3 februari 2019
Vierde zondag door het jaar

Lezingen: Jer. 1,4-5.17-19; Ps. 71; 1 Kor. 12,31(13,4)-13,13; Luc. 4,21-30

 

Inleiding

In dit kerkelijk jaar lezen we het Lucasevangelie. Vorige week zijn we daarmee begonnen. Het eerste echte openbare optreden van Jezus vindt bij de evangelist Lucas plaats in de synagoge van Nazaret. Daar leest hij voor uit de profeet Jesaja en geeft hij zijn eerste commentaar. Het is meteen goed raak.
           De aanwezigen reageren aanvankelijk nog redelijk enthousiast, maar dat slaat al snel om. Hun beeld van de Messias is anders, dan dat wat Jezus belichaamt. De weerstand is heftig. Maar Jezus laat zich er niet door uit het lood slaan. Zo gaat hij in het spoor van de profeet Jeremia. Hij spreekt vrijmoedig de woorden die God hem ingeeft en laat zich door geen angst daarvan weerhouden. Ook overschrijdt hij de grenzen van land en volk. Uiteindelijk weet hij dat God hem draagt en leeft hij vanuit die belofte: ‘Ik ben bij u om u te redden.’

Jeremia 1,4-5.17-19
Het boek Jeremia begint met een korte introductie van Jeremia. Hij is van een priesterlijk geslacht in Anatot, het gebied van Benjamin, dat grenst aan het gebied van Juda/Jeruzalem. Hij leefde tussen 650 en 580 voor Christus. Dat was een politiek turbulente periode: de val van het Assyrische rijk en de opkomst van het Babylonische rijk.

Direct na de inleidende verzen van het boek volgt het roepingsverhaal in 1,4-19. In de lezing van vandaag horen we alleen het begin, de roeping (4v), en de zending plus bemoediging (17vv).

Rond zijn 24e jaar komt het woord van jhwh tot Jeremia. Maar van meet af aan is Jeremia al bestemd tot profeet: ‘Voordat ik u vormde in de moederschoot, kende ik u’ (1,5).
           Het beeld van het vormen van de mens komen we tegen in Genesis 2, het tweede scheppingsverhaal. Daar staat dat God de mens (Gen. 2,7v) en de dieren (Gen. 2,19) vormde. Elke mens en ook elk dier is schepping Gods (vgl. Ps. 139,13-16). Met iedere mens, ook met Jeremia, heeft JHWH een bijzondere relatie. Dat wordt uitgedrukt met het woord ‘kennen’. Iemand kennen wil zeggen dat je een relatie hebt met iemand. In bepaalde streken zegt men: hij of zij heeft kennis aan.
           Maar die kennis krijgt voor iedereen, ook voor Jeremia, een specifieke vorm en inhoud. Voor Jeremia is dat het volgende. ‘Voordat u geboren werd, heb ik u mij voorbehouden’, zegt JHWH. ‘Voorbehouden’ is de vertaling van een Hebreeuws woord dat elders wordt weergegeven met ’afzonderen, heiligen, toewijden’.

Ook elders wordt van personen gezegd dat zij hun eigen specifieke relatie met JHWH hebben.
           Zo wordt van Abraham gezegd dat hij door God gekend is (Gen. 18,19), en die relatie wordt vervolgens getypeerd met het beeld van vertrouweling zijn van JHWH: ‘Zou ik voor Abraham geheim houden wat ik van plan ben?’ (Gen 18,17).
           En in zijn brief aan de Romeinen schrijft Paulus over degenen die God liefhebben: ‘Want wie hij tevoren heeft gekend, heeft hij ook tevoren bestemd om gelijkvormig te zijn aan het beeld van zijn Zoon’ (Rom. 8,28v).
           De specifieke roeping van Jeremia blijkt ‘profeet zijn voor de volkeren’. Die precisering van zijn taak kan verbazing oproepen. Want Jeremia zal zich in het vervolg met name richten tot zijn volksgenoten in Juda. Juda leeft echter niet in een isolement. Het is een klein land, dat op allerlei gebied verbonden is met de omringende landen, met name de grootmachten. En de tijd waarin Jeremia leeft, is politiek gezien een turbulente tijd. Het grote Assyrische rijk kraakt in zijn voegen en Babylonië loert op zijn kansen om de macht over te nemen.
           Daarom zijn de omliggende landen en volkeren in het spreken van Jeremia regelmatig aanwezig. Ze komen ook in beeld in het roepingsverhaal zelf. En wel in het beeld van de kokende ketel, die Jeremia te zien krijgt (v. 13). Die duidt op de dreiging die komt vanuit het Noorden. En in Jeremia 25,14-38 en 46–51 richt hij zich specifiek tot allerlei volken.

