25 november 2018
Christus Koning

Lezingen: Dan. 7,13-14; Ps. 93; Apok. 1,5-8; Joh. 18,33b-37 (B-jaar)

 

Inleiding

Het hoogfeest van Christus Koning van het heelal sluit het kerkelijk jaar af. Het feest werd in 1925 door paus Pius XI ingesteld en legt de nadruk op de allesomvattende betekenis van het koningschap van Christus over de mens en de wereld. Daarmee ligt de verleiding van enig triomfalisme op de loer. Het is daarom van belang om te zien dat Jezus met zijn woorden, daden en persoon uitmaakt wat koninklijk is. Jezus is niet zo maar een koning die groter is dan de andere koningen of machthebbers. Het is omgekeerd: wat hij doet en zegt, dat noemen wij koninklijk. Daarmee is het eerder een omkering van de waarden die in onze wereld hoogtij vieren. Jezus is Koning anders.

Daniël 7,13-14
De perikoop komt uit een moeilijk te doorgronden visioen in Daniël 7. Het speelt ten tijde van de ontwijding van de tempel in de tweede eeuw voor Christus. In een apocalyptisch visioen wordt in deze uitzichtloze situatie waarin de tempel door heidenen ontwijd is, de uiteindelijke redding door God aangekondigd. Daniël ziet een iemand die op een mens lijkt aankomen op de wolken van de hemel (Dan. 7,13). Het Aramees gebruikt hier de uitdrukking ‘zoon van een mens’, wat een staande uitdrukking voor een mens is, maar in het Nieuwe Testament een titel voor Jezus wordt: de Mensenzoon. Deze hemelse, maar ook menselijke gestalte wordt voor God geleid, hier genoemd ‘de Bejaarde’ / ‘de Oude’ (Dan. 7,14). Hierop ontvangt de Mensenzoon de macht, de eer en het koningschap. De identiteit van deze mensenzoon blijft hier vaag. Menselijk en komend op de wolken. Het is een messiasgestalte met hemelse trekken, die zich identificeert met de heiligen en de martelaren omwille van het heilige van de Naam van God. Het is niet verwonderlijk dat de christenen in deze solidaire gestalte Jezus herkenden, ook als de verrezen Christus. Het koningschap wordt immers gekenschetst als eeuwig en onvergankelijk. God heeft eeuwige redding gebracht door zijn Messias. In de tweede lezing wordt er aan deze lezing gerefereerd door de toespeling op degene die komt ‘met de wolken (des hemels)’ (Dan. 7,13 en Openb. 1,7).

Openbaring van Johannes 1,5-8
In de tweede lezing zien we als het ware een christelijke versie van het visioen uit het boek Daniël. Beide teksten behoren tot hetzelfde genre, namelijk de apocalyptiek. In dit genre wordt beschreven hoe God redding brengt in moeilijke situaties waarin menselijk gezien de hoop verloren is. God laat zijn mensen niet in de steek en grijpt in. Deze perikoop is genomen uit het begin van het boek Openbaring van Johannes. Na het opschrift volgt dit gedeelte dat gericht is tot de zeven kerken in Asia (nu Turkije). In een groet zoals die aan het begin van een brief gebruikelijk is, worden Jezus drie titels toegedicht: Hij is de betrouwbare getuige, de eerstgeborene uit de doden en de vorst van de koningen van de aarde (Openb. 1,5). Het gaat hier niet zomaar om een koning van koningen, maar om een andere macht. Deze macht is niet alleen maar gelegitimeerd door goddelijke aanspraken, maar deelt direct in Gods macht. Het koningschap krijgt hier een universeel karakter. Na de groet volgt een lofprijzing waarin Jezus wederom op drievoudige wijze wordt geprezen: Hij die ons liefheeft, die ons door zijn bloed heeft verlost uit onze zonden en die ons gemaakt heeft tot een koninkrijk van priesters voor zijn God en Vader. De adressanten – letterlijk de zeven kerken, maar in de perikoop wij die toegesproken worden – delen dus in het koningschap van Jezus. Een koninkrijk van priesters wil zoveel zeggen dat wij door Jezus in directe verbondenheid met God staan: wij mogen hem aanspreken, prijzen en aanbidden. In het vervolg wordt er met ‘zie’ een visioen geopend dat bijna geheel bestaat uit allusies op Schriftteksten (Dan. 7,13 en Zach. 12,10). Deze toespelingen worden echter direct op Jezus toegepast: Hij is de Messias uit den hoge, maar ook degene die doorstoken is op het kruis (Joh. 19,37). De Koning is niemand anders dan de gekruisigde en verrezen Christus.

