28 oktober 2018
Dertigste zondag door het jaar

Lezingen: Jer. 31,7-9; Ps. 126; Heb. 5,1-6; Mar. 10,46-52 (B-jaar)

 

Inleiding

Jeremia 31,7-9: Troost – God zal zijn volk redden
Jeremia, geboortig uit Anatot, niet ver van Jeruzalem, ervoer zijn roeping als profeet rond 625 v.Chr. Gedurende zo’n veertig jaar, ten tijde van de Babylonische aanvallen en de inname van Jeruzalem, dus in een politiek bewogen en moeilijke tijd, is hij als profeet opgetreden.
            Honderd jaar eerder, in 722 vChr. was het Noordrijk of Efraïm, ingenomen door de Assyriërs en de bevolking voor het grootste deel weggevoerd. Voor het Zuidrijk, of Juda, was de politieke situatie uiterst moeilijk. Met welk van de grote buurlanden een pact sluiten? Jeremia toonde zich een fel criticus van de politieke en religieuze verhoudingen in het Zuidrijk, die uiteindelijk leidden tot de inname en verwoesting van Jeruzalem door Babel in 587 vChr. Zijn kritiek werd niet geaccepteerd door koning Josia die de teksten van de profeet openlijk liet verbranden. Na de inname van Jeruzalem door Nebukadnessar II werd Jeremia door vrienden min of meer gedwongen om met hen naar Egypte te vluchten, waar hij ook gestorven is.
            Het profetenboek wordt vaak als een soort bloemlezing gezien van tamelijk zelfstandige teksten. Daarom is het niet eenvoudig een verband te zien tussen de verschillende teksten. Toch hebben specialisten getracht enige lijn in de uitspraken van de profeet aan te brengen. Zo wordt de perikoop van deze zondag beschouwd als behorend tot het zogenaamde Troostboek (hoofdstukken 30–33), een poëtisch deel in het centrum van de profetische collectie en zo genoemd omdat het de meest uitgewerkte verlossingsorakels van Jeremia bevat.
            In het deel van het Troostboek dat deze zondag wordt gelezen begint de profeet met een oproep tot vreugde en lofzang want God zal zijn volk, de rest van Israël, gaan redden. Vervolgens spreekt hij over het herstel van Israël. Van alle kanten der wereld zullen de ballingen worden teruggebracht naar het land van hun vaderen. Niemand zal uitgesloten worden. Blinden, lammen en zwangere vrouwen, zwakken en ongelukkigen, worden op speciale wijze vermeld. Vooral de vermelding van zwangere vrouwen is markant. Zij en hun kroost zijn de levende tekens van het herstel, zoals ook in Jesaja 7,14 de geboorte van een kind de aankondiging van aanstaand heil is. Bij de terugkeer zullen de ballingen hun tranen niet kunnen bedwingen; tranen om het doorstane leed, maar tevens tranen van vreugde om de thuiskomst. Dan zal God, evenals in Psalm 23, zijn kudde weer leiden langs rechte wegen naar rustige wateren (v. 9). En meer nog: God zal een vader zijn voor Israël, en Efraïm zal dan Gods eerstgeborene zijn. Typisch is dat de profeet hier spreekt van Israël en Efraïm, twee namen die vooral gebruikt werden ter aanduiding van het Noordrijk. Iets verder in hoofdstuk 31 zegt de profeet: ‘Er komen dagen dat Ik met het huis van Israël mijn verbond zal vernieuwen’. In bepaalde handschriften is daaraan toegevoegd ‘en met het huis van Juda’, de bevestiging van de profetendroom voor heel het Godsvolk.

