27 mei 2018
Drie-eenheid

Lezingen: Deut. 4,32-34.39-40; Ps. 33; Rom. 8,14-17; Mat. 28,16-20 (B-jaar)


Inleiding

Het feest van de heilige Drie-eenheid vindt plaats op de eerste zondag na Pinksteren, feest van de gave van de heilige Geest. Het werd in de Middeleeuwen in het liturgische jaar opgenomen. Geen gedachtenisfeest zoals Kerst, Pasen en Pinksteren, maar een theologisch feest.
‘De heilige Drie-eenheid is geen product van menselijk redeneren, het is het gelaat waarmee God zichzelf heeft geopenbaard, niet vanuit de hoogte, vanaf een katheder, maar al wandelend met de mensheid. Jezus zelf heeft ons de Vader geopenbaard en ons de heilige Geest beloofd. … Wij loven God niet vanwege een bijzonder mysterie, maar vanwege Hemzelf, vanwege zijn onmetelijke glorie. Wij prijzen en danken Hem omdat hij Liefde is en omdat hij ons uitnodigt om ons te laten omhelzen door zijn gemeenschap die het eeuwige leven is’, aldus paus Franciscus (365 giorni con papa Francesco, Milano 2014, 252-253, eigen vertaling).
De Catechismus van de Katholieke Kerk wijst erop dat christenen worden gedoopt ‘in de naam’ en niet ‘in de namen’ van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, want er is maar één God, de almachtige Vader en zijn enige Zoon en de heilige Geest: de allerheiligste Drieëenheid (§ 233).

Deuteronomium 4,32-34.39-40
Deze lezing vormt het slot van de inleidende rede op het boek Deuteronomium (1,1–4,40). Mozes bevindt zich aan de overzijde van de Jordaan (Deut. 1,1; vgl. Num. 20,12), het beloofde land ligt binnen handbereik, maar hijzelf zal het niet mogen betreden (Deut. 1,37). Voordat hij nu zijn taak aan Jozua zal overdragen, doet hij een dringend appel op het volk om te leven volgens de Thora.
Hij somt de daden van Gods liefde op, zoals de uittocht uit Egypte (4,20.34-37) en de theofanie en wetgeving op de Sinai (4,10-13.36), toen het volk getuige was van Gods stem die sprak uit het vuur (Ex. 20,19v; Deut. 5,24v). De bevrijding uit Egypte en de wetgeving op de Sinai horen bij elkaar, want alleen vrije mensen kunnen ervoor kiezen om zich aan Gods wetten te houden.
De grootste zorg van Mozes is het volk te weerhouden van de afgodendienst want die bedreigt het voortbestaan van Israël: ‘Maar zoekt u de Heer uw God, dan zult u Hem vinden, als u Hem tenminste zoekt met heel uw hart en heel uw ziel … Want de Heer uw God is een barmhartige God; Hij zal u niet aan uw lot overlaten, Hij wil uw ondergang niet en Hij zal het verbond niet vergeten dat Hij onder ede met uw vaderen gesloten heeft’ (4,29vv).
Om zijn woorden kracht bij te zetten, blikt Mozes terug op het allereerste begin, de dag dat God mensen op aarde schiep (4,32). Hij tekent de God van Israël aan de hand van diens daden als een unieke God zodat zij wel ‘moeten erkennen dat de Heer God is; er is geen ander dan Hij (4,35). Dag en nacht heeft de Heer zijn volk vergezeld. Omdat de Eeuwige de vaderen liefhad en hun nakomelingen heeft uitverkoren, heeft hij hen uit Egypte geleid (4,37). Die liefde van de Eeuwige voor Abraham, Isaak en Jakob en hun nakomelingen is een onvoorwaardelijke gave, maar dat geldt niet voor de gave van het beloofde land: die is ervan afhankelijk of Israël zich aan de Thora houdt of niet.
En nogmaals roept Mozes het volk op: ‘Erken dan heden en prent het in uw hart: de Eeuwige is God boven in de hemel en beneden op de aarde; er is geen ander’ (4,39). Dit vers is opgenomen in het Alenu, het joodse ochtendgebed.
Tot slot maant hij het volk de voorschriften en geboden te onderhouden die hij hun vandaag zal geven; zij zijn de garantie voor een gelukkig en lang leven ‘op de grond die de Heer uw God u voor altijd schenkt’ (4,40). De sleutelwoorden in deze tekst zijn dan ook: erkennen, liefhebben en kiezen.

