakt het ons eerder tegen om hem te volgen. Hij weet wat voor opgave het is. Als je Jezus zo hoort, is het nog maar de vraag of grote massa’s en volle kerken betekenen dat het goed met ons gaat, en of het volgen van hem wel iets is voor grote en volle kerken.

Hiermee wordt het evangelie van vandaag een bijzondere vraag aan ons die hier zijn. Waarom zijn wij hier? Omdat wij mee willen met Jezus naar al die ontheemden? Omdat wij het risico aandurven dat mensen aanmerkingen op ons maken omdat wij ons bemoeien met mensen die door anderen worden gemeden? Omdat wij bereid zijn te kiezen voor mensen die om waardering vragen ook al kost ons dat misschien de waardering van anderen? Of zijn wij hier omdat wij het bij Jezus zo aan­trekkelijk vinden?
           Dat is het natuurlijk ook! Hij spreekt hier woorden van bemoediging en troost; een ontmoeting met Christus kan je door een moeilijke periode in je leven heen helpen. Toch, als ik Jezus goed versta, zegt hij vandaag: Je mag gerust veel van mij willen ontvangen en ik wil je ook best veel geven, maar mij volgen, mijn weg gaan, dat is nog iets anders. Dat vraagt het een en ander van je.
           Het onaangename van dat kerkelijke tijden veranderen en wij onszelf minder in aantal zien worden, delen wij met elkaar. Naast de vragen naar hoe dit komt en wat wij er aan zouden kunnen of moeten doen, zouden wij deze ervaring ook kunnen gebruiken om ons af te vragen waarom wij hier dan nog wél zijn. Of dit ook is omdat wij de risico’s willen lopen die verbonden zijn aan de weg van Jezus. Misschien komt het de Kerk wel meer ten goede als de weinigen die er nog zijn zich deze vraag stellen dan dat we met velen zouden zijn die zich deze vraag niet stellen.

 

inleiding Henk Janssen ofm
preekvoorbeeld dr. Jan van den Eijnden ofm

webdesign: Artis