3 maart 2019
Achtste zondag door het jaar

Lezingen: Sirach 27,5-8; Ps. 92; 1 Kor. 15,54-58; Lucas 6,39-45 (C-jaar)

 

Inleiding

Jezus Sirach 27,5-8
Het boek Jezus Sirach is oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven in de tweede eeuw voor Christus. De vertaling in het Grieks van de kleinzoon van Sirach die in Egypte verbleef – zie zijn woord vooraf – zorgde voor de verspreiding van het boek in de toenmalige hellenistische wereld. Hoewel het niet in de Hebreeuwse canon staat, werd het opgenomen in de Septuagint.
            Jezus Sirach behoort samen met de boeken Job, Psalmen, Spreuken, Prediker, Hooglied en Wijsheid van Salomo tot de wijsheidsliteratuur. Deze wil levenswijsheid overdragen, ervaringswijsheid, trouw aan de Thora en vrees voor de Heer.
            Jezus Sirach is het enige bijbelboek waarvan wij de schrijver met naam en ‘adres’ kennen. Een van de slotopmerkingen in dit boek luidt namelijk:

Lessen in inzicht en kennis
zijn geschreven in dit boek
door Jezus, de zoon van Eleazar, de zoon van Sirach, uit Jeruzalem.
Hij liet wijsheid stromen uit zijn hart.
Gelukkig is wie zich in deze lessen verdiept,
wie ze ter harte neemt wordt wijs.
Als je ernaar handelt word je sterk in alles,
want ontzag voor de Heer wijst je de weg.
De Heer geeft wijsheid aan de vromen.
Geprezen zij de Heer tot in eeuwigheid. Amen, amen.
(50,27-29)

De ontmoeting met de hellenistische cultuur heeft grote invloed op de Joodse traditie en Joodse identiteit. Zij brengt ook op economisch gebied veranderingen zoals de invoering van een gemeenschappelijke munt. Dat is voor Jezus Sirach een reden om ook thema’s als handel en zaken doen (26,28–27,10), geld lenen (29,1-20) en de omgang met slaven (33,25-34) niet uit de weg te gaan.

Over handel en zaken doen gaat het in de eerste lezing. Het is heel moeilijk voor een koopman of een kleine handelaar om niet te zondigen uit winstbejag of zucht naar rijkdom. Als je dan niet erg sterk bent in de vrees voor de Heer, zul je je niet staande kunnen houden. Je zult de beproeving niet doorstaan, want ‘zoals een pin vast komt te zitten in de voegen tussen de stenen, zo wringt de zonde zich tussen verkoop en koop’ (27,2).
            Dan volgt het voorbeeld van de zeef, die geschud wordt en waarin het restant dat je niet meer kunt gebruiken, achterblijft. Dat restant is een beeld voor de berekenende kant van een mens.
            Jezus Sirach illustreert zijn uitspraken verder met het beeld van het vaatwerk van de pottenbakker dat in de oven wordt getest op zijn sterkte (letterlijk staat hier: ‘de oven test het vaatwerk van de pottenbakker’) en de vrucht van de boom waaraan je de hand van de planter kunt herkennen. Hij maakt duidelijk dat bij de afrekening zal blijken of de neigingen van het hart van een mens de beproeving goed doorstaan hebben. Want ook in de handel is rechtvaardigheid mogelijk en ontzag voor de Heer levenswijsheid.
            Deze perikoop wordt in 27,10 afgesloten met de woorden: ‘Zoals een leeuw loert op zijn prooi, zo loert de zonde op hen die onrecht bedrijven’.

1 Korintiërs 15,54-58
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Lucas 6,39-45
Het einde van de veldrede is in zicht (Luc. 6,17-49). Na de zaligsprekingen en vermaningen onderbreekt de verteller deze toespraak in vers 39 met de woorden: ‘Verder zei hij tegen hen in beeldspraak…’ Tot nu toe was dat niet het geval en sprak Jezus zijn gehoor direct aan. In vers 27 zegt hij zelfs: ‘Maar tegen jullie die luisteren, zeg ik...’