Hebreeën 6,1-6: Hogepriesterschap van Jezus
Dit gedeelte van de Hebreeënbrief met zijn visie op Jezus als hogepriester tegen de achtergrond van de oudtestamentische traditie heeft de christelijke spiritualiteit bijzonder beïnvloed. Door Jezus zo te tekenen laat de auteur zijn bijzonder band met God uitkomen. De priester is namelijk de verbindingsschakel tussen God en de mensen. Daarom is hij de aangewezen figuur om offers op te dragen. Hij moet qualitate qua solidair zijn met de mensen. Dit priesterschap is geen recht op basis van persoonlijke keuze, maar een uitverkiezing van Godswege, zoals de auteur tracht aan te tonen door de citaten ‘Mijn zoon ben je, Ik heb je heden verwekt’ en ‘Jij bent priester voor eeuwig, op de wijze van Melchisédek’.

Marcus 10,46-52: De blinde Bartimeüs uit Jericho
Hoofdstuk 10 van het evangelie van Marcus begint met de vermelding dat Jezus op weg ging naar Judea, in dit evangelie zijn enige reis naar Jeruzalem, een tocht die eindigt met de paasviering. De meest veilige weg van Galilea naar Jeruzalem liep via het overjordaanse gebied. Op die manier vermeed men het vijandige Samaria. Ter hoogte van Jericho stak men dan de Jordaan weer over om de reis door de woestijn van Judea voort te zetten tot Jeruzalem. De vermelding van Jericho is verder van belang vanwege belangrijke gebeurtenissen uit de geschiedenis van Gods volk. In die omgeving werden de verspieders van Jozua ontvangen en beschermd door een vrouw die leefde aan de zelfkant van de maatschappij en die, desondanks, stammoeder van koning David werd. Hier trokken de Hebreeën met de Verbondsark de rivier over het Beloofde Land binnen. Hier vielen met Gods hulp de muren van de vijandige stad om.
            In tegenstelling tot Lucas vertelt Marcus niet of Jezus de stad binnenging en of hij er eventueel een tijdje verbleef. Voor Marcus is dat eigenlijk helemaal niet belangrijk. Zijn evangelie zou je kunnen karakteriseren als een ‘evangelie van de weg’. En juist daar doet zich de episode voor die in de perikoop van vandaag verhaald wordt. Vergezeld van een ‘grote menigte’ trekt Jezus langs de weg richting Jeruzalem. Mogelijk reisde hij uit veiligheidsoverwegingen, zoals de gewoonte was, in een pelgrimskaravaan waarbij zich misschien nog anderen aangesloten hebben die al eerder in Jericho aangekomen waren.
            Daar aan de kant van de weg, zit een blinde te bedelen; tijdens de pelgrimstijd waarschijnlijk een ideale plek om aalmoezen te ontvangen. Het gaat blijkbaar om een bekende figuur in Jericho, of in elk geval was zijn vader een bekende man, want hij wordt aangeduid als ‘zoon van Timeüs’ (Bar-Timeüs), net zoals Jezus in het Marcusevangelie herkend wordt als ‘zoon van Maria’ (6,3) en bij Lucas als ‘zoon van Jozef’ (Luc. 4,22). De faam van Jezus schijnt al tot Jericho te zijn doorgedrongen. Hierin komt Marcus overeen met Lucas, zodat de blinde, toen hij hoorde dat Jezus zich tussen de menigte bevond, het uitgilde. In het Grieks staat hier hetzelfde werkwoord dat ook gebruikt wordt voor het gillen van de onreine geesten (1,23) en van de doodsbange leerlingen tijdens een storm op het meer (6,49), dus, ongetwijfeld, geen ‘bel canto’. Verwonderlijk is dat de bedelaar Jezus aanroept als ‘Zoon van David’. Deze Messiastitel komt hier voor het eerst voor in het evangelie. Hoe wist de blinde