26 augustus 2018
Eenentwintigste zondag door het jaar

Lezingen: Joz. 24,1-2a.15-17.18b; Ps. 34; Ef. 5,21-32; Joh. 6,60-69 (B-jaar)

 

Inleiding

In de eerste lezing en in het evangelie van deze zondag gaat het erom een keuze te maken: voor of tegen God, voor of tegen Jezus. Het antwoord van Jozua en Simon Petrus is duidelijk.
Diezelfde vraag wordt ook aan ons gesteld: kiezen wij voor God en Jezus of geven wij de voorkeur aan andere (af)goden? En toch is er hier sprake van een spanning: in het evangelie van Johannes blijkt telkens weer dat geloven niet enkel een kwestie van kiezen voor God is maar tegelijkertijd een gave van God (Joh 6,29.37.39.44.65.70).

Jozua 24,1-2a.15-17.18b
Deze lezing is ontleend aan het laatste hoofdstuk van het boek Jozua, dat vertelt hoe de Israëlieten zich vestigden in het beloofde land Kanaän. Het land is veroverd (Joz. 1–12) en verdeeld (13–22). Jozua is oud en hoogbejaard en roept daarom heel Israël bijeen (23,1). Hij voelt zijn einde naderen en houdt in navolging van Mozes een afscheidsrede (Deut. 31). Na de eerste afscheidsrede in hoofdstuk 23 steekt Jozua opnieuw van wal in hoofdstuk 24. Hij roept alle stammen van Israël bij elkaar bij het heiligdom in Sichem (24,1). Vervolgens herinnert hij aan het verloop van de geschiedenis van de Eeuwige en zijn volk, te beginnen bij Terach, de vader van Abraham en eindigend met de gave van het beloofde land. Steeds streed God aan hun zijde en schonk hun een land en steden waarvoor zij geen inspanning leverden (24,13). De conclusie is dan ook: ‘Vrees de Heer en dien hem oprecht en trouw en doe de afgoden weg’ (24,14).
               Zoals Mozes in zijn afscheidsrede het volk de keuze voorhield tussen leven en dood – namelijk gehoor te geven aan de geboden, voorschriften en bepalingen van de Eeuwige (‘leven’) respectievelijk zich te buigen voor andere goden (‘dood’) – zo doet Jozua dat nu ook (Deut. 30,15-20). Hij maakt het volk duidelijk dat hij en zijn familie kiezen voor de Eeuwige en hem zullen dienen (Joz. 24,15). Het volk antwoordt: ‘Ook wij willen de Heer dienen, Hij is onze God.’ En ook al zegt Jozua dat het hun niet zal lukken en dat zij als gevolg daarvan door rampen getroffen zullen worden, het volk zegt nogmaals: ‘Toch willen wij de Heer dienen’ (24,21). Dit gebeurt tot driemaal toe: ‘De Heer onze God willen wij dienen en naar zijn stem willen wij luisteren’ (24,24). Zo sluit Jozua op die dag in Sichem een verbond voor het volk.

Efeziërs 5,21-32
Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53

Johannes 6,60-69
Dit hoofdstuk begint met het teken van het brood (6,1-15), waarbij een grote menigte wordt verzadigd en uiteindelijk nog twaalf (!) manden vol resten van de gerstebroden overblijven. Hierna trekt Jezus zich terug.
               De volgende dag gaan de mensen weer op zoek naar hem en vinden hem in een synagoge te Kafarnaüm (6,22.59). Volgens Jezus zoeken de mensen hem helaas niet om de juiste reden, niet vanwege het teken dat hij gedaan heeft, maar omdat ze verzadigd zijn: ‘U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft; de Mensenzoon zal het u geven, want de Vader, God zelf, heeft hem die volmacht gegeven.’ Ze vroegen: ‘Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil?’ ‘Dit moet u voor God doen: geloven in hem die Hij gezonden heeft’, antwoordde Jezus (6,27vv).
               En iets verder in het leergesprek dat zich nu ontwikkelt: ‘Dit wil mijn Vader: dat iedereen die de Zoon ziet en in hem gelooft, eeuwig leven heeft, en dat ik hen op de laatste dag uit de dood zal opwekken’ (6,40). Verder noemt Jezus zich onder meer: ‘Ik ben het brood dat leven geeft’ (6,35.48); ‘Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet, zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam’ (6,51.58).
               Wanneer er onder de Joden gemor (vgl. de reactie op Mozes in Ex. 16,2v) ontstaat over zijn woorden zegt Jezus: ‘Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven … blijft in mij en ik blijf in hem. De levende Vader heeft mij gezonden, en ik leef door de Vader; zo zal wie mij eet, leven door mij. Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald … wie dit brood eet zal eeuwig leven’ (6,54.56vv).

