25 december 2017
Kerstdag

Lezingen: Jes. 52,7-10; Ps. 98; Heb. 1,1-6; Joh. 1,1(-5.9-14)-18 (B-jaar)

 

Inleiding

De lezingen van deze kerstmorgen bevatten twee prologen, die van de Hebreeënbrief en van het Johannesevangelie. Beide vertonen nogal wat overeenkomsten. Het is verleidelijk om de proloog van het Johannesevangelie verticaal te lezen, als een christologie ‘van boven’, senkrecht von oben voor de Barthianen: het Woord dat inbreekt in onze werkelijkheid. Toch is er veel voor te zeggen om deze verticale duiding niet al te snel op de teksten te plakken. Bijvoorbeeld omdat het heil dat deze dag verkondigd wordt niet alleen een verticale dimensie heeft, maar ook een horizontale beweging maakt, omdat het alle hoeken van de aarde wil bereiken. Deze beweging komt met name in Psalm 98 en Jesaja 52 tot uitdrukking.

In feite drukt de Romeinse liturgie ook een beweging uit. De Kerstdag kent drie missen. In Rome werden deze, naar een gebruik van de kerk van Jeruzalem, in verschillende kerken gevierd. Na de nachtelijke mis in de Santa Maria Maggiore, die Betlehem representeert, pelgrimeerde men als het ware mee met de herders naar de Opstan­dings­kerk, alwaar de dageraadsmis werd gevierd. Het hoogtepunt van de kerstviering vond vervolgens plaats in de Sint Pieter, de kerk voor alle volken. De gedachte van een nachtelijke pelgrimstocht kan behulpzaam zijn om deze op het oog zeer verschil­lende kerstverhalen bij elkaar te houden, de intieme geboortescène in Betlehem en het volstrekt andere theologische register van het Johannesevangelie.
Bovendien past de Jesajalezing hier eigenlijk zeer goed in: de wachters op de muren van Jeruzalem zien de komst van het heil, Jesjoe’ah – Jezus. God regeert; zijn Koning is geboren. Een opmerkelijk dwarsverband is overigens dat Jesaja 52 niet alleen op kerstmorgen wordt gelezen, maar ook op Goede Vrijdag. Vanaf vers 13 dan uiteraard.

Johannes 1
De proloog van het Johannesevangelie plaatst Jezus (die hier nog niet bij name ge­noemd wordt) in een kosmisch perspectief: de Christus van het geloof staat aan het begin van de schepping. Tegelijkertijd wordt daarmee de vertelsituatie van het Johannesevangelie geïntroduceerd, die voor ieder begrip van dit evangelie absoluut funda­menteel is. In het Johannes­evangelie blijkt telkens weer dat het spreken en handelen van Jezus een hemels referentiekader heeft. Dat is ook de reden dat zo velen hem niet begrijpen; zij handelen en redeneren volgens een aards denkkader.
Deze literaire kunstgreep van de evangelist stoelt op een theologische overtuiging die nauw verwant is aan de theologie van de Hebreeënbrief. Beide vertonen verwantschap met joodse litera­tuur, zowel vroegere als latere, in het bijzonder Philo van Alexandrië. De judaïcus Daniel Boyarin, nooit bang voor een boude stelling, zegt zelfs: ‘Tot vers 14 is de proloog van Johannes een voorbeeld van volstrekt gangbaar niet-christelijk joods gedachte­goed dat naadloos is geïntegreerd in het christologische narratief van de johanneïsche gemeen­schap’.  Dit mag wat al te ver gaan, maar Boyarin toont door middel van tekst­voorbeelden duidelijk aan dat de gedachte van een goddelijk Woord dat als schepper optrad vrij gangbaar was in joodse kringen. Het voordeel van een dergelijke theologie was dat de antropomorfe aanduidingen van God in het Oude Testament, die in deze periode als problematisch werden ervaren, zo beter begrijpelijk werden, omdat God zelf meer op afstand werd geplaatst van de schepping. De overtuiging omtrent de goddelijke herkomst van Jezus, dat voor veel moderne mensen haast onbegrijpelijk is, was daardoor een leerstuk dat in de tijd van Johannes niet zozeer problemen opwierp maar ze hielp oplossen.

Het inzicht van Boyarin dat de eerste verzen van de proloog naadloos passen in bestaand joodse gedachtegoed, is zorgvuldige overdenking waard. Er is hier (nog) geen sprake van een harde breuk. Voor zover er een breuk is, werkt de auteur daar geleidelijk naar toe. Tot vers 14 is het betoog van de proloog niet zozeer dat het Woord mens geworden is, maar juist dat het pre-existent is en heerst over de schepping, over licht en duister. Pas bij 14-18 komt de wending die de kern van het betoog uitmaakt: de mededeling dat het woord vlees is geworden. De proloog vermengt zodoende contemplatie met reflectie, waarbij het contemplatieve element naar mijn mening overheerst.

