29 april 2018
Vijfde zondag van Pasen

Lezingen: Hand. 9,26-31; Ps. 22; 1 Joh. 3,18-24; Joh. 15,1-8 (B-jaar)

 

Inleiding

In het afsluitende onderricht aan zijn leerlingen noemt Jezus zichzelf, in typisch johanneïsche taal, met de nadrukkelijke inleiding ‘Ik ben’: ‘de ware wijnstok’ (Joh. 15,1). Die uitspraak staat in de lijn van Johannes 1,9, waar de evangelist ‘het ware licht’ introduceert, ‘dat elke mens verlicht en in de wereld komt’, en van Johannes 6,32, waar Jezus zichzelf aanduidt als ‘het ware brood uit de hemel’. ‘Waar’ (alêthinos) kan steeds ook worden vertaald als ‘waarachtig’ of ‘echt’.
Staat dat steeds tegenover ‘onwaar’, ‘onwaarachtig’, ‘onecht’? Het ‘ware licht’ kan een kritische zinspeling zijn op Socrates, die bij Plato deze term gebruikt voor de hemelse wereld (Phaedo 109E). In Johannes 6 staat het ‘ware brood’ duidelijk tegenover het concrete brood van de broodvermenigvuldiging en het manna van de tijd van Mozes (Joh. 6,1-15. 26-32). Een andere tegenstelling komt voor in Joh. 10,11-15, waar Jezus als de ‘goede herder’ staat tegenover de huurling die zich niet om de schapen bekommert, en tegenover de ‘dieven en rovers’ ofwel ‘vreemden’ (Joh. 10,1-10).
Er wordt echter geen tegendeel van de ‘ware wijnstok’ vermeld; het beeld wordt zonder nadere inleiding geïntroduceerd. Daarom zal de ‘ware wijnstok’ verwijzen naar iets dat voor de lezers en hoorders bekend was. Dat moet wel de kostbare wijnstok zijn die de Heer volgens Jesaja 5,1v plantte in zijn wijngaard die het huis van Israël symboliseerde, de wijngaard die hem echter diep teleurstelde (Jes. 5,7). Die kostbare wijnstok (s?r?q in het Hebreeuws) gold als zo bijzonder, dat de Hebreeuwse term in de Septuaginta aan de vertaling is toegevoegd: ampelon sôrêch.
In Jeremia 2,21 komen we die kostbare wijnstok (weer s?r?q) ook tegen, die daar in de Septuaginta wordt omschreven als ‘een vruchtbare, volle, ware (alêthinên) wijnstok’ – die ook volgens Jeremia niet aan de verwachtingen van de Heer beantwoordde. Terwijl bij Jesaja de gehele wijngaard staat voor Israël, is het bij Jeremia de wijnstok die op Israël duidt. Op meer plaatsen van het Oude Testament komt dit symbool voor Israël voor. Dit impliceert dat volgens Johannes Jezus zich dus presenteert als de ware vertegenwoordiger van Gods planting, Israël. Dit wijkt af van de synoptische evangeliën, waar Jezus op Jesaja’s passage over de wijngaard varieert in een gelijkenis waarin hij niet de rol van wijnstok vervult maar van de zoon van de eigenaar die uiteindelijk zijn deel van de vruchten komt ophalen en dan gedood wordt (Mar. 12,1-9 en par.).

