28 april 2019
Tweede zondag van Pasen

Lezingen: Hand. 5,12-16; Ps. 118; Apok. 1,9-11a.12-13.17-19; Joh. 20,19-31 (C-jaar)

 

Inleiding

Hoe ging het na Pasen eigenlijk verder met de volgelingen van Jezus? De lezingen in de Paastijd geven ons een eerste antwoord op die vraag, om te beginnen vandaag op Beloken Pasen (‘beloken’ = afgesloten; het woord ‘luiken’ gaat er nog in schuil). In de lezing uit de Handelingen staat de typering van het leven in de jonge gemeente centraal, terwijl de evangelielezing met de verschijning van Jezus aan de leerlingen in Jeruzalem eigenlijk nog sterk gekleurd is door de euforie van Pasen.

Handelingen 5,12-16 – Het leven van de jonge gemeente
In het eerste deel van het boek Handelingen komen enkele resumerende beschrijvingen voor die op pakkende wijze de situatie in de jonge gemeente beschrijven en waarin iets gezegd wordt over de vruchtbare verkondiging en de snelle groei. Eigenlijk zijn het korte samenvattingen die bedoeld zijn als overgang naar een volgende gebeurtenis. Soms betreft het slechts een enkel vers zoals bijvoorbeeld in 1,14 of in 5,42 maar in tenminste drie gevallen is de beschrijving iets uitvoeriger: naast 2,42-47 ook nog in 4,32-35 en hier dus in 5,12-16.
            De berichtgeving in deze teksten heeft voor een belangrijk deel betrekking op de dagelijkse gang van zaken in de gemeente. Bepaalde elementen komen ook steeds weer terug: vooral de werking van het woord van God (of: van de Heer) en informatie over de toenemende expansie van de gemeente.

Het samenvattende bericht dat nu aan de orde is begint kort en krachtig met de vermelding dat het handelen van de apostelen het nodige teweeg brengt. Daar wijzen de wondertekenen onder het volk op. Verder wordt melding gemaakt van een grote eensgezindheid en van de geregelde samenkomsten op een bepaalde plek in de tempel (denk aan Joh. 10,23-42). De groei van de beweging (er is ook een zekere toestroom uit de steden rondom Jeruzalem) wordt nu in verband gebracht met het feit dat kwetsbaren, zieken en mensen in de ban van onreine geesten wél varen bij de ontmoeting met de apostelen. Kortom: dit is het beeld van een beweging met een onmiskenbare aantrekkingskracht.

Psalm 118 – Het werk van de Heer
Begin en einde van Psalm 118 (bijzonder dierbaar voor de kerkhervormer Maarten Luther vanwege het sprekende getuigenis dat God zegeviert over menselijke machtsaanspraken) staan in het teken van de dankzegging: het loven van de Heer om zijn eeuwige genade en trouw. Tussen begin en einde getuigt de psalmist van zijn geloof in de machtige werken die God verricht heeft. Voor hem staat het besef centraal dat het behouden leven toegeschreven moet worden aan het daadwerkelijk ingrijpen van de Heer zelf (v. 17).
            De psalm is zodoende een zegelied na het doorstaan van een kritieke ervaring. Het is mogelijk dat er oorspronkelijk een verband bestaat met een ritueel waarbij de overwinning van een davidische koning op zijn tegenstanders herdacht en gevierd werd (jaarlijks feest van de troonsbestijging?) De psalmist is dan de koning die zijn vertrouwen in de Heer onder woorden brengt.

Apokalyps 1,9-11a.12v.17vv – Overwinning op de dood
De lezing uit het boek Openbaring beschrijft hoe Johannes op het eiland Patmos de opdracht ontvangt om alles op te schrijven wat hij ziet en nog zal zien (1,11.19) met de bedoeling om het bekend te maken aan de zeven gemeenten, die in het weggelaten vers 11b met name genoemd worden. Het is passend om dit fragment aan het begin van de Paastijd te lezen vanwege de verwijzing naar de overwinning op de dood door de stem die tot Johannes spreekt en die zichzelf bekend maakt met een ‘Ik ben’-uitspraak in vers 17.

Johannes 20,19-31 – Verkondiging en tekenen
Zoals bekend heeft het Johannesevangelie een dubbel slot. Hoofdstuk 21 is duidelijk later toegevoegd, het maakte als zodanig geen deel uit van de oorspronkelijke tekst. Het evangelie eindigde met het vers waarin nog eens tot uitdrukking gebracht wordt wat de intentie is van heel het evangelie: opdat u zult geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leven zult bezitten in zijn naam (20,31). Hier staat duidelijk het kerygma (verkondiging) centraal, zoals dat trouwens ook opgaat voor de andere evangeliën. Het is niet toevallig dat in 20,30 sprake is van vele andere semeia (tekenen) die Jezus verricht heeft, want bij Johannes zijn het juist de tekenen die een duidelijke indicatie vormen voor een goed begrip van Jezus Christus. Zo is in 2,11 sprake van het begin van de tekenen bij de bruiloft te Kana in Galilea. Het teken-karakter van de verschijning aan de leerlingen, inclusief Tomas, mag ons eigenlijk niet meer ontgaan met de opmerking over deze ‘vele andere tekenen’, het verwijzend karakter komt meer centraal te staan. De werkelijkheid áchter de vertelde historie vraagt om de aandacht.

