25 augustus 2019
Eenentwintigste zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 66,18-21; Ps. 117; Heb. 12,5-7.11-13; Luc. 13,22-30 (C-jaar)

 

Inleiding

Jesaja 66,18-21: Advent in de zomer
Bij Jesaja denk ik aan december. Op de zondagen van de advent wordt bij voorkeur het woord gegeven aan de ‘profeet van de nabijheid Gods’. Diens vertroostingen komen uit bij het Kerstverhaal. Toch gaat de verkondiging van Jesaja daarin niet op. Er is niet alleen Betlehem, waar God door een staldeur binnenkomt, maar ook het eschatologische visioen van een Jeruzalem zonder pijn en verdriet. In zijn commentaar op één van de Sionsliederen van Jehuda Halevi zegt Franz Rosenzweig: ‘Het zou een leugen zijn, als het verlangen vergeet wat het al bezit, maar het zou de dood zijn, als het bezit verleerde te verlangen.’ Het komt er op aan om in de vervulling de belofte te blijven horen. Advent is toekomst, God die op ons toekomt. Daarom is het goed dat Jesaja’s boek ook wordt opgeslagen op zondagen die de zo vlakke naam ‘door het jaar’ dragen.
            De tekst komt uit het laatste hoofdstuk van Jesaja en vormt op een paar verzen na het slot van het hele boek. Thema’s die al eerder klonken, zoals Jeruzalem als de Lichtstad waar naartoe de hele wereld optrekt (Jesaja 60,3) of de belofte van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Jesaja 65,17) komen terug als in een laatste apotheose. De lezing valt met de deur in huis: ‘Ik (met nadruk, Hebreeuws: anoki) ken hun werken en hun gedachten’. ‘Hun’ kan terugslaan op het voorgaande vers 17 (zo de nbv) waarin afgodische praktijken worden beschreven (vgl. Jesaja 65,3-5). Bijgeloof en afval lagen in Jeruzalem na de terugkeer uit de ballingschap op de loer. Maar ‘hun’ kan ook vooruit wijzen naar wat erna komt. Dan betreft het de talen en volkeren (goyim) die jhwh bij elkaar komt brengen. De toren van Babel wordt op zijn kop gezet. Dat de volkeren bovendien de heerlijkheid van JHWH zullen zien is een van de grote verrassingen die Jesaja verkondigt. Wat Mozes ten deel viel (Ex. 33) is ook voor de volkeren weggelegd. Zij zullen eveneens ervaren dat Gods glorie er in bestaat dat hij zich wil openbaren als een God die bij mensen wil wonen.
            Het teken daarvan is, dat ‘apostelen’ uit de volkeren naar andere volkeren worden gezonden die Gods glorie nog niet hebben gezien en geen woord over hem gehoord hebben. De namen van deze gebieden, weggelaten in de liturgische lezing, hebben een sprookjesachtige klank: Tarsjiesj, Poel, Loed, Mesech, Rosj, Toeval en Javan. Hiëronymus, de vertaler van de Hebreeuwse Bijbel in het Latijn, heeft al in de vierde eeuw geprobeerd te achterhalen welke gebieden en landstreken daarmee bedoeld zouden kunnen zijn. Hij dacht onder meer aan Afrika, Griekenland, Spanje… Maar liever laat ik die Hebreeuwse namen gewoon staan als onbekende exotische oorden die de God van Israël in de toekomst nog gaan ontdekken.
            Nu zou het erop kunnen lijken dat het volk Israël zelf bij al die volkeren wat op de achtergrond raakt, dat het particuliere moet wijken voor het universele en het bijzondere opgaat in het algemene. Niets is minder waar. Dat blijkt uit de volgende verzen waarin verteld wordt hoe Joden uit de diaspora (‘uw broeders’) door de volkeren worden teruggebracht naar Jeruzalem, als was het een offerandeprocessie. Het is daarom beter om de lezing niet met vers 21, maar met vers 22 te eindigen: ‘Want zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde die ik ga maken, voor mijn aanschijn blijven bestaan, zo luidt de godsspraak van JHWH, zo blijven uw zaad en uw naam voor Mij bestaan’.