De verzen 17-19 gaan over de zending van Jeremia en daarbij krijgt hij de nodige aansporingen en woorden van bemoediging mee.
           Vers 17 begint met Jeremia uitdrukkelijk aan te spreken met ‘Gij’. Daarmee maakt JHWH Jeremia los van zijn volksgenoten, waarvan hij net heeft gezegd dat zij de wrange vruchten van hun ontrouw aan JHWH zullen plukken. Jeremia wordt afgezonderd van zijn afvallige volksgenoten. Niet om hen aan hun lot over te laten. Hij wordt juist geroepen om zich tot hen te richten.
           Hij moet zijn lendenen omgorden. Dat wil zeggen: zijn kleding zo vastmaken, dat hij goed uit de voeten kan. Hij moet zich dus reisvaardig maken, stap-klaar. En dan moet hij op weg gaan: ‘sta op’. De boodschap, die hij moet uitdragen wordt hier niet concreet aangeduid, maar dat zal later in concrete situaties wel gebeuren. Wel krijgt hij als algemene stelregel mee dat hij alles moet zeggen, wat JHWH hem opdraagt: niets achterhouden of verzwijgen (vgl v. 8).

Dan volgt in de verzen 17b-19 een reeks bemoedigende woorden. JHWH spoort hem aan zich geen vrees te laten aanjagen door de bedreigingen van mensen (17b). Hij stelt daar een andere vrees tegenover: de vrees voor God. Die moet voor hem van groter waarde zijn. Als Jeremia zich door mensenvrees zal laten weerhouden, dan zal God de loze bedreigingen van mensen tot daadwerkelijke handelingen doen worden (17c).
           Een dergelijke manier van spreken komen we ook tegen in Lucas 12,4v: ‘Wees niet bang voor hen die het lichaam doden, maar daarna tot niets meer in staat zijn. Ik zal jullie duidelijk maken voor wie je bang moet zijn: je moet bang zijn voor Hem die de macht bezit om je te doden en daarna in de hel te gooien. Jazeker, dat is degene voor wie je bang moet zijn’ (vgl. Mat. 10,28).

In beelden wordt de verhouding van de profeet tot het land en de leidende kringen aangeduid. Hij moet zich niet laten afschrikken door grootspraak en uiterlijk vertoon. Hij heeft zelf een stevig fundament in JHWH.
           Allereerst wordt het beeld van de versterkte stad op hem toegepast (v. 18). In 1 Samuël staan ‘versterkte (eigenlijk ‘ontoegankelijke’) steden tegenover dorpen ‘van verspreid wonenden’, dat wil zeggen ‘open’ plaatsen (1 Sam. 6,18). Jeremia gebruikt het beeld van ‘versterkte steden’ ofwel ‘vestingen’ vaak (4,5; 5,17; 8,14; 34,7; 48,18).
           Samen met de beelden van de ijzeren zuil en de koperen muur wordt de profeet hier voorgesteld als iemand die zich verheft boven het land. Zo’n krachtige positie heeft de profeet ook met betrekking tot koningen en vorsten van Juda, en tot de priesters en het volk van het land. Met volk van het land wordt wellicht de Judeese volksvergadering bedoeld, bestaande uit de hoofden van de landbezittende geslachten.
           Hoe imposant al die autoriteiten ook mogen overkomen en hoezeer ze Jeremia ook zullen proberen te intimideren en de mond te snoeren, hij mag zich gesterkt en gesteund weten door JHWH. Ondanks de bittere aanvallen van zijn volksgenoten, zal Jeremia zijn taak volbrengen, dankzij de steun van JHWH. ‘Ik ben bij u om u te redden – Godsspraak van JHWH (v. 19). Dat is een vaker terugkerend refrein in de profetie van Jeremia (vgl v. 8 en ook elders 15,20; 20,13; 39,17 en 18; 42,11).

