25 februari 2018
Tweede zondag van de Veertigdagentijd

Lezingen: Gen. 22,1-2.9a.10-13.15-18; Ps. 116; Rom. 8,31b-34; Mar. 9,2-10 (B-jaar)

 

Inleiding

Genesis 22
Genesis 22,1-19 is de welbekende tekst over Abraham die zijn zoon Isaak moet offeren. Het is een tekst die tot vele interpretaties heeft geleid, niet alleen in de exegese en in de theologische literatuur, maar ook in de kunst, en dat al van in de oudheid. Denk maar aan de mozaïekvloer van de synagoge van Beth-Alpha in Galilea (eenvoudig op Internet te vinden) waar het Abrahamsoffer als voornaamste illustratie groot is afgebeeld.
Het verhaal bestaat uit vijf delen: vers 1-2: de opdracht aan Abraham om zijn zoon te offeren; vers 3-10: de bijna volledige uitvoering van de opdracht, tot net voor het punt dat Isaak gedood gaat worden; vers 11-14: de tussenkomst van de engel, leidend tot de substitutie van Isaak door een ram; vers 15-18: de engel spreekt een tweede maal in naam van jhwh en herhaalt Abraham de belofte van een talrijk nageslacht, vers 19: afsluiting.
In de eerste zin wordt al duidelijk gemaakt dat het hele offer van Isaak een test is voor Abraham. Die mededeling die aan de lezer wordt gedaan en niet aan Abraham, – die verneemt dat pas in vers 12 wanneer de engel zegt: ‘Ik weet nu dat u God vreest’, lijkt van in het begin de hele spanning uit het verhaal te nemen. Maar niets is minder waar. De opdracht wordt zeer koel aangekondigd met drie imperatieven en daarenboven noemt God het offer: ‘Isaak, uw zoon, uw enige, die u liefhebt’; dat doet extra pijn. Men verwacht dan dat Abraham protesteert, maar neen, geen woord van protest bij Abraham; integendeel ’s ochtends in alle vroegte gaan Abraham en Isaak al op weg.
In het tweede deel (de uitvoering) komt het tot een ongemakkelijk gesprek tussen Abraham en zijn zoon. Isaak wijst zijn vader erop dat ze alles voor het offer bij zich hebben, alleen geen offerdier. Wanneer men een pelgrimstocht maakt naar een heilige plaats om daar een offer te brengen, neemt men ook het offerdier mee, of men koopt het ter plekke, maar dat laatste is in dit geval op ‘een van de bergen’ in het land Moria­ niet mogelijk. Het antwoord dat Abraham aan Isaak geeft, verheldert ook niet veel: ‘God zal in een offerdier voorzien, mijn zoon’. Dit antwoord is in de context van het hoofdstuk dubbelzinnig: het schijnt vooruit te wijzen naar vers 13 waar Abraham de ram vindt die met zijn horens in een struik verstrikt is, en die hij dan als substituut offert. Maar men kan het ook als een ontwijkend antwoord begrijpen: Abraham wil niet zonder meer zeggen aan Isaak dat hij zelf het offer is, en zegt dan maar vaagweg dat God dat allemaal regelt en beslist. Hoe dan ook, Isaak dringt niet verder aan; hij vertrouwt er blijkbaar op dat zijn vader wel weet wat goed is.
Dan komt – op het hoogtepunt van de spanning – in vers 11-12 de ontlading: Abraham mag Isaak niets aandoen; hij heeft de geloofstest doorstaan. Vanaf dat moment verloopt het verhaal razendsnel: Abraham vindt een ram en besluit die te offeren, en hij interpreteert die vondst als een ‘voorzienigheid’ Gods. Hij noemt de berg dan ook ‘Jhwh voorziet’, wat in het Hebreeuws een toespeling is op de naam Moria, naar het land waar Abraham het offer brengen moest (v. 2). Die plaats Moria is overigens niet gekend. 2 Kronieken 3,1 stelt deze plaats gelijk met de tempelberg in Jeruzalem maar dat is een hele late identificatie, die dateert van nadat Salomo de tempel daar had gebouwd, en nadat die ook weer verwoest was door de Babyloniërs. De Samaritanen situeren Moria trouwens op de voor hen veel belangrijkere berg Gerizim. Zij hebben alleen de Thora als heilige schrift en voor hen speelt die identificatie met de tempelberg in Jeruzalem in 2 Kronieken 3,1 dan ook geen enkele rol.
In het voorlaatste deel (vv. 15-18), waar de engel een tweede maal spreekt, wordt aangeknoopt bij de belofte aan Abraham van een talrijk nageslacht. In Genesis 15 reeds had Abraham de belofte gekregen, niet alleen van een zoon, maar van een nageslacht zo talrijk als de sterren aan de hemel. Die belofte wordt hier herhaald en verbonden met de geslaagde test ‘omdat u mij uw enige zoon niet hebt onthouden zal ik u zegenen en talrijk maken’.
Die tweede mededeling van de engel (vv. 15-18) is een toevoeging: ze wordt ingeleid met ‘voor de tweede maal’ – alsof de engel vergeten had dat de eerste keer te zeggen, en het perspectief in die tweede rede is ook veel breder: een heel volk zal uit Isaak geboren worden. Maar dat wil niet zeggen dat deze toevoeging zinloos is en geschrapt kan worden. Het is natuurlijk zo dat het – op het nippertje vermeden – offer van Isaak de hele belofte van Genesis 15 teniet zou hebben gedaan, zodat een herinnering aan die belofte die dan toch gestand blijft, hier wel zinvol is. En door ze met de trouw van Abraham in de uitgevoerde ‘test’ te verbinden, wordt die belofte ook iets voorwaardelijks: wie geen trouw toont, kan het beloofde verliezen.
Het doel van het oorspronkelijke verhaal – zonder die toevoeging van vers 15-18 – is niet helemaal duidelijk: mogelijk wordt hier – op een dramatische wijze– een verbod op mensenoffers geïllustreerd. Mensenoffers kwamen in het oude Nabije Oosten voor. Of het ook ooit in Israël voorgekomen is, is onzeker. In alle geval verbiedt het Oude Testament het offeren van mensen krachtig (Lev. 18,21) en dit verhaal van Abrahams offer kan dan als een legitimatie voor dit verbod gelezen worden: omdat God Abraham dat heeft verboden, mogen de Israëlieten nooit ofte nimmer een mens offeren.