Johannes 18,33b-37
Tijdens de ondervraging van Jezus door Pilatus kort voor zijn dood aan het kruis brengt de landvoogd het thema van het koningschap in. ‘Ben jij de koning van de Joden/Judeeërs?’(Joh. 18,33). Pilatus lijkt hier vooral de vraag te stellen in verband met mogelijke concurrentie door Jezus. De keizer is immers de koning bij uitstek en Pilatus is in Judea zijn zaakwaarnemer. Op een soevereine wijze neemt Jezus dan het initiatief over door een tegenvraag te stellen, waarin hij betwijfelt of deze vraag van Pilatus zelf komt. En inderdaad reageert Pilatus met een verwijzing naar ‘het eigen volk en de hogepriesters’ die Jezus aan hem hebben overgeleverd. Hij vraagt Jezus vervolgens concreet naar zijn daden: ‘Wat heb je gedaan?’ (18,35). Jezus antwoordt hier niet concreet op, maar blijft bij het thema van het koningschap. Hij maakt duidelijk dat hij op een andere manier koning is. De keizer en Pilatus zijn koningen met een wereldse macht. Jezus’ koningschap is van een andere orde. Letterlijk: ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld’ (kosmos 18,36). Jezus duidt hier op de oorsprong van zijn koningschap: deze komt van God en niet van de wereld (hier te verstaan als degenen die zich niet voegen naar de goddelijke orde).
           Pilatus lijkt de finesses van deze uitspraak niet te begrijpen, want hij gaat alleen in op het koningschap: ‘U bent dus toch koning?’ (18,37) We hebben hier te maken met een typisch stijlfiguur in het vierde evangelie die in de exegese de naam: ‘het johanneïsche misverstand’ heeft gekregen. Een bepaald begrip heeft een dubbele betekenis en Jezus en zijn gesprekspartner lijken daardoor langs elkaar heen te praten. (bijvoorbeeld ‘levend/stromend water’ in het gesprek met de Samaritaanse vrouw in Johannes 4 en ‘opnieuw/van boven geboren worden in het gesprek met Nicodemus (Joh. 3). Hierdoor wordt de lezer uitgedaagd om het goed te verstaan. Ook hier speelt dat. Anders dan Pilatus kunnen wij uit het voorgaande evangelie begrijpen dat ‘koningschap’ bij Jezus een geheel andere invulling heeft dan bij de koningen van deze wereld. Het koningschap van Jezus bestaat in het getuigenis afleggen van de waarheid, dat wil zeggen de betrouwbaarheid van God. Pilatus lijkt de uitspraken rond het koningschap van Jezus niet te begrijpen. Overigens wordt Jezus al in het eerste hoofdstuk door Natanaël koning genoemd: ‘Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël’ (Joh. 1,49). In Johannes 6,15 vlucht Jezus weg als hij na de broodvermenigvuldiging de indruk krijgt dat het enthousiaste volk hem tot wereldse koning wil uitroepen. Het andere koningschap van Jezus moet zich voor ons langzaam ontvouwen.

In alle drie de lezingen wordt het koningschap als een koningschap van God gezien: de messiaanse mensenzoon en Christus ontvangen het koningschap uit Gods hand. God is zelf de hoogste koning zoals ook in de koningspsalm 93 naar voren komt: ‘JHWH is koning, met verhevenheid bekleed; JHWH heeft zich met kracht omgord’ (Ps. 93,1). De lezingen verwijzen naar elkaar en brengen zo het beeld naar voren van een goddelijke koningsgestalte. Het is goed te bedenken dat deze koningsgestalte wel nadrukkelijk gekoppeld wordt aan Jezus van Nazaret. In zijn optreden, zijn lijden en verrijzen komt dit koningschap tot uitdrukking. In die zin is hij werkelijk een andere koning, niet te vergelijken met welke wereldse heerser dan ook.