Roepingsverhaal als poging tot legitimatie
De bedoeling van Jeremia 1 is een legitimatie te geven voor diens optreden. Hij zegt immers gezonden te zijn om te spreken namens JHWH en de boodschap te verkondigen die hem is ingegeven. Maar waarom zouden mensen geloof hechten aan zijn spreken? Uiteindelijk is het een zaak van geloof om een profetie te ontvangen en te aanvaarden als een waarachtig woord van God. De profeet zelf kan dat niet hard maken of bewijzen.
           Een waarachtige profeet kan innerlijk sterk staan door zijn overtuiging een geroepene te zijn door JHWH, maar tegenover zijn toehoorders verkeert hij in een kwetsbare positie. Bovendien is en blijft een profeet mens, zoals zijn volksgenoten. De weerstand van zijn volksgenoten kan hem ook verbitteren en zich doen keren tegen God, zoals Jeremia overkomt (20,7-18).

1 Korintiërs 12,31(13,4)–13,13
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Lucas 4,21-30
Met zijn optreden in de synagoge van Nazaret begint het openbare optreden van Jezus in het Lucasevangelie. Daar leest hij woorden van de profeet Jesaja voor. In het evangelie van vandaag horen we de woorden die Jezus aansluitend aan de lezing tot de aanwezigen richt. ‘Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt is thans in vervulling gegaan’ (v. 21).
           ‘Thans’ wil zeggen ‘heden, deze dag’. Zoals we het ook eerder horen bij Lucas, bij de boodschap aan de herders: ‘Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David’ (2,11). Dat ‘heden’ kan ook het begin aanduiden van een periode, de tijd van de redding is nu ingegaan.
           En daarbij moet je ook nog bedenken dat die vervulling maar kan plaatsvinden, wanneer de hoorders luisteren naar de boodschap. Zoals Paulus in de tweede brief aan de Korintiërs schrijft: Als Gods medewerkers sporen wij u aan: zorgt dat ge zijn genade niet tevergeefs ontvangt. Hij zegt immers: Op de gunstige tijd heb ik u verhoord, op de dag van het heil ben Ik u te hulp gekomen. Nú is de gunstige tijd, nú is de tijd van het heil’ (2 Kor. 6,2).

Van de aanwezigen in de synagoge wordt gezegd dat zij hem bijval betuigen en zich verbazen over zijn woorden. Wat gaat er achter deze reactie van de toehoorders schuil? Beide werkwoorden ‘ge/betuigen’ en ‘verbazen’ kunnen namelijk zowel een positieve als een negatieve betekenis hebben.
           Bij Matteüs horen we Jezus in een bepaalde situatie tot de toehoorders zeggen: ‘Zo getuigt u zelf dat u zonen bent van profetenmoordenaars. Maakt de maat van uw vaderen maar vol’ (Mat. 23,31v). Van hun getuigenis gaat dus een negatieve werking uit.
           En elders lezen we bij Lucas dat een Farizeeër, bij wie Jezus te gast is, zich verbaast dat Jezus zich voor het eten niet gewassen heeft’ (Luc. 11,38). Achter deze verbazing gaat dus ook een negatieve houding schuil.
           Zou van een dergelijke aarzeling en bedenking ook sprake zijn bij de aanwezigen in die synagoge van Nazaret? In de versie van de evangelist Marcus is er van meet af aan scepsis bij de aanwezigen in de synagoge (Mar. 6,2v).
           Bij Lucas lijken de aanwezigen aanvankelijk gunstig te reageren, maar daarop volgt een snelle omslag die leidt tot afkeer en zelfs geweldige vijandigheid. De omslag zet in bij het besef dat degene die de vervulling van het Schriftwoord aanzegt ‘slechts de zoon van Jozef’ is, een stadsgenoot. De euforie slaat om in platte realiteitszin, door een kleine kritische bedenking.

Jezus speelt vervolgens in op de opkomende aarzelingen en bedenkingen. Niet door hen naar de mond te praten en te trachten de aanwezigen voor zich te winnen. Hij speelt open kaart, eerlijk en oprecht. Iets waartoe ook de profeet Jeremia in de eerste lezing werd opgeroepen.
           Jezus haalt de spreuk aan: ‘Geneesheer, genees uzelf. ‘ Door Jezus uitgelegd als: doe hier in je eigen vaderstad wat je elders hebt gedaan. Maar Jezus ervaart geen enkele openheid bij zijn stadgenoten. En daarom haalt hij een andere spreuk aan: geen profeet wordt aanvaard in zijn eigen vaderstad. Die spreuk leidt hij in met amèn: ‘voorwaar’. Dit woord gebruikt Lucas zes keer in zijn evangelie om een belangrijke gedachte in te leiden. Dit is dus één van die belangrijke gedachten, die hij aan zijn toehoorders meegeeft en die tot nadenken aanleiding willen geven, voor toehoorders toen en over hun schouders heen voor ons nu.