De proloog van het Johannesevangelie vertoont opmerkelijke parallellen met de epiloog ervan (20,30–21,25). In een eerdere inleiding op de lezingen (Tijdschrift voor Verkondiging 2016/6) ging ik in op de uitleg van Richard Bauckham, die op basis van numerieke verbanden beargumenteert dat er sprake is van een bewust aangebrachte literaire structuur. De pre-existente Christus van de proloog wordt de opgestane Heer zonder wie de leerlingen niets kunnen ondernemen. Het is wel zo dat de proloog een wat ander stijlregister hanteert, één dat het midden houdt tussen proza en poëzie, zoals in later tijden de Koran dat ook doet. Het is een dramatische spreektrant die gekenmerkt wordt door een hoge intensiteit van stijlfiguren, met veel woordherhalingen en assonanties, en die bewust aan de stijl van de Septuaginta (het Griekse Oude Testament) herinnert. De termen die gebruikt worden, ‘het heeft zijn tent opgeslagen’, ‘vol van genade en waarheid’, ‘wij hebben zijn glorie aanschouwd’ herinneren alle drie aan het Exodus­verhaal. Dat is een motief dat in het evangelie regelmatig terugkeert.

Hebreeën 1
De Hebreeënbrief – eigenlijk niet echt een brief maar een uitgewerkte preek – vertoont enkele algemene overeenkomsten met het Johannesevangelie. Beide hebben een duidelijke interesse in de tempel en in joodse geloofspraktijk in het algemeen. Beide worden ook vaak beschouwd als voorbeelden van bijbels anti-judaïsme en substitutietheologie. Het belang­rijkste verschil tussen Johannes en de Hebreeënbrief is wellicht theologisch. Beide gaan uit van de pre-existente logos, het goddelijke Woord. Maar waar de Hebreeënbrief de hogepriesterlijke rol van Christus benadrukt, trekt het Johannesevangelie de conse­quentie dat Christus zelf God is, en dat het dus eigenlijk niet heel vanzelfsprekend is dat hij priester (of hogepriester) is, want hij zou dan zelf voorwerp van zijn eigen verering zijn. Dit onderscheid helpt om de inhoudelijke parallellen tussen beide teksten te kunnen volgen.

Wat moeten we dan, nu, met de bijbelse boodschap van het vleesgeworden Woord? Het geloof in een pre-existente, goddelijke logos, dat destijds plausibel was en problemen hielp oplossen, kan nu voor moderne christenen een buitengewoon moeilijk te nemen hindernis zijn. De nieuwtestamentische wetenschap kan er echter op wijzen dat deze overtuiging (en de gelijkstelling van Jezus met de logos) wel voluit bijbels is, en dat Johannes hierin niet alleen staat. De latere controverses omtrent de christologie en de triniteitstheologie volgen rechtstreeks uit precies hetzelfde probleem dat hier in nuce al aanwezig is.

Twee, wellicht drie, exegetische opmerkingen kunnen het probleem misschien nog iets hanteerbaarder maken. Om te beginnen dat het karakter van de proloog juist niet dat massieve senkrecht von oben benadrukt. Het staat in een dynamisch proces, een scheppingsproces, dat bedoeld is om te inspireren en te activeren zoals het dat deed met de eerste leerlingen. Het Woord – Jezus – heeft in het Johannesevangelie niet het karakter van een dogmatisch inzicht dat geloofd moet worden, maar het heeft juist een dialogisch karakter. Het gaat met ons in gesprek, juist als wij bereid zijn ons te laten inwijden en met volle wil en verstand in te gaan op de goddelijke oorsprong van dit Woord. Daarbij houdt het Woord – Jezus – ook voortdurend zijn menselijke karakter, met alle emoties die daarbij horen. De evangelist draait niet heen om het feit dat Jezus een aardse moeder had (al krijgt zij wel vrij nadrukkelijk een plaats toegewezen) en er is geen moment sprake van een maagdelijke geboorte, al wordt deze evenmin ontkend. Zo is de mens Jezus een onmisbaar deel van het verhaal van God, en krijgen ook wij de kans als kinderen in dat Verhaal te worden opgenomen. Als wij tenminste geloven, wat, volgens Johannes 20,31, de expliciete bedoeling van de tekst is.