Abraham Joshua Heschel schrijft in De Profeten: ‘De profetie herinnert eraan dat wat er zich tussen God en mens voordoet geen contract is maar een verbond. Aan het verbond gaat liefde vooraf, de liefde tot de vaderen (Deut. 4,37; 10,15), en wat er zich tussen God en Israël voordoet moet niet begrepen worden als een wettelijke, maar als een persoonlijke relatie, als participatie, betrokkenheid, spanning. Er bestaat een interactie tussen het leven van God en het leven van het volk. Leven in het verbond is deelnemen aan de gemeenschap van God met zijn volk. In de bijbelse godsdienst gaat het niet om wat de mens doet met zijn alleen-zijn, maar om wat de mens doet met Gods zorg voor alle mensen’ (De Profeten, Vught 20142, blz. 307).

Romeinen 8,14-17
Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 75-86

Matteüs 28,16-20
Deze perikoop staat in het teken van de verrijzenis van Jezus en is onderdeel van het grotere geheel van Matteüs 27,55–28,20. Vrouwen die Jezus al vanuit Galilea zijn gevolgd, zijn getuige van zijn dood en begrafenis. De dag na de kruisiging van Jezus gaan de hogepriesters en Farizeeën naar Pilatus en zij verzoeken hem om het graf tot de derde dag te laten bewaken. Als reden geven zij op dat ‘die misdadiger tijdens zijn leven gezegd heeft: “Na drie dagen zal ik tot leven gewekt worden”’, een formulering die overigens nergens zo in het evangelie van Matteüs voorkomt. Ze zijn bang dat de leerlingen het lichaam van Jezus stelen en dan zeggen: ‘Hij is opgewekt uit de doden.’ Pilatus gaat overstag en staat de bewaking toe (27,62-66). Degenen die Jezus een misdadiger noemen, blijken in het verdere verloop van het verhaal zelf bedriegers te zijn (28,11-15).

Bij het aanbreken van de eerste dag van de week, dat is op zondag, gaan Maria van Magdala en de andere Maria naar het graf van Jezus. Voor hun ogen en die van de wachters daalt er een engel van de Heer neer; dit alles gaat gepaard met een zware aardbeving (vgl. 27,51). De engel rolt de steen voor het graf weg en gaat erop zitten. Terwijl de wachters beven van angst en lijkbleek worden, zegt de engel tegen de vrouwen dat zij niet bang hoeven te zijn. ‘Ik weet dat u Jezus zoekt die gekruisigd is. Hij is niet hier: hij is tot leven gewekt, zoals hij gezegd heeft. Kom, kijk naar de plaats waar hij gelegen heeft. Ga snel tegen zijn leerlingen zeggen: “Hij is uit de doden opgewekt, en zie, hij gaat voor u uit naar Galilea; daar zult u hem zien.” Dit had ik u te zeggen’ (28,5-7). De bewaking van het graf blijkt nutteloos en onmogelijk tegenover Gods plan met Jezus.
Wanneer de beide vrouwen snel weglopen om de leerlingen op gezag van de engel te vertellen dat Jezus opgewekt is uit de doden, staat Jezus opeens voor hen: ‘Gegroet!’ Ze herkennen hem onmiddellijk, grijpen hem bij de voeten vast en vallen voor hem op de knieën (2,11; vgl. het verhaal van Tomas in Joh. 20,24-29 of de Emmaüsgangers in Luc. 24,13-35). Ook Jezus stelt hen gerust (‘wees niet bang’). Hij herhaalt de opdracht van de engel aan de vrouwen, spreekt echter niet over leerlingen, maar over ‘mijn broeders’, een belangrijk verschil. Moeder, zusters en broeders van Jezus zijn immers zij die de wil van de Vader in de hemelen doen (12,50). De broeders krijgen de opdracht om naar Galilea te gaan, daar zullen ze hem zien (vgl. 26,32).