Vervolgens illustreert Jezus de spreuk met behulp van verwijzingen naar eerdere situaties, die bekend zijn bij de aanwezigen. De grote profeet Elia en zijn opvolger Elisa vonden in dorre tijden in het eigen land beiden gehoor bij vreemdelingen.
           Deze woorden van Jezus vallen niet bepaald in goede aarde noch stemmen ze tot nadenken. Ze doen de aanwezigen alleen maar verharden en opstaan. Dat opstaan is vaker een teken van weerstand, in opstand komen (vgl. Hand. 9,6). Hier lijkt het de opstap tot een spontane lynchpartij en dat nog wel op een sabbat. Jezus echter gaat midden tussen hen door en vertrekt.

Het verhaal van de verwerping van Jezus staat vrijwel aan het begin van het openbare optreden van Jezus. Je zou het de ouverture kunnen noemen, waarmee direct de toon gezet wordt voor heel het optreden van Jezus. Met de Jesajatekst, die hij voorleest in de synagoge van Nazaret, geeft Jezus de kern van zijn boodschap aan én zet hij het beeld neer van een Messias, zoals hij die zal realiseren.
           De weerstand die zijn optreden oproept bij velen, zal ook in het vervolg van het evangelie steeds weer opduiken. De schaduw van de verwerping hangt hem van meet af aan boven het hoofd, maar die weerstaand zal hem niet kunnen tegenhouden.
           Die niet-ontvankelijkheid in eigen kring zal wel mede de aanleiding vormen dat hij zich tot mensen buiten Israël, tot de zogenaamde heidenen, zal wenden. Iets wat in het evangelie van Lucas en met name in zijn Handelingen van de Apostelen een sterke lijn is, die dus al vanaf het begin van het evangelie wordt aangeduid.

Dat Jezus op het einde van het evangelie van vandaag midden tussen de bedreigers door gaat, mag je wellicht zien als een voorbode van zijn weg door het lijden heen naar de verrijzenis. In de geest van de steeds terugkerende belofte van JHWH bij de profeet Jeremia: ‘Ik ben bij u om u te redden.’
Het evangelie van vandaag heeft dus duidelijk een programmatisch karakter, waarin een aantal hoofdthema’s van het vervolg wordt aangeraakt.

 

Literatuur
Dr. A.van Selms, ‘Jeremia deel I’ in: De prediking van het Oude Testament, Callenbach, Nijkerk 1979
I. Howard Marshall, ‘The Gospel of Luke. A Commentary on the Greek Text’ in: The New International Greek testament Commentary, Exeter, UK 1978

Preekvoorbeeld

Woorden óver God zijn er volop. Ook wij pastores doen daaraan mee!
Wanneer horen we God zelf? In de stilte tussen onze woorden of liederen?
Kunnen we vandaag in de woorden van de Schrift horen wat God zegt?
Hoe God te vinden is bij vreemden, buiten onze kring?
Heftige weerstand horen we als Jezus in eigen kring Gods woord wil doen.

‘Je kunt het best, toe maar’. Dat zeggen we tegen een kind dat leert fietsen.
We zeggen het tegen onszelf als we iets moeilijks moeten doen.
Zeker als je grote weerstand verwacht, aarzel je om te beginnen.
De Schrift toont hoe de profeet Jeremia en Jezus dat ondervinden en hoe ze weerstand ondervinden uit eigen kring.

Het is belangrijk dat je deel uitmaakt van een kring van bekenden, een netwerk van vrienden. ‘Zeg me wie je vrienden zijn en ik zal zeggen wie je bent.’
Daarom vragen mensen: ‘Van wie ben jij er een?’
Als je dan je achternaam noemt, krijg je een blik van verstandhouding of ze halen de schouders op. Dat ligt niet aan jou. Dat ligt aan je familie.
Ben jij er een van Miltenburg of een van Hassan? Dat maakt verschil.
Als je naam vreemd klinkt dan ben je soms ineens een verdacht iemand.
Jij, Jezus, ben jij niet de zoon van Jozef, die timmerman?
O, je komt uit die familie! Dan zul je wel niets bijzonders zijn.