Lucas 13,22-30: De smalle doorgang
In de evangelielezing volgens Lucas zijn we met Jezus op reis naar Jeruzalem (al vanaf vers 9, 51), op weg naar Pasen. En opeens is er iemand die, toen Jezus onderricht gaf in de steden en dorpen waar hij langs kwam, het op een roepen zet: ‘Heer, zijn het er weinig die gered worden?’ Proef ik hier enige Schadenfreude? Toch komt die vraag niet helemaal uit de lucht vallen. Eerder in hoofdstuk 13 had Jezus gewaarschuwd: ‘als jullie je niet bekeren, zullen jullie allemaal omkomen’ (vv. 3 en 5). In zijn reactie richt Jezus zich niet alleen tot de onbekende vragensteller, maar tot ieder onder zijn gehoor, de lezer incluis. Hij geeft geen rechtstreeks antwoord, maar vertelt een allegorie over een smalle deur. Hij spoort iedereen met klem aan om door die deur binnen te geraken. Het Griekse woord dat Lucas hiervoor gebruikt, is agoonizesthe, letterlijk: strijdt (imperatief) om binnen te komen. Het woord agonie, doodsstrijd, is er van afgeleid. Het gaat om leven en dood. En of dat al niet genoeg is, voegt Jezus er aan toe dat er velen zijn, die er niet in zullen slagen binnen te komen, nadat de heer des huizes, de pater familias, is opgestaan en de deur gesloten heeft. Er is een tijd dat je je kunt bekeren, maar er komt een tijd dat dat niet meer kan. Boem, dan valt de deur in het slot.
            Er bestaat een eeuwig te laat en kloppen op de deur is dan tevergeefs. Er ontstaat gejammer en tandengeknars omdat we onze redding door eigen schuld verspeeld hebben. Het argument dat we samen met de Heer gegeten en gedronken hebben doet niet ter zake. Dat Jezus in onze straten onderricht heeft gegeven, is geen toegangskaartje om binnen te komen. Het evangelie kent geen old boys network. We worden rechtstreeks aangesproken: Jullie allen! Toeschouwers, ingerukt! Het is de hoogste tijd voor bekering en het doen van gerechtigheid in plaats van ongerechtigheid (v. 27, een citaat uit Psalm 6,9). ‘Dit is een hard woord,’ om met de leerlingen uit het Johannesevangelie te spreken (6,60). Een God van liefde en vergeving doet zoiets niet, zou je denken. Die houdt de deur altijd open. Toch staat ook dit woord in het evangelie. Want zonder deze strenge boodschap over bekering en gerechtigheid verwordt het evangelie tot een slaapmiddel en blijft alles bij het oude. Dan wordt genade goedkope genade. ‘Goedkope genade is de doodsvijand van onze kerk, goedkope genade is genade zonder navolging, zonder kruis’, aldus Dietrich Bonhoeffer in een beroemd geworden opstel Die teure Gnade, opgenomen in zijn boek Nachfolge.
            Achter de deur, zo blijkt uit vers 28, gaat het Rijk Gods schuil. Aartsvaders en profeten zijn er, zoals te verwachten was, te zien, maar ook mensen uit de hele wereld – Lucas noemt de vier windstreken – zullen er aanzitten of aanliggen. Deze laatste woorden duiden op een eschatologische maaltijd, zoals bijvoorbeeld in Jesaja 25,6-8 wordt beschreven. De komst van de volkeren naar Jeruzalem, het zien van de glorie van God uit de eerste lezing, vinden hier hun parallel. De heerlijkheid Gods spiegelt zich in het Rijk Gods. De laatste zin over de eersten en de laatsten kent bij Lucas een bijzondere nuance. Het gaat niet om álle laatsten of álle eersten, maar om sommige eersten die laatsten zullen zijn en omgekeerd. Wie tot de eersten of de laatsten behoren zegt de tekst niet. Het kopje in de Willibrordvertaling boven onze tekst luidt: ‘Waarschuwing aan de ongelovige Joden: roeping van de heidenen’. Hier klinkt een eeuwenoude anti-judaïstische theologie na, waarin de Joden automatisch van eersten tot laatsten worden gedegradeerd. Maar dat beweert Lucas niet en Jesaja evenmin.
            Jezus is op weg naar Jeruzalem om het Paasfeest te vieren. Sommige woorden of uitdrukkingen krijgen daardoor ongewild een bijzondere bijklank. Zo heet het dat de heer des huizes is ‘opgestaan’. En die deur is niet zomaar een deur, maar een doorgang, transitus, het woord waarmee de Latijnse kerkvaders Pasen uitlegden, door het lijden naar opstanding, naar verlossing, naar het Rijk Gods.