Zijn woorden wekken de nodige beroering en brengen een scheiding aan tussen de twaalf en de andere leerlingen, want veel leerlingen morren en keren Jezus de rug toe na zijn woorden in de synagoge. Ze kunnen niet naar hem, naar zijn harde, ongehoorde, radicale uitspraken luisteren. Zij willen niet langer met hem onderweg zijn en zijn weg gaan. Er is sprake van een geloofscrisis onder de leerlingen.
               De ergernis, het aanstootgevende van Jezus is te vinden in de direct aan onze tekst voorafgaande eucharistische woorden over het nuttigen van zijn lichaam en bloed (6,51-58; vgl. ‘het woord is vlees geworden’ in 1,14). Eerder al gaf het feit dat Jezus claimt, hoewel hij een mens is, God te openbaren en bemiddelaar van eeuwig leven te zijn, reden tot gemor (6,41-42).
               Jezus gaat niet nader in op de ergernis van de leerlingen, hij licht zijn woorden niet toe maar stelt een vraag over het opstijgen van de Mensenzoon naar waar hij vroeger was. De voorwaarde om te geloven blijft dus staan. Het is niet duidelijk of het de bedoeling is dat het opstijgen van Jezus de ergernis van de leerlingen uit de wereld moet helpen (vgl. 20,17) of dat deze juist groter wordt omdat het opstijgen, dat wil zeggen de dood en de opstanding van Jezus, nog veel meer geloof eist? Het is een open vraag, die ieder voor zich moet beantwoorden.
               Maar de mens staat er niet alleen voor. Er is een kracht die hem helpt om de ergernis van de menswording van God te overwinnen: de levend makende geest. Evenals in 3,3-8 is ook hier de tegenstelling tussen geest en vlees. Alleen de geest geeft leven aan het vlees, anders is het waardeloos. De geest verblijft in de Mensenzoon (1,33) en in de woorden die Jezus spreekt. Verandering door de geest is nodig om te kunnen geloven en door het geloof het leven te vinden. Vandaar de uitspraak dat niemand tot hem kan komen, tenzij het hem door de Vader is gegeven (6,37.44.65).
               Jezus noemt zijn woorden ‘geest en leven’, terwijl de leerlingen ze eerder zo ‘hard’ vonden dat er niet naar viel te luisteren. Voor ons zijn woorden vaak leeg maar in de bijbelse voorstelling kunnen woorden zeer krachtig zijn, met name Gods woord (denk bijv. aan het scheppingsverhaal).
               Wil het woord van God ‘leven’ zijn, dan moet de mens ontvankelijk zijn en het woord gelovig aannemen. Dat gebeurt door toedoen van de geest. Het woord van Jezus is werkzaam, verandert en geeft leven, juist omdat het van de Vader komt (6,68; 3,34).

Zowel in de eerste vraag over zijn opstijgen als in de tweede aan de twaalf zinspeelt Jezus op zijn einde. Hij weet dat sommigen niet in hem geloven en dat één van de twaalf, hoewel hij ze zelf heeft uitgekozen, hem zal overleveren (6,64.71). Hier is sprake van de spanning tussen de persoonlijke keuze voor Jezus en de gave van het geloof door de Vader.
               Van de grote menigte van vijfduizend mannen aan het begin van dit hoofdstuk (6,10) zijn er nog maar twaalf over (6,67). Op de vraag van Jezus of de twaalf niet ook willen weggaan, antwoorden zij namelijk bij monde van Simon Petrus: ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden die eeuwig leven geven, en wij geloven en weten dat u de heilige van God bent!’ (6,69). De evangelist wil met deze belijdenis van Petrus c.q. van de twaalf de mensen doen inzien wie Jezus is, zodat zij in hem gaan geloven. Hij maakt duidelijk dat Jezus God aanwezig stelt onder de mensen, dat Jezus verblijfplaats is van God, vandaar dat hij de heilige van God is. Hij gebruikt het woord ‘heilig’ in zijn evangelie verder alleen in verband met God (17,11) en de Geest (1,33; 14,26 en 20,22).

Patrick Chatelion Counet zegt het zo: ‘Johannes wil zijn gehoor beïnvloeden. Het gaat hem om de persoonlijke transformatie van de gelovige. Deze moet zijn oude identiteit afleggen. De persoonlijke dood is daartoe een middel. Het doel is eeuwig leven’

Literatuur
Patrick Chatelion Counet, ‘Verandering. Het evangelie volgens Johannes’ in: Frans Maas, Jacques Maas en Klaas Spronk (red.), De Bijbel spiritueel,  Zoetermeer 2004, 597

 

Preekvoorbeeld

Willen ook jullie soms weggaan? Die vraag stelt Jezus op het eind van het evangelie aan zijn leerlingen. Jezus leest hun gedachten. Hij leest wellicht ook onze gedachten en stelt die vraag ook aan ons. Willen ook jullie soms weggaan? Wat vind je nu bij hem, in zijn Woord, in zijn Kerk. Zijn de woorden van Jezus niet stuitend?
               In het stuk dat aan het evangelie van vandaag vooraf gaat, heeft Jezus gezegd: ‘Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven. Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed echte drank.’ Dat waren en zijn woorden die tegen de borst stuiten.
               Of hoor je ze niet meer, heb je ze te vaak gehoord? Is het zout allang uit de pap? Jezus zegt vaker vreemde dingen. Je moet zijn woorden niet zo letterlijk nemen. De pastor maakt er wel hapklare brokken van.
Willen jullie soms ook weggaan? Of was je al weg en komt die vraag nog aan!?