Door de kracht van de Geest
In tegenstelling tot Lucas (in zijn Evangelie en in de Handelingen) laat de evangelist Johannes Pasen en Pinksteren op dezelfde dag vallen. Bij Lucas wordt de Geest pas op de vijftigste dag ná Pasen geschonken (Hand. 2,1). Bij Johannes vindt de eerste verschijning van Jezus aan zijn leerlingen plaats op de avond van de eerste dag der week, dat is de dag van de opstanding. Dan ontvangen zij van hem ook de heilige Geest nadat hij over hen geademd had, wat een duidelijke verwijzing is naar Genesis 2,7 (God blaast de mens de levensadem in de neus). Het ontvangen van de heilige Geest wordt aansluitend in verband gebracht met de ‘sleutelmacht’ van de apostelen: zij ontvangen de volmacht om zonden te vergeven. De latere kerkelijke traditie heeft in dit vers een aanknopingspunt gevonden voor het sacrament van boete en verzoening. In Johannes 1 wordt reeds een verband gelegd tussen het wegnemen van de zonden der wereld (v. 29) en het ‘dopen met heilige Geest’ (v. 31).

Een week later...
De volgende verschijning na acht dagen (20,26) staat in het perspectief van de ontmoeting van Jezus met Tomas, omdat hij er op die avond van de eerste dag niet bij geweest was. Naar de reden van zijn absentie kunnen we slechts gissen, maar misschien is zijn afwezigheid ook wel te duiden als een kleine daad van verzet tegen de angstgevoelens (20,19) die het leven van de leerlingen zo beheerste. Tomas wilde er blijkbaar niet aan toegeven. Hij wordt hier Didymus genoemd, meestal weergegeven met ‘tweeling’ of in ieder geval iets met twee. In het evangelie komt hij naar voren als een dubbelzinnige, een mens in tweespalt. Hij verkeert hier ogenschijnlijk in dubio waar hij openlijk zijn twijfels uitspreekt over de beweringen van de andere leerlingen: ‘We hebben de Heer gezien’. Tomas is te kenschetsen als een man met tenminste twee gezichten. In een spontane opwelling wilde hij Jezus zijn adhesie betuigen met de uitroep: ‘Laten wij ook maar gaan, dan kunnen we samen met Hem sterven (11,16). Een grotere vastberadenheid kan men zich nauwelijks voorstellen. Maar hier ontmoeten we een heel andere kant van dezelfde Tomas, waar hij de twijfel in zichzelf durft toe te laten. Het is zijn alter ego en in plaats van hem te stigmatiseren als ‘de ongelovige’ mogen we hem wel dankbaar zijn voor de moed die hij toonde om zijn twijfels en zijn aanvechtingen uit te spreken. Want daardoor kan hij ook een identificatiefiguur zijn. Het is minstens opmerkelijk dat dit verhaal niet gecensureerd in de Bijbel voorkomt maar dat het er staat zoals het er staat – met twijfel en al.
            Zoals Jezus de leerlingen bij zijn eerste verschijning geen verwijt maakt over hun gedrag – dat zij ‘schitterden door afwezigheid’ toen hij de weg van het lijden moest gaan – zo maakt hij nu acht dagen later ook Tomas geen hard verwijt. Uiteindelijk komt deze Tomas tot een indrukwekkende geloofsbelijdenis: Mijn Heer en mijn God! Jezus wendt zijn oorspronkelijk onvermogen tot geloof aan om zich over het hoofd van Tomas uit te spreken over allen die tot geloof kunnen komen zónder dat de zintuigen eerst het overtuigend bewijs van de waarheid geleverd hebben. Niet zien en tóch geloven – dáár gaat het Jezus blijkbaar om. Wij verkeren zoveel eeuwen later feitelijk in dezelfde positie...

 