 

Preekvoorbeeld

Leren bij het leven
Onderwijs speelt in ons leven een grote rol. Kinderen, jongeren, iedereen moet naar school. En we leren wat af. Soms wel een leven lang met bijscholen en omscholen. En dat is ook echt belangrijk Het bepaalt voor een goed deel hoe en in welke richting jij je kunt ontwikkelen. Logisch dus, dat we daar heel druk mee zijn. Ga je het maken, of ga je het niet maken?
            En mochten jongeren zich er zelf niet druk om maken, dan hun ouders wel!

En toch… er zijn van die dingen die leer je niet op school. Sterker nog, misschien leer je de meest belangrijke dingen over het leven, wel helemaal niet op school, maar leer je die onderweg in het leven, als je tegen de vragen van leven en geloven oploopt.

Al die ellende in de wereld – komt dat nog goed?
Zal de menselijkheid, de humaniteit het redden in de wereld?
Wie is nu eigenlijk m’n naaste en hoever ga ik zelf in naastenliefde?
Dat kwaad, waar komt dat nou vandaan, waar zit ‘m dat nou in?
Hoe weet ik nou zeker, dat hij of zij het echt voor mij is?
Is er een hemel? En wie komen daar dan? Vast niet zo veel…

Het is zoeken, voor elke generatie opnieuw. Het komt je niet zomaar aanwaaien. Je moet opletten, goed om je heen kijken. Je moet leren van en voor het leven. Welke mensen en situaties voegen dan iets toe en maken voor mij het verschil?

Jezus is met zijn leerlingen onderweg. Ze reizen, lopend, van het noorden van Israël naar Jeruzalem. En onderweg op die reis van hun leven stuiten ze steeds op grote vragen. Ook in de hoofdstukken hiervoor kunnen we dat lezen. Mensen die met levensvragen zitten en die aan Jezus voorleggen.

  • Er is een bouwwerk in elkaar gestort. Mensen zijn daaronder verongelukt. Is dat nu een straf van God, omdat die mensen niet deugden? Waarom gebeurt dit? Daar zoeken mensen naar. Wij kennen dat.
  • Nog een: als je iemand kunt redden en helpen, maar daarvoor de regels van het geloof of van de staat moet overtreden, wat heeft dan voorrang? Ook dat kennen we. Heel actueel, denk alleen nog maar aan het kerkasiel eerder dit jaar.

In het verhaal dat we in Lucas 13 lazen is ook weer zoiets aan de hand. Iemand komt op Jezus af. We kennen de achtergrond van z’n vraag niet, maar kunnen ons die wel voorstellen. Als je ziet hoe het toegaat in de wereld… Als je ziet, waartoe mensen in staat zijn… Hoeveel mensen redden het dan in de ogen van God? Hoeveel zullen er dan – om het zo even te zeggen – door de keuring komen?
            Dat kan makkelijk een theoretische vraag blijven, waar we een flinke boom over kunnen opzetten. En zo zijn we ook vaak met die vragen omgegaan.