Intussen zijn enkele wachters van het graf naar de hogepriesters gegaan om te vertellen wat er bij het graf gebeurd is. Samen met de oudsten geven zij de soldaten een flinke som geld om het gerucht te verspreiden dat het lichaam van Jezus door zijn leerlingen zou zijn gestolen. De soldaten nemen het geld aan ‘en handelen volgens deze aanwijzingen’. Letterlijk lezen we hier: ‘zoals hun geleerd was’, namelijk door de hogepriesters en oudsten (vgl. 16,6.12). In vrijwel het gehele evangelie van Matteüs is Jezus degene die ‘leert’ (didask?). Geen van de andere evangelisten hecht zoveel belang als Matteüs aan het onderricht van Jezus aan het begin én aan het einde van het boek, wanneer de leerlingen de fakkel van Jezus overnemen. Daar draagt Jezus hun op: ‘Leer hun [alle volkeren, zowel Joden als niet-Joden] alles onderhouden wat ik jullie geboden heb’ (28,20). Het onderricht van de hogepriesters c.s. in 28,15 (bedrog) staat hier tegenover dat van Jezus.
Twee verhaallijnen spelen hier naast en door elkaar, waarin elk een visie op het lege graf naar voren komt. Enerzijds gaat het om de visie van de hogepriesters en hun medestanders, anderzijds om die van de vrouwen. De eersten verketteren Jezus, maar blijken zelf bedriegers te zijn die anderen tot bedrog aanzetten; hun visie op het lege graf is door mensen verzonnen.
De vrouwen daarentegen zijn Jezus trouw gebleven tot het einde toe. Hun visie dat Jezus uit de doden is opgestaan, steunt op goddelijke openbaring. Zij weten de leerlingen in beweging te brengen en zijn in feite model voor de leerlingen. Zij knielen als zij Jezus ontmoeten, later doen de leerlingen dat eveneens, al zijn er ook bij die twijfelen (28,17; 2,11). Jezus komt op hen toe en zegt: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde’. Dat is door God gebeurd.
Onwillekeurig komt dan toch dat aanbod van de duivel in herinnering die Jezus alle koninkrijken van de wereld met al hun pracht wilde schenken, als hij voor hem zou knielen. Het antwoord van Jezus was: ‘Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen’ (4,9v). Zo laat Jezus vanaf het begin van het boek zien dat hij JHWH als de enige God erkent.

In Galilea is het allemaal begonnen. Daar heeft Jezus voor het eerst de blijde boodschap verkondigd, onderricht en zieken genezen. Daar heeft hij ook zijn eerste rede op de berg gehouden (5,1; vgl. 28,16). De ontmoeting met de elf in Galilea, opnieuw op ‘de(zelfde?) berg’, betekent continuïteit, de elf zullen zijn boodschap wereldwijd verkondigen en leerlingen dopen in de naam (enkelvoud!) van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, een teken dat de naam van Jezus (‘God redt’) uitermate nauw verbonden is met die van de Vader en van de heilige Geest. En verder zullen zij leerlingen leren de geboden te onderhouden volgens de interpretatie van Jezus.
Ook de lezer wordt uitgenodigd om naar Galilea te gaan, dat wil zeggen, het evangelie in zijn geheel opnieuw te lezen en in praktijk te brengen.
In beweging komen, vertrekken, gaan, zijn hier sleutelwoorden: Jezus gaat de leerlingen voor naar Galilea en ook de leerlingen gaan daarheen; Jezus gaat naar de Vader en hij draagt de leerlingen op om de wereld in te gaan. Wanneer Jezus teruggaat naar de Vader omdat zijn werk hier op aarde is voltooid, betekent dat geen scheiding. In Galilea neemt Jezus afscheid van zijn broeders met die sublieme uitspraak die laat zien dat zij die zware opdracht niet alleen hoeven uit te voeren, ook al is hij nu bij de Vader: ‘Ik ben met u alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld’ (28,20; vgl. 1,23 Immanuël, God met ons). Het is een echo van veel oudtestamentische teksten waarin JHWH belooft dat hij met zijn volk zal zijn (bijv. Gen. 28,15; Ex. 3,12; Joz. 1,5; Jes. 41,10). Zo spreekt/handelt Jezus als JHWH.
 

Preekvoorbeeld

Op het feest van Gods Drie-eenheid wordt de kerk herinnerd aan haar missie: ‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest…’ (Mat. 28,19). In één zin wordt het hele verhaal van God-met-ons samengevat. God, de Vader van het volk Israël, zoekt in zijn Zoon Jezus Christus alle volken op, door de kracht van de heilige Geest. Het gaat van één volk uit, het gaat naar de hele mensheid toe, en dat alles gebeurt met een onweerstaanbare geestkracht. Het is als een klok die door de klepel een klank voortbrengt die gonst door hemel en aarde. Zo werkt de missie in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

Het gaat allemaal uit van Gods liefde voor zijn eigen volk Israël, zegt Mozes (Deut. 4). Het is een liefde die de angst verjaagt. Door die liefde worden de mensen bevrijd uit beklemming en verlamming. Die liefde werkt als een wekker: geen sirene die schrik aanjaagt, maar een klok die gonst van vrede. Daardoor komen de mensen tot zich zelf, ze kunnen weer gewoon doen wat er gedaan moet worden en ze kunnen weer bouwen aan de toekomst. Zo krijgt de gemeenschap een structuur van sympathie en hulpvaardigheid.