Romeinen 8,31b-34
In deze perikoop grijpt Paulus in Romeinen 8,32 ‘hij heeft zelfs zijn eigen zoon niet gespaard’ terug op het verhaal van Abrahams offer. Het is een duidelijke allusie op (zelfs bijna een citaat van) : ‘gij hebt mij uw zoon, uw enige, niet willen onthouden’ (Gen. 22,12). Deze peri-koop maakt deel uit van de sectie Romeinen 5–8 waarin Paulus beschrijft welke perspectieven de christenen, die door hun geloof in het evangelie – en niet door de werken van de wet – gerechtvaardigd (en gered) zijn, mogen verwachten. Romeinen 6–8 gaat fundamenteel over de hoop die de gelovigen mogen hebben: de liefde van God voor de gelovigen en vooral de verzoenende dood van Christus verzekeren de verlossing. In Romeinen 8 verdedigt Paulus die hoop krachtig, en dat ondanks het lijden en de zonde waaronder de schepping kreunt (v. 22). De slotverzen 31-39 vatten die argumentatie nog eens samen en versterken die met het ultieme argument: als God zijn zoon niet heeft gespaard om ons te redden, wat zou hij ons dan in de steek laten aangaande de belofte van het delen in de heerlijkheid met Christus?

Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 75-86

Marcus 9,2-10
Marcus heeft in zijn evangelie niet echt een verrijzenisverhaal zoals de andere evangeliën dat hebben; maar het transfiguratieverhaal dat deze zondag wordt gelezen is een soort ‘vervroegde’ verheerlijking van de verrezen Heer. Het is zelfs niet de eerste keer dat Marcus duidelijk maakt dat zijn evangelie over de Verrezene handelt. Reeds helemaal in het begin (Mar. 1) bij de doop in de Jordaan, wordt Jezus als de verrezene gepresenteerd. Niet dat de verrijzenis zelf daar expliciet wordt genoemd, maar de omstandigheden: de hemel scheurt open, de Geest daalt als een duif over Jezus neer en de stem Gods die zegt: ‘Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde’ (woorden die ook herinneren aan Gen. 22,12!), laten er geen twijfel over bestaan: het evangelie van Marcus gaat over Jezus, die wij christenen als de verrezen Heer erkennen.
Opvallend aan het Marcusevangelie is dat de mensen in het verhaal hem tot Marcus 8,29 (dus kort voor de Transfiguratie!) niet schijnen te kennen. Integendeel ze vragen zich voortdurend af: ‘Wie is hij toch?’ Zelfs zijn leerlingen die dagelijks met hem meetrekken schijnen hem lange tijd niet te kennen (het zgn. Messiasgeheim). Wanneer in 8,29 door de Petrusbelijdenis dan toch eindelijk de doorbraak komt: Jezus is de Christus, Dat wil zeggen: de lang verwachte Messias, begint Jezus direct zijn lijden, dood én opstanding aan te kondigen (eerste voorspelling: 8,27-9,29; tweede 9,30–10,3; derde 10,32-52) en daarop volgt, met de komst van Jezus in Jeruzalem, het passieverhaal.
Het transfiguratieverhaal staat dus tussen de lijdensaankondigingen als een ‘gerealiseerde eschatologie’ (de verrezen Jezus, die pas aan het eind van het evangelie zal verrijzen, wordt hier al in al zijn glorie gepresenteerd –alsof hij al verrezen is). Daarin komen allerlei oudtestamentische elementen voor: de zes dagen, de hoge berg (Ex. 24,16v), het glanzende gewaad (Dan. 7,9), Elia en Mozes, de tenten (Ex. 27,21; Lev. 23,42v); de wolk en de stem (Ex. 16,10vv; 19,16.19). Met Elia en Mozes wordt tevens het hele Oude Testament ‘omsloten’. Mozes vertegenwoordigt de Thora en Elia de profeet Maleachi (het laatste boek van het Oude Testament) omdat die in 3,23v de terugkeer van Elia als voorloper van de Messias had aangekondigd. Dat laatste is trouwens ook het thema van het gesprek dat de drie leerlingen met Jezus voeren tijdens het afdalen van de berg (9,11vv), waarin Jezus nogmaals de band benadrukt tussen zijn aanstaande lijden en zijn verheerlijking. Voor Marcus is de verrezen Heer niet mogelijk zonder dat die eerst geleden heeft en ter dood is gebracht. Petrus, Jakobus en Johannes hebben echter het voorrecht gehad om die verheerlijkte Messias hier, nog voor zijn dood en verrijzenis, even te mogen zien.

