25 december 2018
Kerstdag

Lezingen: Jes. 52,7-10; Ps. 98; Heb. 1,1-6; Joh. 1,1(-5.9-14)-18 (C-jaar)

 

Inleiding

Jesaja 52,7-10: Boodschap van vreugde
De lezing uit Jesaja is een poëtische aaneenschakeling van vreugdevolle gebeurtenissen en één oproep tot jubelen en juichen. Dat past uitstekend bij Kerstmis, hoewel de tekst niet per se met het oog op de geboorte van Jezus is geschreven. Hij is afkomstig uit het profetenboek Jesaja. Jesaja zelf leefde zo’n zeven eeuwen voor Christus, maar de historische setting van de perikoop is het einde van de ballingschap, in de zesde eeuw voor Christus.
            De verscheidenheid aan onderdelen van het boek Jesaja leiden ertoe dat het boek globaal in drieën gedeeld wordt. Hoofdstuk 1-39 worden aan Jesaja toegeschreven, hoofdstuk 40-55 aan een schrijver die wordt aangeduid met Deutero-Jesaja en tenslotte hoofdstuk 56-66 aan Trito-Jesaja.
            De eerste lezing vandaag is afkomstig uit het tweede deel van Jesaja. Dit deel heeft de terugkeer naar het land na de ballingschap als centraal thema. Dat verklaart dan ook de vreugde die deze verzen kenmerkt. Wordt de ballingschap geduid als straf voor de misstappen van het godsvolk (zie wat enige verzen vóór deze lezing wordt gezegd: ‘de beker van de toorn van de Heer heb je gedronken’ en ‘drink niet meer uit de kelk van mijn (Gods) toorn’ – 51,17.22) nu komt aan de bestraffing een eind. Zoals het begin van Deutero-Jesaja zegt: ‘Troost, troost mijn volk…de schuld is voldaan…bereid de Heer een weg door de woestijn’ (40, 1-3). Het is de Heer zelf die de troost en bevrijding brengt. Als de ballingschap een straf is, dan is terugkeer naar het eigen land, naar Sion, naar Jeruzalem, onder aanvoering van de God van Israël zelf, een ware triomftocht.
De vreugdezang is gevat in krijgstaal, die zonder uitzondering positief klinkt. Gaat het in 51,23 nog over het verslaan en vernederen van de vijand, daaropvolgend in 52,1-6 zal de vernedering die de Heer in zijn volk heeft ondergaan omslaan in het tegendeel: zijn volk zal de Naam erkennen; ‘Ik ben er’ (vergelijk Ex. 3,14), een bevestiging van het Verbond.
           De vreugdebode, die de goede boodschap, het evangelie brengt, wordt van harte verwelkomd (52,7). Zo vormt het koningschap van de Heer een scherp contrast met de heerschappij uit de volkeren, en zelfs de wachters die slechts de resten van een verwoeste stad kunnen bewaken, jubelen. Dit is geen voetnoot in de geschiedenis: De komst van God is een heilsboodschap die voor alle volkeren bestemd is. We zien hier de universele reikwijdte van Jesaja. De verlossing van Gods eigen volk, het koningschap van God wordt gezien als heil voor de volkeren tot aan de uiteinden van de aarde (vergelijk Luc. 2,10.29-32; Hand. 1,8).

