29 oktober 2017
Dertigste zondag door het jaar

Lezingen: Ex. 22,20-26; Ps. 18; 1 Tess. 1,5c-10; Mat. 22,34-40 (A-jaar)

 

Inleiding

We naderen het einde van het liturgisch jaar. Bepaalde thema’s spitsen zich toe: alert blijven, waakzaam zijn, en dus gericht zijn op de juiste beslissingen. Er zal geoordeeld worden. Het evangelie van deze zondag staat in dit kader, zoals te zien is in de perikopen en hoofdstukken, die er aan voorafgaan en er op volgen. Het is nuttig die te lezen. Deze zondag is een scharniermoment. Jezus wordt aangesproken over zijn prediking en optreden. De meningen erover zijn verdeeld: hem aanvaarden of niet. Jezus leidt het gesprek naar de kernvragen over het leven vanuit de Thora. Dat vormt ook de achtergrond voor de samenhang van de andere lezingen van deze zondag. Het gaat over de door God gegeven Thora. Hoe verhoudt Jezus zich daartoe? Wat zal het gevolg zijn van zijn opstelling en zijn visie op God en mens?

Exodus 22,20-26
Het kader van deze perikoop is de Wetgeving. De hoofdstukken 20, 21, 22 en 23 gaan over geboden, bepalingen, voorschriften, verplichte feestdagen en rechtsregels. Het begint met de proclamatie van de Tien Geboden. Dan volgt de reactie van het volk, het verbondsboek en in detail allerlei rechtsregels. Alles is van groot belang voor de beleving van de relatie tot God en van de relatie van mens tot mens. Hier worden de constructieve componenten genoemd voor een humane en gelovige samenleving om het volk van God te kunnen worden. De opsomming van deze zo op de situatie gerichte regels kan wat willekeurig overkomen, maar ze spreken wel allemaal in de geest van zoeken naar recht en waarheid om gerechtigheid gestalte te geven. Fascinerend is hoe in het licht van Gods woord de menselijke verhoudingen worden beoordeeld en gestuurd. Al die richtlijnen zijn de hartslag van de Thora. God wil zijn mensen opvoeden. Ieder element is daarin van betekenis. De regels over wat dan ook zijn waard om te over denken en te onderhouden. Gerechtigheid betekent immers dat iedereen en alles recht wordt gedaan: groot en klein, kind en ouder, rijk en arm, vriend en vreemde. En zelfs een onbegrijpelijk gebod moet je wel volbrengen, zo zegt Joodse traditie.

Onze lezing Exodus 22,20-26 is een onderdeel van dit geheel met een heel wezenlijk kenmerk: aandacht voor de zwakke partij: voor de vreemdeling (u zelf was vreemdeling in Egypte), voor weduwen en wezen (een fel oordeel bij geen aandacht voor hen), van een noodlijdende mag je geen rente eisen en neem je van zo iemand de mantel in pand, dan teruggeven voor zonsondergang voor een nachtrust zonder koude. Je wordt getroffen door de zeer humane ethiek. De Allerhoogste toont volop medelijden met de zwakke en de minste.

Psalm 18
Een krachtig geloofsgetuigenis van David. God heeft in de benarde positie van David in zijn strijd met Saul het voor David opgenomen. David zegt: ‘de Heer heeft mij recht gedaan... ik bleef op de weg van de Heer... zijn geboden voor ogen, geen enkel voorschrift sla ik in de wind’ (zie Ps. 18,21-24). ‘Ja, aan het arme volk brengt U redding maar de trotse oogopslag slaat U neer’ (v. 28). Hier beluisteren we de grondtoon van heel de heilige Schrift: Houd je aan Gods geboden. Dat is de enige garantie voor toekomst in het nu en voor later. Een rotsvast vertrouwen (v. 47, De Heer... mijn Steenrots) is de basis van alle geloof. Zo legt deze psalm de schering en inslag bloot van het weefsel dat de Schrift is. Je moet als het ware de onderkant van het tapijt bekijken om de samenhang van dat geheel aan geboden te ontdekken.
  
1 Tessalonicenzen 1,5c-10
Deze eerste brief aan de christenen in Tessalonica wordt gezien als de eerste brief van Paulus aan medechristenen. We vernemen de kern van zijn prediking. Hij heeft van Jezus gehoord en hem op bijzondere wijze ervaren in het visioen van licht. In contact met leerlingen en later met de apostelen is hij gesterkt in dat nieuwe leven vanuit het Evangelie en de kracht van de opstanding. Jezus heeft zijn opdracht doorstaan. Hij is trouw gebleven aan die kern van de Thora. God is hem trouw gebleven en heeft hem doen opstaan tot het nieuwe leven. Paulus’ verkondiging is aansporing tot volharding in de beproeving. Jezus heeft ons gered uit duisternis tot een nieuwe wijze van leven. Zie het vervolg in deze brief. Met name hoofdstuk 5 geeft aan welke stijl van leven daarbij hoort. We herkennen het accent op het gewone leven met oog voor wie de gewone mensen zijn en de minsten. Zo wordt het leven vanuit het geloof en uit Gods gebod getransformeerd tot het nieuwe leven met de belofte van ware toekomst. Verwacht de Heer, die ons redt. Wees op hem en de ander gericht.