 

Preekvoorbeeld

Hoe vergaat het u, wanneer u het verhaal van de beproeving van Abraham hoort vertellen?
Bij mij rijzen er vragen. Wellicht bij u ook. Misschien nog meer: weerstand, afschuw.
Abraham heeft lang moeten wachten op een kind. De zoon, die hij en Sara na zo veel jaren gekregen hebben, betekent toekomst: het houdt niet op met hen tweeën, een droom komt uit. Hun liefde is vruchtbaar. Hun zoon zal de stamvader worden van een groot nageslacht.
En dan klinkt de opdracht, van Godswege, om dit kind af te staan, te offeren.
Wat is het voor een God, die dit vraagt?
En hoe kan Abraham er zo zwijgzaam en zonder protest op in gaan? Is hij een gewetenloze vader? Wat is hier aan de hand? Waar gaat dit verhaal over?

Het is eigenlijk een stil verhaal. Er wordt weinig in gesproken, het vraagt niet naar gevoelens. Er staat geen woord te veel in.
De eerste die spreekt, is God. Hij noemt Abraham bij zijn naam. Het is niet de naam, die Abraham van zijn ouders kreeg – Abram – maar de naam die God zelf aan Abram gegeven heeft. Dat gebeurde op het moment dat hij hem de belofte gaf, dat hij vader van vele volken zou worden. ‘Abraham’: naam van de hoop, van de verbondenheid met God en zijn toekomst. En God heeft in Isaak een begin gemaakt met het nakomen van die belofte.
Dus als God zegt: ‘Abraham’, natuurlijk staat hij dan klaar: ‘Hier ben ik.’
God vraagt hem om zijn enige zoon, van wie hij houdt, zijn trots, zijn hoop te offeren. En Abraham gaat. Hij gaat op weg met Isaak, twee van zijn mensen en een van zijn dieren. Maar als ze vlak bij de offerplaats zijn, gaat hij alleen met Isaak verder: dit is tussen hem en God.

En als ze dan samen onderweg zijn – je ziet ze gaan – spreekt Isaak. ‘Vader van mij.’ – ‘Ja, mijn jongen.’ Je hoort hun verbondenheid in die woorden. Het is een gewone vraag, die Isaak stelt: het offerdier ontbreekt, hoe zit dat? Maar als toehoorder snijdt die vraag je door de ziel: je weet, wat er speelt! Zal die vraag Abraham ook pijnlijk getroffen hebben? Omdat je als toehoorder méér weet, word de vraag van Isaak ook aan jou gesteld. Welk antwoord ga je geven? De jongen heeft op een gewone vraag, een gewoon antwoord nodig. Maar zelf loop je met de brandende vraag: Is God nu te vertrouwen, zoals eerder bleek, of toch niet?
Abraham zegt: ‘God zelf zal zich van een offerdier voorzien, mijn jongen.’ Het lijkt nogal een vaag antwoord. Toch zit alles daarin, in die woorden: een verklaring in het hier en nu voor Isaak en een geruststelling van zichzelf; uit die woorden klinkt het tegelijkertijd: het verschrikkelijke wéten, dat God zich al een offer heeft gekozen, maar óók het hopen en willen geloven, dat God een uitweg weet, dat God groter en méér is dan hij, Abraham, kan overzien. Dat laatste laat hij aan Isaak zien en horen.
En vanuit die houding volbrengt hij de opdracht van God tot en met het grijpen van het mes. Abraham is bereid alles wat hij bezit, het liefste dat hij heeft, in Gods handen te leggen, bereid tot volledige overgave.
Maar dan is het genoeg. De engel van God zelf verhindert, dat hij verder gaat. Opnieuw klinkt de naam van de belofte: ‘Abraham, Abraham!’ Hij mag niet zijn ‘alles’ offeren. En Abraham levert zich niet volledig uit, maar vindt een ram en offert dat. Isaak wordt aan Abraham teruggegeven: hij blijft vader met alle verantwoordelijkheid die daarbij hoort. En de belofte van een groot nageslacht wordt herhaald. Dat is ook wel van belang, want bijna was er geen nageslacht meer mogelijk geweest.

