24 december 2017
Vierde zondag van de Advent

Lezingen: 2 Sam. 7,1-5.8b-11.16; Ps. 89; Rom. 16,25-27; Luc. 1,26-38(B-jaar)

 

Inleiding

De eerste lezing van deze zondag uit 2 Samuel 7, mogen we beschouwen als de Magna Charta van de Messiaanse belofte die doorheen heel de Schrift klinkt. Ook in de andere lezingen horen we deze belofte. Psalm 89 is daar een indrukwekkend getuige van. Daarom is het erg jammer dat de samenstellers van het lectionarium geknipt hebben in de lezingen en met name uit 2 Samuel 7 twee centrale passages hebben weggelaten. Passages die cruciaal blijken te zijn voor het verstaan van de aankondiging van de geboorte van Jezus in Lucas 1. Dat zal duidelijk worden wanneer we de teksten integraal lezen en aan het woord laten.

2 Samuel 7,1-5.8b-11.16
De rode draad in deze tekst wordt gevormd door de woorden ‘bouwen’, ‘paleis’, ‘huis’, ‘tempel’ en ‘zoon’. Deze onderlinge relatie wordt nog duidelijker zichtbaar in het Hebreeuws. Al deze woorden hebben namelijk dezelfde wortel of een afgeleide daarvan: bnh. We vinden deze in het sleutelwoord banah (bouwen) en in beth (afwisselend vertaald met paleis, huis, tempel én dynastie) en in het sleutelwoord ben (zoon). In de vertaling NBG ’51 is de woordherhaling grotendeels intact gebleven en wordt deze rode draad ook duidelijk zichtbaar. Daarom kiezen we voor deze vertaling als werkvertaling. Want het zijn juist die woorden, waarmee in de Godsspraak een heel subtiel spel wordt gespeeld.

David heeft de Ark binnengehaald (2 Sam. 6) en geniet in zijn paleis van de rust die in het koninkrijk is ingetreden (v. 1). Dan ervaart hij een discrepantie. Hij zelf woont in een paleis, de Ark verblijft onder een tentkleed. Daarop raadt de profeet Natan hem aan de ingeving van zijn hart te volgen want: ‘de Heer is met u’ (v. 3).
Maar in de daarop volgende nacht komt het woord van God tot Natan. Dat woord zet de verhoudingen op scherp. Wie bouwt voor wie een huis? David voor God!? ‘Ik ben meetrekkend in een tent en tabernakel vanaf de dag van de Uittocht uit Egypte, tot aan de dag van vandaag,’ zegt de Heer (v. 5-7). Dat zijn veelbetekenende woorden die direct verwijzen naar de Brandende Braambos, waar God zijn Naam bekend maakt aan Mozes : ‘Ik ben die Ik zal zijn’ (Ex. 3,12-14). En God maakt zijn Naam waar, zoals in vs 9 duidelijk wordt: ‘Ik ben met je en Ik maak jóu een grote naam’. Er is rust, veiligheid en stabiliteit, en dat is door God gerealiseerd vanaf het ogenblik dat hij David achter de schapen vandaan haalde om vorst te over zijn volk Israël. Het is dus de Heer, die Dávid een huis zal bouwen. Niet omgekeerd (v. 8-11).

Nu de verhoudingen scherp zijn gedefinieerd volgt er een belofte en een toezegging van God, waarmee hij de eed van de Brandende Braambos opnieuw gestand doet.

12 Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen te ruste zijt gegaan,
dan zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden
en Ik zal zijn koningschap bevestigen.
13 Die zal mijn naam een huis bouwen,
en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen.
14 Ik zal hem tot een vader zijn,
en hij zal mij tot een zoon zijn.
Wanneer hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik hem tuchtigen
met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen.
15 Maar mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken,
zoals Ik haar heb doen wijken van Saul,
die Ik voor uw aangezicht heb weggedaan.
16 Uw huis en uw koningschap
zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht,
uw troon zal vast staan voor eeuwig.
(NBG 1951)

Het is niet David zelf, maar zijn directe nakomeling, zijn zoon, die een huis bouwen zal voor de Naam van de Heer (v. 12-13; vgl. voor de Naam: Ex. 3,14!). ‘Huis’ is hier te lezen in de meervoudige betekenis : tempel en dynastie. Nageslacht dus, dat garant staat voor de tempel als ‘Huis van Gerechtigheid’, want zo wordt Gods Naam eer bewezen. Ongerechtigheid zal worden gestraft … (v. 14b). Voor de bestendigheid van dat Huis staat God zelf garant (v. 13b; v. 15-16). Ja sterker nog, daartoe gaat hij de onvoorwaardelijke relatie aan van het vaderschap. ‘Ik zal hem tot een Vader zijn, hij zal mij tot een Zoon zijn’ (v. 14a; vgl. voor Ik zal zijn: Ex. 3,14). Een relatie, die vanaf dat moment de verhouding tussen God, zijn gezalfde én zijn volk ten diepste zal gaan kenmerken en in al zijn consequenties zal bepalen.