Johannes ontwikkelt een ander beeld: Jezus’ leerlingen worden vergeleken met de wijnranken die stevig met de wijnstok verbonden moeten blijven, maar die de wijngaardenier – Jezus’ Vader – toch moet bijsnoeien zodat ze meer vrucht dragen. Onvruchtbare ranken worden daarentegen helemaal weggesnoeid. Vervolgens zegt Jezus van zijn leerlingen dat zij al ‘gezuiverd’, ‘rein’ zijn. De klankovereenkomst van het Grieks is onvertaalbaar: voor ‘wegsnoeit’ staat er airei, voor ‘bijsnoeit’ kathairei, en de daaropvolgende term ‘gezuiverd’, ‘rein’ luidt katharoi – zoiets als ‘bijgesnoeid’ dus.
Al eerder had Jezus zijn leerlingen ‘rein’ genoemd, Judas uitgezonderd (Joh. 13,10v). Dat hij deze kwalificatie na Judas’ vertrek (Joh. 13,30) nu herhaalt is opvallend, want even eerder had hij aangekondigd dat Petrus hem driemaal zou verloochenen, hetgeen hierna ook gebeurt (Joh. 13:38; 18:15-27). Dit wijst erop dat de evangelist bij monde van Jezus niet alleen – of: niet zozeer – diens naaste leerlingen van dat uur aanspreekt, maar ook en vooral de latere christenen, na ‘Pasen’ dus. Zij zijn gewassen en gereinigd door de doop (vgl. Joh. 13,10) en door Jezus’ onderricht (Joh. 15,3), en krijgen als opdracht hecht met hem verbonden te blijven, als ranken aan een wijnstok.
Voor deze ranken worden twee mogelijkheden genoemd. Als ze vruchten dragen, dan hebben ze het toch nodig te worden bijgesnoeid om nog meer vruchten voort te brengen. Of anders, in het geval ze geen vruchten dragen omdat ze niet hecht met Jezus verbonden blijven, zullen ze worden weggesnoeid en verbrand (vgl. Ezech. 15). Dit laatste duidt in het bijzonder op latere leerlingen van Jezus, christenen dus, die hun aanvankelijke verbondenheid met Jezus (in de visie van dit evangelie) niet volhouden; zulke (vermeende?) ontrouw komt in dit evangelie wel vaker voor (Joh. 6,66; 8,30-59) en is bovendien in de brieven op naam van Johannes een belangrijk thema (1 Joh. 2,18v; 2 Joh. 9; 3 Joh. 9v). De aandacht voor deze ontrouw wijst er hoogstwaarschijnlijk op dat leden van de johanneïsche gemeenschap daaruit zijn vertrokken, niet per se om reden van totale geloofsafval, maar omdat ze een andere visie op Jezus’ menszijn hadden gekregen (1 Joh. 4,1-3; 2 Joh. 7).
De eerstgenoemde mogelijkheid, dat ranken die hecht met Jezus als de wijnstok verbonden blijven en zo vrucht dragen toch moeten worden bijgesnoeid, duidt op de correctie die zijn leerlingen van Godswege zullen ondervinden (vgl. Hebr. 12,7-11). Met de vruchten is in het bijzonder de liefde van en tot Jezus en de onderlinge liefde bedoeld (Joh. 13,34v; 14,15-21; 15,9-17). Maar in het betrachten van liefde zullen de leerlingen fouten maken, en dan zijn zij aangewezen op Gods vergeving, waarvoor Jezus Christus zal pleiten (1 Joh. 1,8–2,2). De epistellezing 1 Johannes 3,18-24 sluit hierbij aan: als ons hart ons veroordeelt, is God toch groter.
De belofte dat leerlingen die hecht met Jezus verbonden blijven, zullen ontvangen wat ze van hem vragen ofwel bidden (Joh. 15,7; ook al in 14,13), klinkt uiterst gewaagd, maar hieraan gaat wel de voorwaarde van die verbondenheid vooraf. Ook de synoptische evangeliën bevatten soortgelijke beloften (Mat. 7,7-11; 18,19; 21,21v; Mar. 11,23v; Luc. 11,9v). Jezus zal dus inderdaad zo iets gezegd hebben. De nieuwtestamentische brieven laten zien hoe dit element van Jezus’ onderricht is opgevat. In 1 Johannes 3,22 staat de belofte van gebedsverhoring ook, maar dan met de nadrukkelijke toevoeging, ‘als we ons houden aan zijn geboden en doen wat Hem welgevallig is’. In 1 Johannes 5,14v staat dat God ons hoort (ofwel verhoort) ‘als wij iets vragen overeenkomstig zijn wil’. Met andere woorden: wordt een gebed niet verhoord, dan zal het niet bij Gods wil gepast hebben. Paulus betuigt echter ook de ervaring dat wie bidt niet per se ontvangt waar hij om vraagt (2 Kor. 12,7-9).
De lezing uit Handelingen 9,26-31 is alleen indirect met de evangelielezing te verbinden.

 

Preekvoorbeeld

Ik heb me nooit met een stamboom bezig gehouden. Als ik er ergens eentje onder ogen kreeg, dan viel me vooral de enorme hoeveelheid namen op zonder verhalen! Onlangs echter liet de zoon van mijn achterneef de stamboom van onze familie zien. Mijn broer was er ook. Het eerste wat hij vroeg was: ‘Is er ook een geleerde bij?’ De neef antwoordde eenvoudig: ‘Nee..., wel een analfabeet.’ Hij opende de trouwacte van de opa van mijn vader. Daarop werd vermeld dat niet hijzelf de acte had ondertekend, maar zijn ouders. Meer weet ik niet van deze smidsknecht uit de Biesbosch. Zou mijn vader onderwijzer zijn geworden omdat zijn opa niet kon lezen? Een romantisch idee! Of zou die voorvader dyslectisch zijn geweest? Het komt in de familie voor. Duidelijk werd dat je roots er wel degelijk toe doen. Ze beïnvloeden je, of je ze nu kent of niet. Druiven staan in verbinding met hun wortel, anders worden het krenten!
Jaren geleden landde ik eens met de veerboot op Korfoe. Ik keek mijn ogen uit op een schilderachtig huisje met een balkon, dat zich in de schaduw verheugde van machtige takken vol druiven. Pas daarna zag ik de wortelstok die bijna als een dakgoot kaal en recht naar beneden liep, de grond in. Voor de druiven op het balkon was deze ader van levensbelang. De wortel kan wel tien meter diep naar water zoeken.
Dat is het beeld. Jezus van Nazaret wil de wortel zijn voor zijn leerlingen, opdat hun leven vrucht draagt!