Abraham is in staat om zijn leven, zijn toekomst in Gods handen te leggen. Het is doodeng! Je zou zeggen: als je alles in Gods handen legt, dan raak je alles kwijt! Je raakt de controle kwijt, je geeft het stuur uit handen, en God slokt alles op…. Dat nooit!
Maar juist dat gebeurt niet. Abraham is bereid tot overgave, tot toevertrouwen, maar: hij hoeft zich aan God niet uit te leveren. Hem wordt niets afgenomen. Hij krijgt Isaak, zijn liefste zoon, en heel zijn toekomst terug, maar op een andere wijze. Van nu af is Isaak van Abraham en van Sara, maar nog duidelijker dan voorheen van God, én van zichzelf. En de toekomst is aan Abraham, maar ook is de toekomst van God. Abraham heeft zijn eigen verantwoordelijkheid, maar de ervaring op de berg geeft hem daarbij een ander perspectief: het ligt niet alleen op zijn schouders. De Ene die groter is dan hij, zal erin voorzien – en dat is een bevrijding en een zegen.

Als je vader of moeder bent, wil je graag dat het goed gaat met je kind. Hij of zij is zo met je verbonden – dan gaat het ook goed met jou. Maar het is nooit denkbeeldig dat je kind de verwezenlijking moet worden van je eigen idealen, de inzet voor je eigen gedroomde toekomst. Dat los te moeten laten, het kind zichzelf laten zijn en worden, met vallen en opstaan, is een hele worsteling. Dat kost vaak zorg en pijn. Dit verhaal vertelt ons daarover. Maar het biedt ook een ander perspectief: het kind is een Godsgeschenk. Het is niet van jouzelf, het is van zichzelf en het komt van God, die groter is dan wij, en wij hebben niet in de hand waar het naar toe zal gaan. Dat is een opdracht, maar het is ook een bevrijding. Het is aan jou gegeven en je hebt als ouders je verantwoordelijkheid, maar je mag ook vertrouwen hebben: in dat wat God in je kind heeft neergelegd. Het kan heel anders lopen dan je gedacht had, je moet er zelf een weg in vinden, zelf de weg gaan, evenals Abraham, maar je hoeft het uiteindelijk niet alleen te doen.

Wat hier verteld wordt over Isaak, over een kind, dat geldt eigenlijk voor zoveel. Je partner, je vrienden of vriendinnen, je gezondheid. Hoe dikwijls heb je er niet je eigen ideeën over, je eigen gedroomde toekomst, die je gerealiseerd wilt zien. En natuurlijk mag en moet je je eigen plannen en idealen hebben, maar als je er niet in vast wilt lopen en als je de ander er niet vast mee wilt pinnen, en niet verbitterd wilt raken van de pijn, dan moet je iedere keer de berg op: om je plannen in Gods handen te leggen.
Is dat niet ook wat Jezus heeft willen laten zien aan zijn leerlingen? Hij beseft al dat hij alles uit handen zal moeten geven, heel zijn leven. Het loopt allemaal anders dan gehoopt. Alles wijst erop, dat Jezus ermee geworsteld heeft. Maar op de berg wordt hij verlicht en versterkt: hij geeft zijn leven uit handen, maar krijgt het op een nieuwe wijze van God terug.

Het blijft doodeng – dat is in elk geval mijn ervaring. Iedere keer weer lijk je alles te verliezen. Je kunt alleen maar afgaan op de ervaring van Abraham, en misschien op eerdere ervaringen van jezelf: je verliest het niet. Je krijgt alles terug, je krijgt het leven opnieuw in handen, maar op een andere manier. Uiteindelijk maakt die worsteling met God het lichter en wordt ze tot zegen.

 

inleiding prof. dr. Erik Eynikel
preekvoorbeeld Marian Wisse

webdesign: Artis