De beeldspraak begint met de blinde die een andere blinde de weg wijst: dat is inderdaad geen goed idee, daar komen alleen maar ongelukken van. Uit Lucas 4,18 blijkt dat Jezus het als een van zijn taken beschouwt om blinden te genezen (4,18; zie ook 7,21v; 18,35-43; vgl. 14,13.21).
            Verder is de leerling die zich boven zijn meester waant, niet erg verstandig. Hij is blind voor zijn eigen onwetendheid. Maar de leerling die zijn leertijd voltooid heeft, moet zijn als zijn meester.
            Toegepast op leerlingen van Jezus: zij moeten niet ‘blind’ een eigen weg inslaan of naar anderen luisteren die ‘blind’, onwetend, zijn, maar naar de woorden van Jezus en deze in praktijk brengen. Zij moeten zijn als hij, zodat zij werkelijk in staat zijn ‘blinden’ de weg te wijzen.

Na deze uitspraken richt Jezus zich weer direct tot de toehoorder of lezer: jij ziet de splinter in het oog van je broer, maar de balk in je eigen oog zie je niet! Nu gaat het erom, om wél een verstandige leerling te zijn en dus eerst de ‘balk’ uit je eigen oog te verwijderen, voordat je je richt op de tekortkomingen van de ander. Want met een balk in je oog kun je onmogelijk goed zien en ben je blind voor je eigen fouten. Dan ben je niet de aangewezen persoon om je broeder te corrigeren. Het is zaak te luisteren én te doen.
            Henri de Greeve sj, oprichter van de Bond zonder Naam, zei het zo: ‘Verbeter de wereld, begin bij jezelf’.

Vervolgens spreekt Jezus opnieuw in beeldspraak over bomen, goede en slechte bomen die goede respectievelijk slechte vruchten voortbrengen: aan de vrucht herkent men de boom.
            Het is dus niet voldoende wanneer leerlingen van Jezus slechts oppervlakkig veranderen, de verandering moet van binnenuit komen. Het hart moet waarlijk goed zijn, zuiver: ‘Een goed mens haalt uit de voorraad van zijn goede hart het goede te voorschijn, en een slecht mens uit zijn slechte hart het slechte, want waar iemands hart vol van is, daarvan spreekt zijn mond’ (6,45). Hier ligt ook de verbinding met de eerste lezing waar het ook om de zuivere overwegingen van het hart gaat.
            De (niet gelezen) verzen 46-49 over het bouwen van een huis al dan niet op een rots, sluiten niet alleen deze perikoop af, maar zij vormen tegelijkertijd het slot van de gehele veldrede.

 

 

Preekvoorbeeld

Dit is een evangelie ‘van dik hout zaagt men planken’: het gaat over bomen, balken en splinters. En over een plank voor je kop. Dat je die niet ziet!

Een plank of een bord of een plaat voor de kop hebben, betekent: onbeschaamd zijn eigen gang gaan zonder op de gevolgen te letten, niet gevoelig voor signalen van anderen.
            Men heeft wel vermoed dat de uitdrukking stamt uit de veehouderij. Hoe maak je een stier handelbaar? Door hem een houten bord voor de kop te hangen zodat hij niet voor zich uit kan zien, bang is om in de sloot terecht te komen en dus gemakkelijker zich laat leiden. Zo gaat het spreekwoord in het Gronings: ‘Hai het ’n bolbred veur’; die ‘bol’ is de bul, dus de stier, het ‘bred’ een bord, een plank. Het kan ook met hooi. Dan ziet die stier ook niets. In het Duits: Er hat Heu am Horne (Frans: Avoir du foin sur les cornes, Latijn: Fenum habet in cornu).
            Maar van zo’n stier kun je in zo’n geval wel zeggen dat hij niet kan uitkijken, maar niet dat hij onbeschaamd is. Er speelt dus nog iets anders in het spreekwoord.
            Het houdt verband met een oude uitdrukking: ‘een berderen aanzicht hebben’, een uitgestreken gezicht, een stalen voorhoofd. ‘Berderen’ betekent ‘van planken gemaakt’. In het Frans: front d’airain, Engels: brazen face. Misschien gaat een bord voor je kop hebben dus terug op de gedachte dat iemands gezicht een houten masker lijkt. Hij doet uiterlijk onbewogen, zonder met anderen rekening te houden, zijn eigen zin.
Er hangt iets tussen ons en de mensen om ons heen: dat masker, die plank, een balk, een splinter. Jezus wijst ons erop dat wij het meest letten op de splinter in het oog van de ander. Die staat ons scherp voor ogen. Daar gaat alle aandacht naar uit: ‘Er mankeert iets aan jou. Laat mij eens kijken…’ Je pakt een pincet en begint te dokteren, in het oog van die ander te prikken!