Psalm 89
In Psalm 89 wordt de profetie van Natan uit 2 Samuel 7 hernomen en op een heel mooie dichterlijke manier bezongen. Hetzelfde gebeurt overigens in Psalm 132. Samen met Psalm 2 en Psalm 110 vormen ze gevieren de ‘grote’ Messiaanse psalmen.
De geciteerde verzen bezingen de gunsten die de Heer aan David bewezen heeft. Onder ede zijn ze voor immer bezegeld in een verbond (vv. 2-5.29). In vers 27 citeren de samenstellers van het lectionarium het thema van het vaderschap wel nadrukkelijk, zij het deels.

27 Hij zal tot Mij zeggen: Gij zijt mijn Vader,
mijn God en de rots van mijn heil.
28 Ja, Ik zal hem tot een eerstgeborene stellen,
tot de hoogste van de koningen der aarde.
(NBG 1951)

Verzen, die heel mooi de belofte van 2 Samuel 7 weerspiegelen. Het is deze verhouding, die we ook als kernthema aantreffen in Psalm 2 aan het begin van het Boek van de Psalmen. Daar wordt de band nog kernachtiger uitgedrukt: ‘Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden gebaard’ (Ps. 2,7; zó het Hebreeuws!). Kan het inniger? Maar, volgen we Psalm 89 op de voet, dan worden we in vers 39 geconfronteerd met een immense breuk.

39 Toch hebt Gij verstoten en versmaad,
Gij zijt verbolgen geweest op uw gezalfde;
40 het verbond met uw knecht hebt Gij teniet gedaan,
zijn kroon ter aarde toe ontwijd;
(NBG 1951)

De aandachtige lezer is het al tegengekomen in 2 Samuel 7,14b: ‘Wanneer hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik hem tuchtigen met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen.’ Dat viel ook Saul ten deel … (2 Sam. 7,15b). Nu is de situatie vele malen indringender. Heel het volk leeft in ongerechtigheid, de corrupte koningen voorop (1 en 2 Kon.). Dat moét leiden tot een breuk en tot ingrijpen. Tot de vernietiging van stad en land, iedereen weggevoerd in ballingschap. Tot ‘tuchtiging met een roede der mensen …’ (v. 39-46; 2 Sam. 7,14b). De psalm eindigt met een indringende bede: ‘Gedenk, Heer, de smaad uw knechten aangedaan’ (v. 51). Zal God zijn goedertierenheid ook van hén doen wijken (vgl. 2 Sam. 7,15)?

Lucas 1,26-38
Alle thema’s komen terug in deze nieuwe context. Het koningschap is nog steeds gecorrum-peerd. Er zit een misdadiger op de troon, onder toezicht van een vreemde overheerser (Luc. 1,5; 2,1). Dat is de situatie waarin er opnieuw een initiatief van Godswege komt (v. 26).
De boodschap van de engel wordt tegen de achtergrond van het profetenwoord uit 2 Samuel 7 en Psalm 89 glashelder. Gabriël begroet Maria met een zegenwens (v. 28; vgl. 2 Sam. 7,3). Dan volgt de inhoud van de boodschap. Maria zal een zoon baren en hem de naam Jezus geven. Dat betekent: ‘God redt’ (v. 31; vgl. 2 Sam. 7,13; vgl. Ex. 3,14).

32 Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden,
en de Heer God zal hem de troon van zijn vader David geven
33 en hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid
en zijn koningschap zal geen einde nemen
(NBG 1951)

Met deze woorden wordt Jezus geplaatst in de lijn van zijn vader (!) David en zo wordt hij Zoon van de Allerhoogste. Zijn koningschap zal geen einde nemen. Een continuïteit, waar God zelf borg voor staat. Het heilige dat verwekt wordt, eigent Hij zich toe als Zijn eigen eerstgeboren Zoon. Daartoe zal de heilige Geest over Maria komen en zal de kracht des Allerhoogsten haar overschaduwen (v. 35; vgl Ps. 2,7; Ps. 89,27v; 2 Sam. 7,14). Zo grijpt God opnieuw in de mensengeschiedenis in.

Romeinen 16,25-27
Van dit ingrijpen Gods getuigen ook de laatste woorden van Paulus in zijn brief aan de Romeinen. Ja, ‘Hem, de ene alwijze God, zij de heerlijkheid door Jezus, zijn Messias’ (v. 27). En Paulus roept ons op gehoor te geven aan het evangelie, waarvan de draagwijdte ons en alle volken geopenbaard is door de profeten. Dat wij bevrijd zijn van de geest van slavernij en dat het dezelfde Geest is, waaruit Jezus ontvangen is, die getuigt dat ook wij kinderen van God zijn. De Geest die ook óns roepen doet: ‘Abba: Vader’ (Rom. 8,15-17).

Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 75-86

 

Preekvoorbeeld

Lucas 1,26-38
Maria zegt tegen God: ‘Mij geschiede naar uw woord.’ Ze zegt: uw woord, uw verhaal, uw geschiedenis wordt mijn geschiedenis.
Maria laat Gods woord door zich heen gaan. En dan gebeurt het ook: Gods geschiedenis wordt háár geschiedenis. Ze wordt medeplichtig aan de grote daden van God.
De grote daden zijn: de aarde zal bloeien, gerechtigheid zal stromen als een sterke rivier, liefde en trouw zullen wortelen en uitgroeien tot volwassen verhoudingen tussen de mensen, op alle regeringsgebouwen, kantoren en fabrieken zullen de vlaggen wapperen van vrijheid en vrede. God maakt ruimte voor mensen die nu in het nauw zitten. Maakt plaats voor mensen die nu geen veilige plaats hebben. Bouwt een huis voor de mensen. Ja, dat zijn de grote daden van God: die komt en die verbouwt de weerbarstige wereld tot een huis. Niet wij bouwen een huis voor God, maar God bouwt een huis voor ons.
En Maria laat deze woorden door zich heen gaan, ze overweegt ze in haar hart, ze stemt er mee in, ze vervullen haar met kracht, het wordt haar verhaal. Dit is een beter verhaal dan de mensen om haar heen vertellen en dan wat ze in de kranten leest. Ze gaat ervoor. En als zij ergens voor gaat is het niet mis. Gods Rijk groeit in haar en is niet meer tegen te houden.
Het begint bescheiden. God bouwt niet meteen een huis. God bouwt een huisje – in haar buik. Maar daaraan danken wij ons leven. Hoe werkt dat?
Ik probeer het me voor te stellen. Het moet een huis worden, maar het begint met een kind. Een huis is nog niet te zien. Maar dat kind van God is verbonden met de mensen. Het weeft een netwerk van sympathie om zich heen, van herders en wijzen, van vissers en soldaten, van arme schapen en eenzame wolven, mannen, vrouwen en natuurlijk ook kinderen. Die mensen vormen samen het huis. Zij brengen de stenen aan, de dragende muren, de open vensters. Zij zijn de elementen van het huis. Waar die mensen elkaar groeten met de vrede van dit kind, daar wordt de wereld stukje bij beetje verbouwd tot een woning. Zo bouwt God in ons en voor ons en met ons een huis. Overal op aarde. Wij hier zijn een stukje van dat netwerk. Als we elkaar begroeten met de naam van dat kind: Jezus! dan krijgen we grond onder de voeten en een dak boven ons hoofd.  
Maria is hier. Ze is praktisch en denkt. Het klinkt wel mooi. Maar hoe moet dat? Beginnen met een kind? Weet je wel wat je zegt? Dat gaat zomaar niet. En ze flapt het er zo uit: ‘Maar hoe moet dat dan? Ik heb geen omgang met een man. Je hebt er twee nodig om te bouwen. En Jozef, die weet nog niet hoe het moet.’ Als ze daaraan denkt begint ze te giechelen. Ze lacht recht in het gezicht van de engel. Ze is nog heel jong, maar ze lacht zoals die oude Sara lachte. ‘Hoe kan dat nou…’ Ze lacht zo aanstekelijk dat die engel Gabriël ook begint te lachen. Nog even en de hele hemel lacht. Dat werkt zo ontspannend, dat de engel zegt: ‘Dan maar zonder man. Moet kunnen.’ En de engel hult Maria in een mantel van licht: ‘Heilige Geest zal over u komen en kracht van de Allerhoogste zal u overdekken.’ Dat zijn twee dingen: God verbergt haar in zijn licht. En: God geeft haar de macht om geschiedenis te maken. En als je haar vraagt: ‘Hoe doe je dat nou?’ Dan zegt ze: ‘Ik heb een stem in het licht vernomen.’
Maria zit hier. Vandaag verbergt een engel u in Gods licht. Vandaag geeft God u kracht. Vandaag gebeurt het u naar zijn woord. Vandaag gaat Gods verhaal door u heen en het wordt uw eigen verhaal. God bouwt u op tot een goed huis. U zingt, u bidt, u viert het feest van God-met-ons. U weet van de haat, maar u straalt van liefde, u lijdt aan het onrecht, maar u staat voor het recht, u huilt om wat geweld vernielt, maar u werkt aan de vrede. U groet zomaar mensen naast u en maakt vrienden. Hoe doet u dat?
Maria is hier.

 

inleiding drs. Jo Beckers
preekvoorbeeld prof. dr. Maarten den Dulk

webdesign: Artis