Preekvoorbeeld

De schaduw van Petrus – daarover ging het in een van de lezingen, en die woorden bleven bij me haken. De mensen legden hun zieken langs de weg waar de leerlingen van Jezus zouden langskomen, want ze dachten dat het al zou helpen als de schaduw van Petrus over hen heen zou glijden. Zo ging dat, als we het boek Handelingen mogen geloven, in de eerste weken en maanden na de kruisdood van Jezus.
            Op Goede Vrijdag was Jezus aan het kruis gestorven, met Pasen was hij levend aan zijn leerlingen verschenen, en hij bleef verschijnen, her en der, veertig dagen lang, zegt de schrijver van het boek Handelingen. Op dag veertig verscheen hij als degene die naar de hemel gaat, en tien dagen later, op het Wekenfeest, raakten de leerlingen vervuld van zijn Geest. Vanaf dat moment waren de leerlingen als het ware de belichaming van Jezus. Ze raakten mensen aan zoals hij het had gedaan, heilzaam en vol van genade. Daar is de kerk uit voortgekomen en dat moeten we ons steeds weer te binnen brengen, dat zó de kerk bedoeld is. Daarvoor zijn we hier op dit ogenblik samen, en daarvoor gaan we straks uiteen, de nieuwe week in: als doorgevers van de aanraking van Jezus, heilzaam en vol van genade.
            De schaduw van Petrus – die woorden roepen bij mij toch ook de andere kant op: de schaduwzijde, de donkere kant van Petrus en de andere leerlingen. Dat ze nergens te bekennen waren toen Jezus werd gekruisigd. Dat ze van hun grote woorden niets hadden waargemaakt. In de week voor Goede Vrijdag hadden ze nog met elkaar overhoop gelegen over wie van hen de belangrijkste was. Als Jezus koning zou worden, wie zouden dan de ereplaatsen krijgen links en rechts van hem – dat soort kwesties. En Petrus wist o zo zeker dat hij zijn heer nooit zou verloochenen. Al zou het hem zijn leven kosten.
            Ze worden ons dus niet gepresenteerd als het meest betrouwbare team, die apostelen. Niet echt een solide firma. Dat is een kant van de kerk waar we maar het beste eerlijk over kunnen zijn. We doen soms moeilijk over dingen waarvan je denkt: zijn er geen belangrijkere dingen om je druk over te maken? En we moeten vaststellen dat de kerk, en wijzelf het soms zomaar laten afweten. Dat we op momenten waarop het er op aan komt, nergens te bekennen zijn. Dat is ook de schaduw van Petrus, en misschien staat die haan op de kerktoren er ook wel om ons dááraan te herinneren. Waar was je dan toen het nodig was?
            Ik probeer me voor te stellen hoe die leerlingen van Jezus daar op die eerste Paasdag bij elkaar zitten. Het gerucht gaat dat de Heer is opgestaan, het graf is leeg, de vrouwen hebben hem gezien. Wat moeten ze nu? Als het waar is, en hij komt straks zomaar hier binnenwandelen, wat moeten ze dan zeggen? Wat gaat hij tegen hén zeggen? Ze horen het al in gedachten: ‘Waar was je dan toen het nodig was?’ of ‘Waar bleven jullie nou met je grote mond?’ of ‘Stelletje lafbekken, wat valt me dat van jullie tegen!’
            Ik kan me zomaar voorstellen dat ze graag nog wat bedenktijd hadden, dat ze helemáál niet op een verschijning zaten te wachten. Niet nu al. Want wat moet je zeggen? ‘Sorry’? De schaduw van de verloochening, de schaduw van Petrus hing zwaar over dat zaaltje. Ik vind het niet zo raar dat Tomas er niet bij was. De spanning, het zelfverwijt, de radeloze onmacht – dat houd je toch niet uit?

En toen kwam de opgestane Heer en hij wenste hen vrede. Geen spoor van verwijt. Hij zegende hen, hij blies op hen, hij gunde hen zijn heilige Geest in de plaats van hun benauwde geest. Hij schiep een ruimte van vergeving waarin ze er mochten zijn. En hij gaf hun de dienst van de vergeving mee. Met de waarschuwing erbij: ‘Als jullie iemands ?zonden? ?vergeven, dan zijn ze ?vergeven; ?vergeven? jullie ze niet, dan zijn ze niet ?vergeven.’ Dat laatste moet wel een waarschuwing zijn: als je mensen niet vergeeft, blijven ze met hun schuld rondlopen. Dat is waarom Jezus met vergeving die ruimte is binnengekomen: om zijn leerlingen te bevrijden uit die gevangenis van zelfverwijt en schuldgevoel. Dat is wat ze straks, na Pinksteren, moeten gaan doorgeven. Niet de theorie maar de praktijk: vrede brengen, vergeving ademen.
            De schaduw van Petrus – dat is dus niet meer de schaduw van zijn verraad. Petrus is aangeraakt met vergeving, hij is helemaal volgelopen met de vrede en genade van God. Zelfs zijn schaduw ademt vrede en goedheid.
            Ze zullen er die volle veertig dagen wel voor nodig gehad hebben, om langzaam te ontdooien. Om van geslagen honden bevrijde mensen te worden. Om rechtop te staan als geliefde kinderen van God, in plaats van krom te gaan onder hun eigen mislukking. Maar die verandering, dat is waarvoor Jezus verschenen is, dat is het werk van God in mensen. Dat is wat we elkaar gunnen en wat de kerk geroepen is te belichamen. Hier nu we samenzijn en straks als we uiteengaan.

 

inleiding drs. Harry Tacken
preekvoorbeeld dr. Piet van Veldhuizen

webdesign: Artis