Literatuur
Richard Bauckham, Jesus and the Eyewitnesses, 2006
Daniel Boyarin, ‘Logos, a Jewish Word: John’s Prologue as Midrash’. In: The Jewish Annotated New Testament, Amy-Jill Levine and Marc Brettler (uitg.), 2011
Pius Parsch, Het Jaar des Heren. Eerste deel: kerstkring, 1941

 

Preekvoorbeeld

Sedert eeuwen wordt de proloog van het Johannesevangelie gelezen in de dagviering op kerstdag. Deze gewoonte heeft alle hervormingen van de liturgie en van de lezingencyclus overleefd. Uit deze historische vaststelling valt af te leiden, dat de proloog van het vierde evangelie ons volgens de kerkelijke traditie de betekenis van Kerstmis openbaart. Dit mag ons enigszins verwonderen. Wij horen in deze tekst niets over Betlehem, over Maria en Jozef, over engelen en herders, over Gods eer ‘in den hoge’ en over ‘vrede op aarde aan de mensen die hij lief heeft’. Het is alsof de evangelist wil verhinderen dat wij ons hechten aan beelden en gevoelens die een romantische stemming tot stand willen brengen. Hij doet integendeel een beroep op onze denkkracht. De proloog van het Johannesevangelie plaatst Jezus (die hier niet eens bij name genoemd wordt) in een kosmisch perspectief: de Christus van het geloof staat aan het begin van de schepping. Tegelijkertijd wordt daarmee de vertelsituatie van het Johannesevangelie geïntroduceerd die voor ieder begrip van dit evangelie absoluut universeel is. En het moet ons dan ook niet verwonderen dat zaakkundige commentatoren in alle ernst menen dat men deze tekst alleen kan begrijpen als men meerdere jaren theologie gestudeerd heeft.

Centraal in onze evangelietekst staat de zinsnede: ‘Het woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond.’ Het gaat hier om de menswording van Jezus, niet enkel om een romantische idylle in de stal van Betlehem. Het gaat over de zin van de hele wereld. Alles waarnaar de mens zoekt en verlangt, ligt besloten in een kind. Het betrouwbaar houvast in leven en sterven heeft een naam, men kan hem zien en betasten. Het wonder bestaat daarin dat God mens wordt. De ware God verschuilt zich niet achter de muren van zijn eeuwigheid waar hij uit de verte op ons neerkijkt. ‘Het woord is vlees geworden’ (in het Grieks staat er een woord dat zoveel betekent als ‘zijn tent opslaan’). Hij is ‘vlees’ geworden. Dat betekent een concrete mens, zichtbaar en tastbaar.
Dat God mens werd is de paradox der paradoxen. Het christelijk geloof openbaart het ondenkbare: God is mens geworden. Enkel daarom is er de lofprijzing van de engelen en de herders. Het wonder van Kerstmis heeft de ‘dwaasheid’ van Gods heilshandelen openbaar gemaakt. God kent onze armoede en onze nood, onze angst en ons lijden.
Wat hij aangenomen heeft, heeft hij evenwel ook geheeld. Daarom hebben angst en nood, ofschoon zij nog machtig zijn, niet meer het laatste woord.
De geschiedenis van Gods ontmoeting met de mens is getekend door een tragische weigering van de uitverkorene. De duisternis heeft het licht niet aanvaard. ‘Hij kwam in het zijne maar de zijnen aanvaardden hem niet’. Het evangelie laat iets van de treurnis doorschemeren, die over dit veelvoudig ‘neen’ der mensen ligt. En toch heeft God, zich steeds opnieuw, tot de mens willen wenden. ‘Menigmaal hebt Gij aan de mensen een verbond aangeboden en hen bij monde van de profeten, gesproken over hun heil in de verte’, zo belijden wij in het vierde eucharistische gebed. De menswording van de Zoon is een ultieme weg van Gods erbarmen: zo is hij werkelijk één geworden met hen die hij helpen wou. God doet het ultieme wat hij nog kan doen: hij wordt mens. Hij bewijst zijn macht door de onmacht van zijn schepsel aan te nemen. Meer nabij kon hij de mens niet komen. De inzet van zijn leven voor ons begint ten laatste bij zijn komst in deze wereld. Alles is overgave in liefde. De menswording van God is werkelijk het einde van zijn wegen.

Gods erbarmen, dat aan het licht komt in de menswording, moet ons wakker schudden. Dat gebeurt in elke confrontatie met een lijdende medemens, waar achter Jezus incognito zich verbergt. Hij roept ons op om ons door het lijden en de ellende van deze wereld te laten beroeren. Zij die aan zijn naam geloven zullen met geheel hun hart danken voor Gods uitzinnige liefde. Volgens Bijbelexperts gaat de proloog van het Johannesevangelie terug op een vroegchristelijke hymne. Daarom kan ons antwoord hierop ook alleen maar jubel zijn, waardoor wij instemmen met deze lofprijzing van de eerste christenen. Er zijn dingen die men alleen met aanbidding adequaat beantwoorden kan: Het gaat om dank en vreugde: ‘Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader ontvangt.’

 

inleiding drs. Matthijs Kronemeijer
preekvoorbeeld prof. dr. Ernest Henau

webdesign: Artis