Johannes 1,1(-5.9-14)-18 Scheppend Woord
Het evangelie van deze kerstdag is de ouverture van het evangelie volgens Johannes. Lucas biedt in het beroemde kerstevangelie een blik op de geboorte van een klein kind onder de mensen, een kind dat een hemelse afkomst en bestemming heeft, gezien de aankondiging van zijn komst door een engel en de verkondiging wederom door engelen van deze geboorte aan herders: ‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die Hij liefheeft’ (Luc. 2,14).
           Johannes heeft een andere insteek. Ook hij start zijn evangelie met de herkomst van Jezus. Hij geeft aan dat de hemelse en goddelijke oorsprong van Jezus al vanaf het begin in de schepping verankerd ligt. Hij kiest daarvoor woorden die aansluiten bij de bijbelse wijsheidstraditie. ‘Ik ben in het begin gemaakt, nog voor alles er was, zegt Wijsheid’ (Spr. 8,23) en ‘de wijsheid is vóór alles geschapen’ (Sir. 1,4); zie bijvoorbeeld ook Sirach 24,3 waar Wijsheid van zichzelf zegt: ’Ik ben uit de mond van de Allerhoogste voortgekomen, als een nevel heb ik de aarde bedekt’. Zoals de Geest van God over de wateren zweeft (Gen. 1,2), zo bedekt de nevel, die ‘wijsheid’ is, de aarde.
           Johannes de evangelist spreekt niet van ‘wijsheid’ (sofia) maar gebruikt de meer hellenistische traditie van ‘woord’ (Grieks: logos); het ‘woord’ dat mede-schepper is. Ook daarin weerklinkt het eerste scheppingsverhaal: God sprak… en het was (Gen. 1,1-26).
           Dit woord is vlees geworden, wat wil zeggen dat deze scheppende kracht ons menselijk bestaan deelt. Sterker nog: Hij heeft onder ons zijn tent opgeslagen (Joh. 1,14). Het is niet meer en niet minder dan dat God onder ons woont, zoals hij in de tent van het verbond met zijn volk meetrekt (zie o.a. Ex. 40,34).
De evangelist laat het niet bij deze verwijzing naar het ‘woord’: hij gaat over op de thematiek van leven, van licht, licht dat in de duisternis schijnt en duisternis die dat licht niet aanneemt (Joh. 1,3v).
           Na deze breed opgezette maar vooralsnog abstracte en hemelse inleiding draait de blikrichting dan naar de aarde: een mens, Johannes (meestal noemen we hem de Doper, zie 1,28), een getuige van dat eerder genoemde licht. Licht dat voor de wereld, voor de mensen, de weg is naar God, en tegelijk als het ware vreemd is voor de wereld (v. 9), wereldvreemd: kinderen van God worden niet door mensen, maar uit God geboren (v. 13), een notie die maar moeizaam te vatten is (vergelijk Joh. 3,3-7). Deze Johannes is niet zelf het licht dat in de wereld komt: hij wijst verder naar wie ná hem komt (1,15) met woorden die hij in 1,30 uitspreekt. Deze woorden zelf bevatten de dubbelheid van Jezus’ komst in de wereld: was hij er al bij de schepping (‘vóór mij was Hij er al’), tegelijk is het degene die ná Johannes komt (‘die na mij komt is mijn meerdere’).

Het is de bedoeling van de evangelist de onlosmakelijke en niet te scheiden band van Jezus en God (‘de Vader’) in de hemel present te stellen. Een unieke band, zoals vers 14 zegt: Jezus is de ‘eniggeboren zoon van de Vader’ en vervolgens ‘de eniggeboren God’ (v. 18).
           Zo komt deze inleiding op het Johannesevangelie uiteindelijk uit bij de naam die nu mag klinken: Jezus Christus (1,17). Zijn komst in de wereld openbaart ‘genade en waarheid’, de tekst zegt het met nadruk (in de verzen 14, 16 en 17).
           Jezus en zijn Vader, het is een centraal thema in dit evangelie. God heeft zijn Zoon naar de wereld gezonden om de wereld te redden (3,16-18, zie ook bijv. 5,19-27). Niemand heeft ooit God gezien, zegt de evangelist (1,18). Maar wie wij wel kunnen zien is de gids en de weg naar hem toe. Jezus is het menselijk gezicht van God op aarde, wie hem ziet, ziet de Vader (zie 14,9).

De evangelist biedt een introductie op het verhaal dat nog volgt en tipt alle thema’s aan die in dit verhaal zullen passeren: hoe het Woord, het Licht, de genade van God in de wereld geboren is in de gestalte van een mens, Jezus, die mens en tegelijk God zelf is.
           Misschien niet zo gemakkelijk te begrijpen als het pasgeboren kind in de kribbe; hoewel, ook Maria heeft zo haar verwarring bij de komst van een engel (Luc. 1,29) en ook de herders schrikken (Luc. 2,9).