Overal en vaak onverwachts stuit je op alle mogelijke uitingen van christendom; of je nu de krant leest of door Europa reist; of je nu in de supermarkt aan de kassa staat te wachten of tijdens een verjaardag in een heftige discussie terecht komt! Je leest over de kruistochten en hoe die in sommige kringen nog steeds als iconen worden gezien van westers imperialisme. Je bezichtigt een prachtige kathedraal met hoog in de gevel, uit steen gehouwen, een moeder met kind. Je leest over een jonge vrouw die in Burkina Faso verstoten meisjes opvangt in een huis van het bisdom. Je ziet een reportage over het misbruik van jongeren op een katholieke kostschool in Australië. Het zijn allemaal gebeurtenissen en culturele uitingen die ontsproten zijn aan de stam van het christendom. Maar worden ze ook allemaal gevoed vanuit Jezus van Nazaret?
Die vraag wordt door het evangelie van Johannes opgeroepen. Ik realiseer me dat heel wat geloofsuitingen niet van Jezus komen, maar wel waarheid en schoonheid in zich dragen. Toch is het van belang om er achter te komen wat geïnspireerd is door de man van Nazaret – en wat niet! De kerk bevindt zich namelijk in een diepe crisis. Het lijkt erop dat het christendom uit West-Europa aan het verdwijnen is, niet omdat de kerk het zo bont heeft gemaakt, maar omdat het wereldbeeld in ons collectief bewustzijn weinig ruimte toelaat voor het mysterie. Het ontbreekt jongeren aan taal om erover te spreken. Het denkmodel van het toeval is de werkelijkheid gaan vervangen. Lekker eten en gezond zijn maken voor velen de zin van het bestaan uit. Gelovigen proberen hierop te reageren. Dan is het zaak er achter te komen welke levenshouding geworteld is in het leven van Jezus van Nazaret en wat er in de loop van de geschiedenis aan ballast is bijgekomen. Wat behoort tot ons wezen en wat kunnen we gerust loslaten?
Mag ik dat eens kinderlijk eenvoudig zeggen? Een missionaris die in de zestiger jaren in Nieuw-Guinea werkte vertelde eens dat hij als zondagspreek een poppenkastvoorstelling gaf voor zijn parochianen. Hoofdpersoon was een kikker die gadesloeg wat hij in het dorp zag. Hij had gezien hoe een vrouw door een man werd geslagen. Nu vroeg hij zich af wat ‘onze grote broer Jezus’ daarvan zou denken!? Woorden voor ‘God’ en ‘geest’ had hij niet tot zijn beschikking. ‘Ethiek’ en ‘zonde’ ook niet. Maar wat dacht Jezus hierover? We hebben zijn parabels en verhalen in ons hart. Die vraag moet te beantwoorden zijn.

Johannes schrijft zijn evangelie voor gelovigen die zich gesnoeid voelen, en ontheemd. De Romeinen waren hen in toenemende maten vijandig gezind. Namen als keizer Nero of Domitiaan hebben in onze oren nog altijd een wrede klank. Maar ook in de synagoge waren ze niet welkom. Ze hoorden er niet bij, en wie ben je als je nergens meer bij hoort? Het verhaal dat Johannes hier vertelt, zal hen als muziek in de oren hebben geklonken. Ze worden hierin geënt op Jezus; dat is genoeg. Johannes schreef een brief. ‘Kinderen’, zegt hij daarin. Johannes is oud. Hij heeft de mensen door. Hij heeft hun streken gezien. Hij heeft ook ervaren hoe hard het lot een mens kan treffen. Al die levenservaring heeft hem mild gestemd.
Het Latijnse woord voor wortel is radix, radijs. Iets dat tot de wortel gaat is ‘radicaal’. Radicaal heeft een nare bijsmaak gekregen, zeker als het over religie gaat. Maar juist daarom is het zo wezenlijk te weten dat de wortel van het christendom liefde is. ‘Kinderen’, zegt Johannes, in de daden van liefde steekt de waarheid die God is. En die God die liefde is, kent jou. Hij kent jou beter dan jij jezelf kent. Hij kent je genen en de afwijkingen daarop, hij kent je dromen en je successen, hij kent je angst en ook alle gevoelens die je verdrongen hebt. Hij is groter dan je bewustzijn en hij veroordeelt je niet. Ooit, beseft Johannes, hebben jullie het leven gekregen. Dat was een waarachtige daad van liefde. Het was gratis en om niets. Vergeet al die moeilijke redeneringen over God maar. Wees niet bang voor je vervolgers. Je bent geworteld in de liefde.

 

inleiding prof. dr. Riemer Roukema
preekvoorbeeld Harrie Brouwers

 

webdesign: Artis