De woorden van Jezus hebben uitleg nodig. Sommige zegswijzen zijn ingewikkeld en het verschil van tijd en cultuur is groot. We moeten Jezus’ woorden niet te letterlijk verstaan. Hij verwacht niet dat we kannibalen worden. Tegelijk is er het gevaar dat we de angel uit zijn woorden halen. Zijn woord tot een goed verteerbaar zoet broodje vermalen.
          Wat zegt Jezus hier? Wat is het stuitende?
          Daar staat een man, zoon van een timmerman en een vrouw uit de straat in Nazaret, die zegt: Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald. Ik wil me aan jullie geven, alles wat ik heb, wat ik ben, mijn                    vlees en bloed. Daar staat niet een priester met een mooie gouden ciborie: Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald. Maar één van ons, een mens als wij. Je mag me opeten. Ik ben om op te eten.
          Als je in mij gelooft, kies je voor die weg: jezelf geven, brood voor de ander zijn. Er zijn… met je ziel en je lichaam, met je liefde, je onmacht, beschikbaar, present.
          Als we Jezus’ woorden verstaan als concrete, lijfelijke liefdespoëzie, verstaan we de woorden wellicht beter, maar zijn ze dan minder schokkend?
          Is de weg die Jezus aanreikt een begaanbare weg, een weg ten leven.
          Hoe is het om je dementerende ouders of partner te blijven bezoeken, ook al her­kent die je niet meer?
          Hoe is het om te investeren in dat kind dat alle geld, alle kansen verspeelt?
          Hoe is dat om je te geven aan een huis­genoot die al je ener­gie opzuigt?
          En om idealist te blijven, te vechten voor de vrede en moeten zien, hoe kwetsbare bloemen van hoop aan flarden worden geschoten?
Het evangelie vertelt dat niet alleen de omstanders, maar uiteindelijk ook de leerlingen aan Jezus en zijn Woorden twijfelen. Veel van zijn leerlingen trokken zich terug en verlieten zijn gezelschap. Jezus hoort de twaalf die overbleven, denken. Hij hoort ook ons denken en vraagt: ‘Wilt ook gij soms weggaan?’

In de eerste lezing is het Jozua die het volk voor een keuze stelt. Ze zijn net de rivier de Jordaan over getrokken het nieuwe land binnengetrokken, dreamland. Daar aan de oever van de rivier zegt Jozua: Daar zijn je afgoden, de goden van je voorouders. De goden waar je voor hebt gebogen. Je kunt nog terug. Kiezen voor zelf behoud, voor spierballen, voor dat waar je mee kunt scoren: je mooie verhalen, je opgepimpte leven, je agenda – die drijver –, de lieve vrede, die de baas is in je leven en die je kost wat kost te vriend wilt houden. Als je wilt mag je gaan. Maar je moet wel kiezen. Wil je gaan of wil je blijven? Wil je blijven bij de God die je van je slavernij verlost? Misschien kent u die verleiding, misschien heb je ooit de over­kant in je leven voelen trekken. Misschien trekt hij nu in deze levensfase...?

Veel leerlingen trekken zich van Jezus en zijn weg terug. Jezus vraagt dan aan Petrus en dus ook aan ons: Wilt ook gij soms weggaan?
Petrus zegt: ‘Heer, tot wie zouden wij anders gaan. Gij hebt woorden van eeuwig leven.’ We kennen deze woorden als een van de acclamaties, waarmee we het evangelie beamen? We kunnen ze meezingen, maar kunnen we ze beamen?
Misschien toch wel? Misschien zeg je: ik ken de verleiding, de verlokking van de goden aan de over­kant, maar uiteindelijk kan en wil ik niet anders. Er is maar één weg. Dat is de weg van de liefde, de trouw, de barm­hartigheid. Die afgoden zijn verleidelijk, maar ik schiet er uiteindelijk niets mee op. Zij leiden je ver van huis, ver van jezelf, ver van de ander, ver van God. Ik kan en wil niet anders dan doorgaan op die weg: ik blijf je toch bezoeken, ik blijf je trouw, ik blijf lopen voor de goede zaak. Wat een genade als je met de woorden van Petrus kan instemmen. ‘Heer, naar wie zouden we anders gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij weten dat Gij de heilige Gods zijt’.

 

inleiding dr. Yvonne van den Akker
preekvoorbeeld drs. Hans Schoorlemmer

webdesign: Artis