Hebreeën 1,1-6: Afstraling van Gods heerlijkheid

Weer een andere kijk op de komst van Jezus biedt de brief aan de Hebreeën, die de tweede lezing vormt. Deze brief wordt toegeschreven aan Paulus, hoewel het niet waarschijnlijk is dat Paulus hem zelf heeft geschreven. In dit geschrift tracht de auteur de (joods-christelijke) gelovigen te inspireren en aan te moedigen om hun geloof in Jezus niet te verliezen (zie Heb. 2,1). Door de grootse opening van zijn tekst mag direct duidelijk zijn dat de komst van Jezus de kroon op de geschiedenis, op Gods schepping is. Meer dan met profetenwoorden spreekt God door de Zoon. Net als bij Johannes de evangelist wordt de Zoon aanwezig gesteld bij de Schepping (Heb. 1,2). Maar anders dan bij Johannes is dat hem ook een plaats toegedicht wordt, zelfs boven de engelen. De citaten die de schrijver daartoe aanhaalt, klinken bekend uit de evangeliën: ‘Mijn Zoon, Ik heb je heden verwekt’, bij de doop van Jezus. De engelen die zich voor hem zullen neerwerpen doen denken aan de engelen waarmee Satan schermt als hij Jezus uitdaagt van de tempel te springen (Luc. 4,10v; Mat. 4,6). Het beeld van de zich neerbuigende engelen roept het beeld op uit de Filippenzenbrief: ‘opdat in de naam van Jezus iedere knie zich zou buigen, in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong zou belijden tot eer van God de Vader; de Heer, dat is Jezus Christus’ (Fil. 2,10v, wv).
           Ook in Hebreeën wordt, net als bij Johannes (1,17) de bekendmaking van de naam nog uitgesteld. Pas in Hebreeën 2,9 horen we de naam van deze hoogverheven Zoon: Jezus.

 

Preekvoorbeeld

Vannacht stonden we stil bij Jezus’ menselijke voortkomst: het kleine vertederende mensenkind kwam in de wereld bij de bevalling, voortgebracht uit de schoot van zijn moeder Maria. Zijn leven begon zoals het leven van ieder van ons eens begonnen is: bij de geboorte uit de schoot van onze moeder. Met grote liefde werd het kind verwelkomd door zijn ouders Maria en Jozef, in het stro gelegd en teder in doeken gewikkeld.

Vanmorgen overwegen we die andere voortkomst, beschreven in de ouverture van het Evangelie naar Johannes: Jezus, voortgekomen uit God, in wie het Woord vanaf den beginne geborgen is geweest, maar het is uit die geborgenheid getreden: het Woord is vlees geworden; het heeft onder ons gewoond. In een mystiek geschrift uit de zestiende eeuw vond ik het in oud-Nederlands zo beschreven: Jezus Christus, die daar is het Woort des Vaders, gevloten uit der vaderliker herte. Dus: naar zijn mensheid uit de schoot van Maria, naar zijn godheid uit het hart van de Vader voortgebracht.

Maar waartoe kwam het Woord in de wereld, wat was de diepste reden van die komst? Diezelfde ouverture gaf het al aan: uit liefde en bekommernis zond de Vader zijn levende Woord als Licht voor de mensen. Het mensdom was immers ‘in de duisternis’ geraakt. Licht was er nodig om de duisternis te overwinnen!
           Maar wanneer je de schepping Gods bekijkt, dan zie je in het algemeen helemaal geen duisternis, eerder overal licht! Bij iedere scheppingsdag zag God dat het goed was en bij de schepping van de mens, dat het zelfs zéér goed was! Wanneer we de natuur en de seizoenen bekijken, de plantenwereld, de dierenwereld, alles is van een ongeëvenaarde schoonheid!

Mij lijkt, dat de duisternis die overwonnen moest worden, vooral te zoeken is in de diepten van het mensenhart. Daar is iets gebeurd waardoor de oorspronkelijke schoonheid van de menselijke ziel, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, was aangetast en verminkt.  Als gevolg daarvan kon Jezus, die de eerste jaren van zijn leven liefdevol was opgenomen in de warmte en huiselijke sfeer van de Heilige Familie, eenmaal uitgezonden ter prediking, niet slechts spreken over de liefde tot God en medemens. Hij moest ook prediken over het hart van de mens als plek van onheil: uit het hart komen voort boze gedachten, moord, echtbreuk, ontucht, diefstal, valse getuigenis en godslastering. Die dingen zijn het die de mens bezoedelen (Mat. 15, 29-20a). Het Licht en Leven, door de Vader in de Zoon te Betlehem in de wereld gekomen om de duisternis te verdrijven, werd dan ook vooral geschonken met het oog op de reiniging en de bekering van het mensenhart – in de tweede lezing genoemd de reiniging der zonden die voltrokken moest worden.
            De spannende vraag van die eerste Kerstmis (en alle latere) was daarom: zal het God lukken, dat harten die eens vol egoïsme waren, vol boze gedachten, vol machtsbegeerte, vol ongeregelde hartstochten, door de ontmoeting met de Godmens gereinigd zouden worden en veranderd in harten vol goedheid, vol liefde, vol eerbied en vrees voor God? Als dat bewaarheid wordt, dan kan de jubel uit de eerste lezing losbarsten: barst los in jubel, allen samen, ruïnes van Jeruzalem (Jeruzalem staat dan voor Gods wonen in het hart van ons mensen, van ieder van ons, als in een tempel).