Opvallend is, dat Jezus in het Lucasevangelie bij dit soort vragen die theoretische discussie meteen afkapt. Het gaat hem niet om de discussie. Hem gaat om jou; om hoe jij je leven leeft.
            Inderdaad, hoeveel mensen redden het in de ogen van God? We kunnen die vraag ook zo stellen dat het niet over ons gaat, maar bij voorkeur over anderen. Jezus draait die vraag heel direct naar de vragensteller zelf toe: jij, die mij deze vraag stelt, waar sta jijzelf eigenlijk? Waar doe jijzelf eigenlijk je best voor? Hoe zet jij je nu in voor je roeping als mens? Hoe gedraag jij jezelf in de ogen van God? Vraag je je dat wel eens af? Nu even niet over de anderen, maar over jouzelf. Ben jij een prater, iemand die graag discussieert en speculeert over anderen, of ben je een doener?!
            Het gaat Jezus niet om een groot debat over de vragen van leven en geloven, maar om mensen die zich inzetten. Steeds opnieuw spreekt hij ons mensen op ons eigen handelen aan. Om dat te benadrukken, vertelt hij als extra een gelijkenis, die helemaal past in hun leefwijze van die dagen. Misschien hebben ze het zelf wel eens meegemaakt en was het ook daarom voor de leerlingen een heel herkenbaar beeld.
            Ze trekken immers door het land, langs steden en dorpen. Aan het eind van de dag kom je ergens aan in een dorp… Je zoekt een plek voor de nacht. Maar stel je voor, misschien zijn ze onderweg opgehouden; komen ze te laat in het dorp. De straten zijn uitgestorven, de huizen afgesloten en de deuren in het slot.
            Aankloppen dan maar. Achter de deur een wantrouwige stem: Wie zijn jullie? Waar komen jullie vandaan?
            Je hoort achter en in die stem als het ware: Wie nu nog bij de weg is… Wie zegt me dat het geen gespuis is? Wie zegt me dat dat geen ‘werkers van ongerechtigheid’ zijn, staat er letterlijk.

Zouden ze het meegemaakt hebben, dat iemand zo tegen hen gesproken heeft? Wie weet. Maar ook als dat niet zo is, dan kunnen ze het zich goed voorstellen. En reken maar dat het hard aankomt: ‘werker van ongerechtigheid’ genoemd te worden, terwijl je juist onderweg bent met iemand die jou steeds leert over het Koninkrijk van God, waar gerechtigheid nu juist de norm is.

Misschien dacht je daarom wel, dat je er toch zeker bij hoorde. Jij had je immers ingezet voor gerechtigheid en barmhartigheid, die twee grote woorden van het Koninkrijk van God. Je dacht misschien zelfs wel dat je je er op voor kon laten staan: Ons sturen ze toch niet weg?! Nee, natuurlijk niet. Ons niet. Wij horen bij de eersten die binnengelaten worden. Wij horen bij de eersten, die door God worden welkom geheten. De deuren gaan open: Kom erin vrienden, de feestzaal is voor jullie... Werkt het zo? Niks daarvan. Je dacht dat je bij de eersten hoorde, maar je kunt achteraan in de rij aansluiten.

Het is een bekende ‘wet’, een fundamentele ‘wet’ van het Koninkrijk van God dat de laatsten de eersten zullen zijn. En juist bij Lucas kom je die gedachte in allerlei variaties het meeste tegen. Daar borduurt ook deze gelijkenis op voort.
            Of jij bij de eersten hoort en anderen bij de laatsten of zelfs dat niet, breek daar je hoofd niet over, zegt Jezus. In het Koninkrijk van God, werkt dat zo niet. God heeft geen eerste- en tweederangs kinderen. Daar heb je niets om je op voor te laten staan. Je hebt het zelfs niet nodig. Daar kunnen al die grote zogenaamde eersten achteraankomen. En die achteraan staan krijgen een mooi plaatsje aan de tafel van God, omdat hij het is die barmhartigheid uitdeelt en grossiert in gerechtigheid. Dat betekent dat bij hem mensen tot hun recht komen en ook terecht komen.

Op dat spoor van barmhartigheid en gerechtigheid zet het evangelie ons, onderweg door het leven. Daar beginnen we allemaal onderaan. Niet om ons dan vervolgens omhoog te werken, maar simpel omdat je daar in het Koninkrijk van God de beste bijdrage levert. Even achteruit met je ‘dikke ik’ en je inzetten voor de ander met de barmhartigheid en gerechtigheid, die we van de Bijbel kennen. Begin maar gewoon met leven uit liefde.

Nee, zoiets leer je niet op school. Het staat er zelfs haaks op. Het is ook geen vak waar je een cijfer voor krijgt. Maar je kunt het wel leren en beoefenen in het leven en al doende, gaandeweg maak je het leven er in de ogen van God wel een stuk leefbaarder mee.

 

inleiding dr. Piet Hoogeveen
preekvoorbeeld prof. dr. Jaap de Lange

webdesign: Artis