Zie: Th.A.F.M. van Adrichem ofm, ‘1 Tessalonicenzen. Het eerste geschrift van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 75-86

Matteüs 22,34-40
In onze perikoop geldt ook: oog krijgen voor de samenhang van het weefsel, om de dragende kracht ervan te ervaren. Zoals al gezegd, de opbouw van de hoofdstukken bij Matteüs brengt ons op het spoor. Onze tekst is centraal voor het leren verstaan van het Evangelie. Dat wordt nog eens onderstreept door het feit, dat ook Lucas en Marcus parallel aan Matteüs dezelfde thema’s aansnijden. Er is dus een grote convergentie bij de synoptici over de kernzaken. De hoofdstukken 21 tot en met 25 bij Matteüs zijn het kader, dat licht werpt op de essentie van Jezus’ verkondiging en op wat voor zijn levenslot beslissend is. De trouw aan zijn opdracht wordt een spanning op leven en dood (Mat. 21,42-46). Het oordeel dat de overheden zullen vellen, namelijk afwijzing van Jezus en veroordeling tot de dood er op volgt, kondigt zich aan. Jezus blijft zijn vertrouwen stellen op God, op nieuw leven en toekomst, door de dood heen. Uiteindelijk zal God oordelen. Zie daarover vers 41-46: wat mag onze verwachting zijn over de Messias? De confrontatie betreft de vraag: wat is de essentie van de Thora: waar moet de mens zich primair aan houden om de juiste weg te gaan in het volbrengen van de geboden? Niets ten nadele van de vele voorschriften en geboden (‘geen stip of jota veranderen’) maar onderken dat alles draait om de zorg en de hulp aan de mens, en wel de minste en de zwakke. In de rabbijnse traditie is dit besef aanwezig. Op de vraag van een heiden: ‘zeg mij, in de tijd dat ik op één been sta, waar het omgaat’ antwoordt rabbi Hillel: ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt doe dat ook een ander niet; ga en leer.’ Zoek te ontdekken wie jij moet zijn, wat jij moet doen. Ons nadenken, de dialoog met de werkelijkheid en met de ander, mag niet ophouden. In Mattëus 25,31-46 keert dit thema terug, het oordeel over de schapen en de bokken. Je moet het opnemen voor de minsten. Dat kan en zal offers vragen. ‘Wie zijn leven verliest, zal het winnen’ (zie Mat. 10,38vv). Er moeten beslissingen genomen worden, waarvoor wij ons bij het oordeel te verantwoorden zullen hebben.
Die verantwoording is Jezus niet uit de weg gegaan. Hij spreekt tijdgenoten en ook ons daarop aan. Leer bewust te leven voor God en te midden van mens en wereld.

 

Preekvoorbeeld

Wanneer de Farizeeën Jezus vragen naar het belangrijkste gebod van de Wet, stellen ze een eerlijke vraag aan Jezus. Over die vraag werd in die tijd een hele discussie gevoerd en nu wil men graag weten, wat rabbi Jezus ervan denkt. Het antwoord van Jezus zal hun ook niet helemaal vreemd in de oren geklonken hebben. Een zekere rabbi Hillel antwoordde in die tijd ongeveer hetzelfde als Jezus. Het antwoord van Jezus is een goed antwoord, een prachtig antwoord, maar dus niet een volstrekt origineel antwoord. Dat hoeft ook niet. Tegenwoordig vinden wij het belangrijk om origineel te zijn, om iets nieuws te zeggen of te doen. Maar belangrijker dan of iets nieuw is, lijkt mij: of het goed is en waar is. Ik ben liever een degelijke theoloog die wat licht laat schijnen op moeilijke vragen, dan dat ik een originele vernieuwer ben die mensen het donker invoert.

Het eerste dat opvalt aan het antwoord van Jezus en van rabbi Hillel is, dat je als antwoord op de vraag naar het belangrijkste gebod twee geboden krijgt. Schijnbaar zou elk van hen apart niet voldoen: wie God liefheeft en de naaste niet, heeft ook het gebod om God lief te hebben niet begrepen. En andersom is het de vraag, of je de naaste op een goede manier kunt liefhebben, wanneer je hem of haar niet ziet als een kind Gods, als iemand die God jou als broeder of zuster gegeven heeft en opgegeven heeft ook.