dat Jezus de Messias was? Doet Marcus hier iets wat ook de Griekse schrijver Sofokles placht te doen? In zijn tragedies worden de toeschouwers steeds geconfronteerd met duistere, mysterieuze situaties. En de enige die door had waar het om ging was een blinde, Tiresias genaamd. Of hebben we hier te doen met een belijdenis van de auteur van het evangelie? Verder vraagt de bedelaar om het ‘medelijden’ van Jezus met hem. Het Griekse woord, ons bekend uit de liturgie (Kyrië eleison) is verwant aan het woord ‘aalmoes’ in die taal. Dus wat vroeg hij eigenlijk?                                 
            De omstanders proberen hem de mond te snoeren. Vinden ze dat gegil maar hinderlijk? Willen ze niet dat Jezus gestoord wordt door een bedelaar? Zijn ze huiverig ten aanzien van die Messiastitel? Zijn ze beducht dat religieuze en politieke leiders zo lucht krijgen van de aanwezigheid van Jezus waardoor hij gevaar zal lopen? Als Jezus toch aandacht schenkt aan de gillende bedelaar, gaan de omstanders hem ook anders behandelen. Op verzoek van Jezus gaan ze de man halen, ze kalmeren hem en spreken hem moed in.       
            Marcus schildert deze genezing heel anders dan die van de blinde in Betsaïda (8,22-26). Daar nemen anderen het initiatief en brengen de blinde naar Jezus toe, terwijl hier het initiatief van de man zelf uitgaat. Daar voltrekt Jezus de genezing buiten de groep omstanders en door middel van een bijna magisch ritueel, namelijk door in zijn ogen te spuwen en met handoplegging, terwijl hier de genezing juist plaats vindt midden tussen het volk zonder enig ritueel. Hier spreekt Jezus de man toe zoals een bediende spreekt tot zijn baas: ‘Wat wil je dat ik voor je doe’? Jezus zegt niet wat goed is voor die man, maar vraagt naar zijn noden. Het antwoord van de blinde is even wonderlijk: ‘Rabboeni, dat ik weer moge zien’. Op deze plaats is dat een vreemde wijze van spreken. Zo spreekt een leerling zijn meester aan, terwijl nergens blijkt dat de Bar-Timeüs een leerling van Jezus was. Zelfs het feit dat hij hem daarna volgt, is nog geen bewijs voor het leerlingschap. Mogelijk sluit hij zich aan om eindelijk eens de grote stad en de tempel in Jeruzalem te kunnen bezoeken. Jezus verklaart hem: ‘Je geloof, heeft je gered’, een geloof en vertrouwen dat in staat is om bergen te verzetten (Mar. 11,22).                                                                                                                              Samen met 8,22-26 lijkt deze perikoop op een soort raam waarbinnen de lotgevallen tussen Galilea en Jeruzalem zich voordoen. De wijze waarop sommigen dat trachten aan te tonen is vaak zeer summier, terwijl anderen menen dat het te ver gezocht is om hier van een soort raam of omlijsting te kunnen spreken. Sommigen zien de twee blinden als symbolen van de apostelen die eerst de consequenties van het leerlingschap niet begrepen, maar later tot inzicht gekomen zouden zijn. Maar is hier de wens niet de vader van de gedachte? Na die eerste genezing lijkt Petrus blijk te geven van zijn begrip van het Messiasgeheim (8,29), terwijl hij direct daarna duidelijk onbegrip toont (8,32). Ook de genezing in Jericho was nog geen garantie voor het begrip van de leerlingen, zoals blijkt uit het feit dat zij allen op het meest kritieke moment op de vlucht slaan (14,50).