Jezus was inderdaad de zoon van Jozef, van het timmerbedrijf Jozef en Co.
Maar hij had ook veertig dagen in de woestijn geleefd, met God als enige steun.
Zijn houvast was die stem, die hij hoorde toen hij gedoopt werd in de rivier.
Jij bent mijn geliefde zoon, ik ben jouw vader, de grond van je bestaan.
Hij had die roepstem gehoord: Houd op met het repareren van meubels en van huizen, ga naar de mensen zonder dak boven hun hoofd.
Maar wie zijn dat dan? Zijn dat mensen, die een crisis in hun leven meemaken?

  • Gehuwden die plotseling voelen dat ze elkaar niet meer zo vast hebben.
  • Stervenden, die vragen: help me toch om los te laten.
  • Mensen, die zich aan de afgrond van een depressie bevinden…

Vinden we ze in onze eigen buurt of dorp? Wat hebben we hen te bieden?

De inwoners van Nazaret dreven Jezus voort tot aan de steile rand van de berg, waarop ze hun stad hadden gebouwd, tot de rand van de afgrond dreven ze hem.
Wat moet hij hen zeggen in Gods Naam?
Hij las hun de schrifttekst voor: ‘De Geest van God rust op mij. God heeft mij gezalfd om aan armen de blijde boodschap te brengen, aan gevangenen bevrijding en aan blinden genezing.’
‘Jullie dachten ieder voor zich en God voor ons allen, maar zo doet God niet.
Heden, hier in deze kring zal ik dit doen!’, zegt Jezus. Genezing en redding!
Jij, zoon van Jozef, wil ons redden namens God? Hoe haal je het in je bol?
           Dan wijst Jezus op andere profeten die niet aanvaard werden, hoe de profeet Elia via een buitenlandse weduwe Gods redding verkondigt, en hoe de profeet Elisa alleen bij een Syrische man de openheid vindt om hem te genezen. Net als deze profeten wordt Jezus niet aanvaard in eigen kring! We kennen dat.
            Kijk naar de klokkenluiders die misstanden in bedrijven openbaar maken, ze ondervinden grote weerstand. Kijk naar onze kerk hoe de hervorming van de curie weerstand ondervindt. Hoe lang het heeft geduurd voor de slachtoffers van seksueel misbruik erkend werden en enige schadevergoeding kregen?
           De blijde boodschap van Jezus dat God kleine mensen redt door onze inzet, roept grote weerstand op in zijn eigen kring. Hij is niet welkom…
            Is Jezus bij ons welkom als hij zegt dat wij met Gods hulp elkaar kunnen redden uit onze nood? Of doen wij alsof we geen nood kennen in onze kring. Verdoven wij de vragen en de angsten in ons leven met pillen en drugs?

In onze wijken en in onze kerk zie ik veel mensen, die regelmatig bidden. Thuis of hier even een kaarsje aansteken. Ze kennen hun kwetsbaarheid en hun kleine of grote zorgen, ze durven hun nood eenvoudig aan God voor te leggen.
            Ik vind deze mensen niet simpel, zij hebben juist een open hart, ze durven in te gaan op Jezus’ uitnodiging: Komt allen tot mij, die belast en beladen zijt.
In feite zijn zij het die ons laten zien hoe God te vinden is. Bij mensen in nood en bij allen die hart hebben voor medemensen in nood.
            Zij begrijpen het als Jezus zegt: ‘Ik ben de Zoon van de Vader, die mijn houvast is. Ik kom jou zeggen dat God ook jouw Vader is, jouw redding in je nood.’

Laten we ten slotte kijken hoe het afloopt daar in Nazaret.
            Ondanks de hevige weerstand zien we geen heimelijke snelle afgang van Jezus daar aan de rand van de afgrond. Jezus gaat voort op zijn weg, staat er letterlijk. Midden tussen de bedreigers door met opgeheven hoofd, zijn godsvertrouwen beschermt hem blijkbaar. We mogen dat zien als een voorbode van zijn weg door het lijden heen naar de verrijzenis. In de geest van de steeds terugkerende belofte van God: ‘Ik ben bij u om u te redden.’

 

inleiding drs. Theo van Adrichem ofm
preekvoorbeeld drs. P. van Mansfeld

webdesign: Artis