 

Preekvoorbeeld

Wat verstaan wij onder een koning? Is dat iemand die de absolute top vormt, zoals in ons staatsbestel, in de wereld van sport met ‘Koning Voetbal’, of in het theater met de ‘Koning van de Lach’? Een koning(in) is de machthebber; hoger kan je niet staan, want dan ga je ‘over de top en over de kop’. Dan word je tot ridder te voet en begint alles van vooraf aan…
           Vorsten zijn schaars in aantal in onze tijd; de macht wordt vaak uitgeoefend door een gekozen president, al dan niet gecontroleerd door het parlement. Nu weten wij uit ervaring dat er van macht een grote aantrekkingskracht uitgaat. Hoeveel mensen zijn bestand tegen dat virus? Macht kan van mensen monsters maken. Slachtoffers van machtsmisbruik genoeg in de wereld van de politiek, het bedrijfsleven, het onderwijs, de wereld van de sport, in de kerk...

We horen de profeet Daniël vertellen over een visioen dat zich afspeelt in de nacht. Donkere tijden dus; wie kent ze niet? Gaat het bij Daniël om de onderdrukking van het Joodse volk door de Syrische koning Antíoches, ook vandaag worden mensen op allerlei terreinen klein gehouden door anderen die de dienst uitmaken in bedrijf, vereniging, of zelfs het gezin.
           Daniël nu, bezweert zijn toehoorders niet te wanhopen. Er komt een mens, zegt hij, die, in verbondenheid met de Allerhoogste, al Gods kinderen samenbrengt in een rijk dat eeuwig stand houdt. Psalm 93 zingt een lied: de vloed van het kwaad, die kolkende zee, wordt in toom gehouden door Gods geboden. Zo beschermt God zijn rijk, in Liefde en Zorg.
           Het beeld van de Mensenzoon waarover Daniël spreekt wordt in het laatste Bijbelboek, de Apocalyps, toegepast op Jezus. De naam ‘Mensenzoon’ wordt zijn titel.
           Wie Jezus zegt, zegt: God. In hem heeft de Almachtige onder ons gewoond. In Jezus, de mens bij uitstek, heeft God zich, opnieuw en nu voorgoed, verzoend met ons. Jezus is de ‘eerstgeborene onder de doden’, de eerste mens die door de dood heen, bij God in het volle leven is opgenomen. Wij mogen hem volgen. Is Jezus de ‘vorst der koningen’, in hem worden wíj verheven tot koningen en priesters. Ja, wij zijn belangrijk; iets om te onthouden!

Wat is de essentie van Jezus’ koningschap? Pilatus worstelde met die vraag toen Jezus voor hem stond. Had Jezus dat van zichzélf gezegd? Jezelf uitroepen tot koning, ten koste van de keizer, betekende hoogverraad en de pretendent ervan was volgens Romeins Recht des doods schuldig. ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld’, zegt Jezus dan. Het Rijk van God draait om het welzijn van elkaar, om iets moois voor de ander te betekenen; elkaar vasthouden wanneer het misgaat. Wij kunnen hier denken aan koningin Máxima die over haar jammerlijk gestorven zus opmerkte dat zij ziek was, omdat zij geen vreugde meer vond in het leven.
           In haar verdriet vond de koningin ruimte om mensen die dezelfde tranen kennen, troost te bieden. Dat is een koninklijk gebaar, zoiets schept ruimte. Op zulke grond leven mensen óp. Dat is geréchtigheid omdat het mensen een ‘rechte’ weg naar elkaar en naar het léven wijst!

In die ruimte kan Gods waarheid tot klinken komen – wie oren heeft, hij luistere! In de woorden van predikant A.F. Troost: God dank. Er is een koning, die zorgt voor al wat leeft, die zwaluwen een woning, de vogels voedsel geeft; die als de sneeuw weer smelt, doet groeien, doet ontluiken, doet bloeien: bomen, struiken, de bloemen op het veld.
           Die kóning mogen wij herkennen in Christus, de Alfa en de Omega; die is en die was en die komt. Moge het zo zijn.                                                      

                                                                                             

inleiding drs. Marc Brinkhuis
preekvoorbeeld drs. Frank van der Knaap MA

webdesign: Artis