Wij spreken van blinde vlekken, Jezus heeft het over een balk in je oog. En het gekke is: die zien wij niet. We kijken er al zolang langsheen, hij hangt ons niet in de weg. Die balk is als het montuur van je bril, op den duur zie je dat niet  meer. Maar het is geen rank montuurtje, het is een balk! En in je andere oog nog een!
            Het zijn de twee balken waar het kruis van Christus van getimmerd is. Die twee balken, daar is hij aan gekruisigd. Met die twee balken heb je hem de dood aangedaan, en jij ziet ze niet.

Jezus noemt ons huichelaars: dat we wel de splinter in het oog van die ander… niet de balk in ons eigen oog; dat we wel letten op wat aan een ander mankeert, maar aan ons eigen disfunctioneren voorbijgaan; dat we wel menen te kunnen aanwijzen wat aan de ander schort, maar voor onszelf een grote blinde vlek blijven.
            Nu zonder beeldspraak: wat Jezus zegt, gaat over introspectie, zelfinzicht. Niet slechts om psycho-educatie, maar dieper: om zelfkennis. Die verwerf je door jezelf vragen te stellen, door jezelf in Frage te stellen.

Vroeger als ik op ziekenhuisbezoek met lift omhoog ging naar de 6e of de 7e verdieping, betrapte ik mezelf erop dat ik in de spiegel keek of m’n haar wel goed zat, want ik moet zo op bezoek en dan moet je wel een beetje toonbaar zijn.
Nu, na zoveel jaren ga ik nog steeds met lift naar de 6e of de 7e, ik kijk in de spiegel en denk: ‘Wat een rare man is dat.’ Niet: ‘Dit ben ík’, maar ‘Dít ben ik’, met mijn beperkingen, zo betrekkelijk als ik maar ben, hiermee moet ik het doen en hiermee moeten jullie het doen.

Nu schiet mij te binnen dat een psychiater die veel van doen had met suïcidale patiënten, zei: ‘Zelfdoding is – bij alles wat het óók is – een piekerprobleem’, een onvermogen om jezelf en je problematiek een beetje te relativeren. Het piekeren gaat maar door, je kunt het niet meer stoppen.
            Wat hij iemand wel eens voorhield: ‘Als je merkt dat je in je gedachten gevangen zit, ga voor de spiegel staan, pak een balpen, hang hem tussen je neus en je lip, kijk in de spiegel en zeg: Waar ben ik nou helemaal mee bezig?’

Je kijkt naar jezelf in de spiegel en bidt: ‘Lieve God, wat is de sterveling dat u aan hem denkt, het mensenkind dat u naar hem omziet?’
            Dat is een psalm. Volgens de rabbijnen wordt die vraag door de engelen gesteld. Die engelen willen God namelijk nog wel eens iets vragen: ‘Wat is de sterveling dat u aan hem denkt, het mensenkind dat u naar hem omziet?’
            Als de goede God dan antwoordt in zijn menslievendheid, schudden de engelen het wijze hoofd. Want die engelen weten wel wat een mens is. Die engelen, zo lichaamloos verheven en onsterfelijk, zij vinden de mens maar een wonderlijk schepsel: een zak vol knoken en vol derrie. Als mens met je lek en gebrek weet je dat ze gelijk hebben.

Het is daarom van een geestelijke volksgezondheid zo nu en dan wat contact te houden met je beschermengel en het te kunnen billikken dat jouw beschermengel verzucht: ‘Ach, niet weer hè, mannetje.’ Of hoofdschuddend: ‘Het lieve mens leert het ook nooit.’

Het zijn niet alleen de spiegel maar ook de engelen in de hemel die je helpen jezelf te relativeren en de betrekkelijkheid in te zien van jezelf en de dingen waar je mee bezig bent. Denk alleen al aan je opluchting als je eindelijk kunt lachen om je problematiek.

Maar die spiegel en die engelen heb ik erbij bedacht. Christus, als hij vraagt: ‘Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt?’, heeft het niet over een spiegel of engelen maar over je broeder of zuster. Dat die je een spiegel voorhouden. Dat doen ze alleen als je je aan hen toevertrouwt.

Een gevoel van eigenwaarde en zelfrespect verwerf je heus niet door jezelf serieus te nemen, maar in zelfvergetelheid omwille van hem aan wie is de heerlijkheid en de macht in alle eeuwigheid.

 

inleiding dr. Yvonne van den Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen

webdesign: Artis