 

Preekvoorbeeld

Toen hij met zijn leerlingen weer uit Jericho vertrok, zat daar een blinde bedelaar langs de weg. Hij zat daar, weggedoken in zijn mantel, opgesloten in zichzelf, blind voor alles en iedereen. Wij hebben ook weet van mensen in uitzichtloze situaties, volwassenen die geen toekomst meer zien of die verblind zijn door zoveel dat hun de ogen uitsteekt. Of het is ons wellicht ook reeds overkomen dat we van pure schaamte om wat we hebben gedaan, de ogen neerslaan en niemand dúrven aankijken. Of dat we iemand zo pijnlijk hebben gekwetst, dat we hem of haar niet dúrven onder de ogen komen.

We kunnen op zo vele manieren blind zijn. Ziende blind. Er zijn zo van die dagen dat een man gewoonweg niet ziet dat zijn vrouw fijngevoelig en attent is, of dat een vrouw geen oog heeft voor het werk en de verantwoordelijkheidszin van haar man. Er zijn van die dagen dat jongeren blind zijn voor de toewijding en de zorg van hun ouders, of dat ouders niet zien wat hun kinderen overkomt. En hoe dikwijls zijn wij niet blind voor de grote nood van de armen rondom ons en in andere continenten? Om niet te spreken van de blinde vlekken in ons van onhebbelijkheden die we zelf niet eens zien. Of hoeveel mensen zijn er niet die met de beste wil van de wereld er niet in slagen zich te verwonderen en te kijken met ogen van geloof? Zij zouden wel willen zien hoe dicht God bij hen is. Maar zo dikwijls ervaren ze hem als een afwezige God. Nochtans is ‘onze’ God ook de God van de zoekenden en van wie hem niet kennen... Voor ons is het belangrijk ook eens langs de kant van de weg te gaan staan en te kijken zoals degenen die er niet in slagen te geloven dat God Liefde is. Zij zouden hem willen herkennen in Jezus van Nazaret, maar zij kunnen enkel roepen: Rabboeni, zorg dat ik weer kan zien.
            Over hen gaat dit verhaal van de blinde Bartimeus. Onverwacht wordt Jezus geconfronteerd met de kwetsbaarheid van die man. Jezus voelt dat hij niet voorbij kán gaan aan het leed van die man. Zo brengt het verhaal in beeld hoe Jezus het oude visioen van de profeet Jeremia werkelijkheid laat worden. De profeet zag namelijk dat onze God mensen redt uit elke ballingschap. Ook blinden en lammen komen mee. Daarom gaat Jezus van dorp tot dorp en van stad tot stad, om dat visioen van de profeet waar te maken en het uit te schreeuwen dat onze God een God is die omziet naar mensen. Hij wil ons genezen van elke verblinding en ons op weg zetten naar een blijvende toekomst. Als een ervaren heelmeester opent hij ons de ogen, zodat niemand nog langer ziende blind door het leven gaat. Met wat geluk is er om ons heen die partner of geliefde, die goede vriend of vriendin, die vader of moeder, die ons toeroept: Houd moed, sta op! En kan je beter verwoorden wat hier telkens in deze viering gebeurt? Wij worden hier samengeroépen om oog in oog te komen staan met Jezus, met zijn woorden en daden. En dan gaan onze ogen open en wij staan op, om hem op zijn weg te volgen.

Maar het valt ons moeilijk ons toe te vertrouwen aan een God die wij niet zien, van wie wij nooit een antwoord horen. Het is alsof hij er niet is. Wij weten wel dat – als hij God is – hij ons denken en al onze zintuigen te boven gaat. Dat moét wel. Anders zou hij niet God zijn. Wij hebben alleen verhalen van mensen die getuígen hoe zij God in hun leven hebben ervaren en van wie het getuigenis op schrift werd gesteld. Maar wij willen graag zoveel méér: ‘Eeuwige God, wij willen u zien’. Maar er gebeurt niets. En dan groeit de twijfel.

‘Geloven’ en ‘niet-kunnen geloven’ zijn in mensen altijd met elkaar verweven. Ieder die gelooft kan door de hevigste twijfel worden overvallen. De grootste heiligen hebben de donkerste nachten beleefd. Soms hebben mensen zich echter zo vastgeklampt aan wat zij ‘geloven’ noemen, dat hun wereld in elkaar stort als daar ook maar iets aan verandert. Zij klampen zich zo vast aan dat geloven, dat zij dit uit angst afschermen. Heel dikwijls zijn zij op véle gebieden gegroeid en veranderd. Alleen hun geloof laten meegroeien en veranderen, dat hebben zij niet gedaan; nochtans bieden andere tijden andere inzichten in ons geloven. Van die angst wil God hen verlossen. Over hen zei de profeet Jeremia: Ik breng hen naar stromende beken en voer hen over geëffende wegen; daar kunnen zij niet struikelen.

 

inleiding Gerard van Buul ofm
preekvoorbeeld Paul Heysse

webdesign: Artis