Met de komst van het Woord kwam een goddelijk licht op aarde, werkzaam in de intieme geborgenheid van het mensenhart, met de bedoeling om de duisternis van de zonde – die wel in onze menselijke genen lijkt ingebakken! – in licht om te zetten. En óf het gelukt is!!! Weliswaar werd het door tallozen afgewezen: hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet: het liep uit op kruisiging en dood – maar talloze anderen kwamen tot nieuw leven, zij die het Licht in zich toelieten, die in Jezus’ Naam zijn gaan geloven en zo het vermogen kregen kinderen van God te worden.

Allereerst waren dat natuurlijk de leerlingen, door Jezus om zich heen verzameld: hoewel in grote verwarring gebracht en ontmoedigd door de kruisiging, zijn ze na het Pinksterfeest resoluut op weg gegaan om overal, door het Licht van de Verrezene geleid, het Evangelie te prediken. Zij werden gevolgd door onnoemelijk veel anderen, die, gedoopt in water en de heilige Geest, de kracht kregen om de duisternis in eigen hart te verjagen en een leven te leiden van geloof in de Drieëne God, zich overgevend aan de waarheid van het Evangelie. Door die brede stroom van gelovige en liefhebbende mensen, samen de ene Kerk van Christus vormend (in zichtbaarheid en onzichtbaarheid), zijn vele duisternissen uit onze wereld verdreven. Deze wereld kreeg telkens weer een nieuw aanschijn, dat wil zeggen kwam meer in overeenstemming met de bedoelingen die God in den beginne in zijn Schepping had gelegd en die in Jezus, de Nieuwe Mens, op unieke wijze werden voorgeleefd.

Daarom, zusters en broeders, wil Kerstmis geen dode gebeurtenis blijven uit een ver verleden, vragen we God vanmorgen, dat wat er in de wereld van nu – dat wil zeggen, in ons eigen hart en in dat van anderen – aan duisternissen te vinden is, verdreven wordt. En hoeveel is dat niet!!
           In zijn laatste Apostolisch Schrijven Gaudete et Exsultate, Wees blij en juich (Brussel 2018) met als ondertitel: ‘over de roeping tot Heiligheid in de hedendaagse wereld’ noemt paus Franciscus ze op. Hij spreekt over ‘de strijd tegen de wereld en een wereldse mentaliteit die ons bedriegt, die verdooft en ons middelmatig maakt, zonder inzet en zonder vreugde’. Verder over ‘de strijd tegen onze eigen zwakheden en kwade neigingen (ieder heeft de zijne: luiheid, wellust, afgunst, jaloezie en zo verder)’.
           En dan komt het grote woord er uit. Hij schrijft: het is ‘een constante strijd tegen de duivel, die de Vorst van het kwaad is’. Maar, zo gaat hij verder: ‘Jezus zelf viert al onze overwinningen. Hij verheugde zich toen zijn leerlingen er in slaagden voortgang te maken in de verkondiging van het Evangelie, de tegenstand van de Boze overwinnend, en juichte: ‘Ik zag de satan als een bliksemstraal uit de hemel neervallen!’ Overal waar kwaad door goed wordt verdreven, waar kwaad vergeven en vergeten wordt (bijv. in het biechtsacrament), zet de overwinning van het Licht zich ook in onze dagen voort!

Héél kort samengevat. Kerstmis: God zet zijn eigen Woord in tegen de machten van de duisternis. Door het Kind in de kribbe zal het niet ledig in de hemel terugkeren (Jes. 55,11) integendeel, een onafzienbare oogst opleveren.

Literatuur
Die Grote Evangelische Peerle, vol devoter gebeden, godlijcker oeffeninghe ende geesteliker leeringhen. Uitgave van Theodoricus Loer bij Henrick Peetersen van Middelburch 1537

 

inleiding dr. Joke Brinkhof
preekvoorbeeld drs. Tiemen Brouwer OP

webdesign: Artis