Met die koppeling is er iets heel fundamenteels gebeurd: de liefde voor God krijgt ook in de mensenliefde gestalte en de mensenliefde heeft een religieuze kleur. Dat is iets heel bijzonders. Niet alle religies kennen die koppeling. Ik heb mij laten vertellen dat in het hindoeïsme die verbinding zo niet gelegd wordt. Iemand heeft hindoes die vrijwilligerswerk deden in een weeshuis gevraagd, waarom ze dat werk deden. Gedurende het onderzoek bleek, dat geen van de vrijwilligers in het antwoord iets religieus vermeldde, terwijl die vrijwilligers wel naar de tempel gingen en de religieuze feesten actief mee vierden. Die vrijwilligers zijn daar niet minder edel om, maar hun godsdienst legt dat verband niet. Bij ons is de naastenliefde consequentie van onze Godsliefde en een plek waar God zich vinden laat. En andersom wordt onze liefde tot God getoetst aan de naastenliefde: wie zegt dat hij God bemint en zijn naaste haat, is een leugenaar, zegt de apostel Johannes letterlijk in zijn eerste brief.

In het eerste gebod staat er, dat we God moeten liefhebben met heel ons verstand, heel ons hart en heel onze ziel. Ons denken, ons willen en ons voelen worden ingeschakeld: op al die niveaus wil God bemind worden. Daarbij staat er drie keer het woordje ‘heel’: we moeten God liefhebben met heel ons verstand, heel ons hart en heel onze ziel. God eist heel ons wezen op. God is de Schepper van alles, van heel ons wezen, lijf, ziel, geest. En dat geheel is bestemd voor de liefde. Niet de helft of 2%. Nee, 100%. In zekere zin is het alles of niets. God is niet iets dat je ‘er bij’ kunt doen, zoals je naast je vak of je baan nog wat kunt bijklussen. Dat je leven draait om je carrière of je familie of figuur, maar dat je in het weekend ook nog wat aan God doet. Dan heb je afgoden naast God en dan trekt God zich terug. Helemaal of niet.

Als ik dat zo zeg, moet ik twee dingen erbij zeggen. Het eerste is: dit betekent niet dat God 100% van onze gedachten en gevoelens vult. Dus dat je de hele dag aan God zou moeten denken of hem de hele dag zou moeten ervaren. Dat gaat gewoon niet: een mens moet ook eten, heeft ook vrienden en vriendinnen enzovoorts. Het betekent ook niet dat God de enige is die je moet liefhebben. Het tweede gebod zegt nota bene dat we de naaste ook moeten liefhebben. Blijkbaar kun je God en een naaste tegelijk liefhebben en daarin en daardoorheen met heel je verstand, heel je hart en heel je ziel van God zijn. Dat kan, wanneer je van alle schepselen die je bemint geen God maakt, wanneer je al je liefdes ondergeschikt maakt aan je liefde voor God, wanneer ze allemaal functioneren in het verband van je eerbied voor God, je wens om van God te zijn. God is niet jaloers op onze liefde voor vrienden en vriendinnen: hij geeft ze ons nota bene zelf! Maar waar we onszelf of een ander schepsel tot God maken, daar scheuren we van God los. Waar we ons laten drijven door egoïsme, daar is er een zelfliefde die tegen God ingaat. Of iemand met heel het verstand, heel het hart en heel de ziel van God houdt, kun je dus niet afmeten aan het uiterlijk: iemand kan heel veel vrienden en hobby’s hebben en daarin en daardoorheen helemaal van God zijn, terwijl een monnik met een bijna leeg leven vol meditatie van God los is, als hij hoogmoedig geworden is.

Het tweede wat ik moet zeggen is, dat God wel heel ons verstand, heel ons hart en heel onze ziel opvraagt en dat ons antwoord vaak de gestalte heeft dat we dat aan de ene kant graag willen, echt wel, maar het aan de andere kant niet waar maken. Dan beminnen we God feitelijk met 80% of met 40% of met 2% van ons verstand, hart en ziel. Dat antwoord is dan aan de ene kant niet goed, niet goed genoeg: het is niet de 100% die gevraagd is. Tegelijk is het ook niet de afgodendienst, die God ‘er bij’ doet. Nee, we willen wel helemaal, maar het lukt niet of ook: het lukt nog niet. Dan zijn we liefhebbers van God, maar liefhebbers van God met zonde, met tekort. Dat telt in zijn geheel voor het houden van het eerste gebod. Het is ermee als met de huwelijkse liefde: je kunt echt van je partner houden, al irriteert dit of dat aan de ander je nog steeds. Daar heb je dan ruzie over, maar dat is wel iets heel anders dan helemaal niet meer van die ander houden. Daarom belijden we aan het begin van de Eucharistie onze zonden. ‘Het lukt ons niet helemaal, maar zie ons hier bij elkaar: we willen het zo graag: mensen van u zijn.’ En de priester bidt er direct overheen: ‘Moge de almachtige God zich over ons ontfermen, onze zonden vergeven en ons geleiden tot het eeuwig leven.’ Dan kun je zo het Gloria gaan zingen. En bidden dat onze liefde groter mag worden.

 

inleiding drs. Frans Zwarts
preekvoorbeeld prof. dr. Jozef Wissink

webdesign: Artis