Het gaat om de vrede voor alle mensen, voor alle volken over de hele aarde, zegt Jezus (Mat. 28). Alle volken zullen delen in die liefde. Leer het ze geloven! Houd ze niet klein en dom! Laat ze weten waar de klepel hangt. Dat is het woord dat nu de dood overwint, dat is het vuur dat nooit dooft, dat is God-met-ons alle dagen tot aan de vervulling van deze wereld. Jezus is dat woord, dat vuur, die nabijheid van God. Als je dat weet, weet je waar de klepel hangt. En het is de bedoeling dat iedereen dat weet. Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen… Doop de mensen in lessen van liefde! De wereld wordt er wijzer van en de straat vriendelijker.

Met die klank in zijn oren is de apostel Paulus op weg gegaan. Hij zou mensen gaan dopen in lessen van liefde. Hoe deed hij dat? Het kwam er niet vaak van dat hij echt iemand met water doopte. Maar als hij het deed, ging het er zeer volwassen aan toe. Hij droogde de dopelingen af en riep dan recht in hun gezicht: U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven… (Rom. 8,15). Die klank in zijn stem was niet mals! Zo van: ‘Heb het lef niet om weer zo laf te worden als vroeger! U hebt Gods Geest ontvangen, de Geest van de liefde die de angst verdrijft en die geeft u het recht vrij te zijn en als volwassen mens, verantwoordelijk, te leven. U hebt het recht vrij te zijn, vrij van angst voor elkaar, vrij om elkaar lief te hebben! Heb dan het lef niet om weer laf te worden!’ Zo’n klank.

Waarom zo heftig? Wat is het probleem? Over welke lafheid heeft Paulus het? Het probleem zit in het recht om vrij te zijn. Alle mensen verlangen ernaar en dat ligt voor de hand. Ze hebben alle gelijk van de wereld. Maar wanneer ze dat recht op vrijheid opeisen, roepen ze de woede op van anderen en dan loopt het uit de hand. Het gaat dus om de klank waarmee mensen het recht op vrijheid opeisen. Er zijn er die de vrijheid claimen om alles te kunnen doen en te zeggen wat ze willen. Daarmee roepen ze de woede op van anderen die door deze vrijheid in een hoek geduwd worden en beschadigd raken. Er zijn er die hun recht claimen, recht op levenskansen. En als hun die rechten onthouden worden, halen ze die met geweld op. Daarmee roepen ze de woede op van mensen die zich beroofd voelen van wat ze zelf hebben opgebouwd. Het gaat om de klank van de claim. Het liberale kind eist vrijheid en het socialistische kind eist recht. Ze hebben allebei alle gelijk van de wereld, maar ze willen hun gelijk halen ten koste van elkaar. Zo trekken Kim en Trump elkaar over de tafel heen als twee dikke, verwende kinderen. Dat is niet dapper, dat is laf en over die lafheid spreekt Paulus.
Hoe haal je die kinderen uit elkaar? Paulus doopt ze in lessen van liefde. Hij zingt: Vrijheid en recht claim je niet. Die ontvang je. Nog sterker: ‘U hebt de Geest… ontvangen.’ De Geest om niet langer als slaven in angst te leven, de Geest om de angst af te leggen, de Geest om niet langer laf te zijn en het probleem bij de ander te leggen maar om met elkaar in vrijheid en recht te leven. Die Geest heb je ontvangen! Maar je kunt de gaven van de Geest niet tot privébezit maken. Je kan alleen deel krijgen aan deze gaven door ze met elkaar te delen! Dat is de klank van de liefde. Op een dag klinkt het wereldwijd: Freedom at last! Eindelijk gerechtigheid! In die klank hoor je heel het verhaal van God-met-ons. Zo grandioos klinkt het lied van de Vader en van de Zoon en van de heilige Geest.


inleiding dr. Y. van den Akker-Savelsbergh
preekvoorbeeld prof. dr. Maarten den Dulk

webdesign: Artis