24 maart 2019
Derde zondag van de Veertigdagentijd

Lezingen: Ex. 3,1-8a.13-15; Ps. 103; 1 Kor. 10,1-6.10-12; Luc. 13,1-9 (C-jaar)

 

Inleiding

Doorheen elk van de drie lezingen van de derde zondag in de Veertigdagentijd weerklinkt in mindere of meerdere mate een oproep tot oprechtheid en trouw. De generatie van de Israëlieten die door Mozes uit de Egyptische slavernij werd gered geldt daarbij als prototype van hoe het niet hoort: gedurende de tocht door de woestijn zijn de Israëlieten onophoudelijk tegen God in opstand gekomen en hebben ze getwijfeld aan Gods reddende nabijheid. Daarvoor heeft God hen keer op keer terechtgewezen. Maar desondanks heeft hij hen niet in de steek gelaten.

Exodus 3,1-8a.13-15: ‘Ik ben die er is’
De oudtestamentische tekst vertelt anekdotisch dat Mozes de kudde van zijn schoonvader Jetro hoedt, en zo – als het ware toevallig – bij de berg van God, de Horeb, aanbelandt. Het anekdotische verhaal neemt evenwel al heel snel een bijzondere wending: bij de berg van God aangekomen, verschijnt hem in een brandende, maar niet verbrandende braamstruik een engel van jhwh. Wanneer Mozes dit vreemde verschijnsel van naderbij wil onderzoeken, spreekt God hem toe vanuit de braamstruik. God manifesteert er zichzelf als de God die zich in het verleden op bijzondere wijze met de lotgevallen van Abraham, Isaak en Jakob heeft verbonden. Maar God is méér dan een God van het verleden. Hij is ook een God van het heden en van de toekomst. God maakt aan Mozes duidelijk dat hij het actuele lijden van de Israëlieten in Egypte heeft gezien, en dat hun jammerklachten over hun onderdrukkers tot hem zijn doorgedrongen. En God kan en wil het daarbij niet laten: Hij daalt af om hen te bevrijden uit de macht van Egypte, en om hen, met Mozes als menselijke leidsman, te leiden naar het land dat overvloeit van melk en honing (v. 10).
            Mozes is er evenwel niet helemaal gerust in. De Israëlieten zullen hem immers vragen stellen in verband met zijn goddelijke zending: ‘Wie is die God van onze vaderen eigenlijk?’ Veelal interpreteert men de woorden die volgen – ‘Ik ben die is’– als een openbaring van Gods naam (v. 14). Wellicht is het de auteur hier evenwel niet om te doen, al valt een volksetymologische verklaring van het tetragrammaton JHWH niet uit te sluiten. Waar het de auteur van de tekst wellicht wél om te doen is, blijkt uit vers 12, dat jammer genoeg uit deze lezing is weggelaten. Gebruik makend van dezelfde werkwoordsvorm zegt God hier tot Mozes: ‘Ik zal met u zijn’. Dit is dan ook waar het eigenlijk om gaat: de boodschap dat de God van Israël, wat er ook moge gebeuren en wat Israël allemaal zal aanrichten, met zijn volk is begaan en het nooit of te nimmer in de steek zal laten.

Psalm 103 – ‘Barmhartig en genadig, geduldig, en in liefde groot’
Dat God menselijke misstappen vergeeft – indien men zich tenminste hiervan bewust is en zich ervan afkeert – verwoordt de auteur van Psalm 103 op weergaloze wijze. Fouten maken is eigen aan het mens-zijn. Wie evenwel zijn fouten te allen prijze wil verzwijgen, gaat ten onder (v. 3). Maar zodra men zijn zonden bekent en de schuld niet langer toegedekt houdt, dan ontmoet men een vergevende God. God heeft immers maar één doel voor ogen: dat de mens kan leven in jubel en vrijheid (v. 7).

1 Korintiërs 10,1-6.10-12 : ‘Wat hun overkwam is voor ons een voorbeeld’
In de lezing uit de Korintiërsbrief verbindt Paulus het leven van de christenen van Korinte aan Israëls lotgevallen. Daarbij leest hij het oudtestamentische verhaal over de woestijntocht op christologische wijze. De doortocht door de Zee (Ex. 13–14) verbindt hij met het doopsel; de verhalen over manna (Ex. 16) en water (Ex. 17) in de woestijn met het geestelijke voedsel dat Christus is. Ondanks deze voorkeurspositie ‘werd Israël in de woestijn geveld’ (v. 5). De reden daarvoor is duidelijk: Israël heeft zich van God afgekeerd: de Israëlieten hebben afgoden gediend, ontucht gepleegd, God getart en tegen hem gemopperd (vv. 7-10).
            Israëls lotgevallen moeten de christenen van Korinte tot voorbeeld zijn. Wanneer ze geconfronteerd worden met beproevingen, moeten ze vooral niet in dezelfde val trappen als deze waarin Israël is getrapt: ‘Wie meent te staan, moet oppassen dat hij niet valt’. Maar tegelijkertijd is de boodschap van Paulus ook hoopgevend: ‘God is getrouw’ (v. 13).

Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Lucas 13,1-9: ‘Als u zich niet bekeert...’
In de evangelielezing kunnen twee delen worden onderscheiden. Wat het literaire genre betreft, zijn de twee voorvallen waarover de verzen 1-5 verhalen (de vermoorde Galileeërs en de slachtoffers van de ingestorte Siloam-toren) duidelijk te onderscheiden van de gelijkenis over de wijngaard en de vijgenboom in vers 6-9. Toch horen beide delen ook intrinsiek samen.
            De eerste passage is symmetrisch opgebouwd rondom twee gebeurtenissen, waarbij we geheel in het ongewisse blijven over de historiciteit van de gebeurtenissen waaraan de lucaanse Jezus refereert. Het eerste deel (vv. 1-3) verwijst naar de gruwelijke kwestie waarbij Pontius Pilatus bloed van Galileeërs had vermengd met het bloed van hun offerdieren. Het tweede deel (vv. 4-5) heeft het over achttien mensen die zijn omgekomen toen de Siloam-toren instortte.
            Beide voorvallen grijpt Jezus aan om de gangbare vergeldingsleer in vraag te stellen: zijn degenen die door Pilatus werden vermoord, of degenen die onder de instortende toren werden bedolven, grotere zondaars dan alle anderen die niet om het leven kwamen? Is hun dood, met andere woorden, een straf voor begane zonden? Jezus’ antwoord is evenwel telkens heel duidelijk: ‘Nee, zeg ik u.’ En tegelijkertijd grijpt hij beide kwesties aan om er de volgende les aan te koppelen: ’Als u zich niet bekeert, zult u allemaal, net als zij, omkomen’ (vv. 3.5). Daarmee is ook de contrasterende link gelegd met de volgende episode, de gelijkenis van de onvruchtbare vijgenboom.
            De onschuldige Galileeërs werden vermoord door de wreedaardigheid van Pilatus. De achttien mensen kwamen toevallig onder de instortende toren terecht. Hun zonde is niet groter dan die van de andere mensen. In de gelijkenis van de vijgenboom wordt evenwel een ander perspectief belicht. Het oordeel dat de vijgenboom zal treffen, is niet het resultaat van een toevallig ongeluk, zoals de slachtoffers van Pilatus of van de Siloam-toren. Het lot dat de vijgenboom te wachten staat, heeft hij uitsluitend en alleen aan zichzelf te danken. Hoewel het zijn enige taak was om vruchten voort te brengen, heeft hij dat niet gedaan. Het is dan ook niet meer dan terecht dat de eigenaar van de wijngaard hem wil rooien: waarom zou hij de grond nog langer nutteloos uitputten? Niettemin vraagt de wijngaardenier aan de eigenaar nog een laatste keer om respijt: hij zal hem in het komende jaar extra zorg geven, zodat de boom zich nog kan herpakken. Het enige wat de boom moet doen, is deze kans ten volle benutten. Opnieuw klinkt de boodschap: wie de kans tot bekering met beiden handen grijpt, laat God niet in de steek...

Preekvoorbeeld

Drie keer over mocht ik vader worden. Een geweldige ervaring. En een van de mooie dingen was dat we samen onze kinderen met hun geboorte een naam mochten geven. Het eerste dat je doet. De naam die al enige tijd daarvoor in stilte wordt genoemd. Een meisjesnaam, een jongensnaam. En dan, de eerste keer, in de kraamkamer je kind vasthouden, ‘het is een jongen’ en de naam noemen; jouw eigen naam is Bas, Sjoerd, Koen. Namen die ineens een gezicht krijgen; alsof het nooit anders is geweest! ‘Voor wie ik liefheb, wil ik heten’, mooie woorden van dichteres Neeltje Maria Min in haar debuut.
            Als ouders probeer je veel zorg en aandacht te geven aan de naam: met grote, vette letters wordt die naam gedrukt op het geboortekaartje; dat is het eerste wat je aan iedereen bekend wilt maken. Het geven van een naam is heel bijzonder, want je zegt ermee tegen je kind: wees welkom bij ons, jij mag naam hebben voor ons, jij hoort erbij, hier bij ons, en ook: wij willen er zijn voor jou.
            Tijdens een doopviering vraag ik dikwijls aan de kinderen: stel je nu eens voor dat jij geen naam zou hebben gekregen? Dat zou eigenlijk heel raar zijn, dat kun je je misschien niet eens goed voorstellen. Want dan zou je dus anoniem zijn, letterlijk, zonder naam. En dat betekent dan dat je je dus niet kunt voorstellen ‘Ik heet...’, niets onderschrijven, niet geroepen worden...
            Maar er is nog meer: en ook dat weten kinderen je heel goed te vertellen; als ze bijvoorbeeld een naam mogen bedenken voor een huisdier. Ik zie het nu bij onze kleinkinderen: wie de naam mag geven is ook een beetje de baas, is een soort vader of moeder. En met het geven van een naam wordt iets uitgedrukt van de relatie die je ermee hebt. Er klinkt iets door van vertedering, van verwondering, van zorg of zelfs verliefdheid maar ook van ontzag of verantwoordelijkheid.

We hebben net het prachtige roepingsverhaal gehoord van Mozes uit het boek Exodus. Althans, met deze naam is dit boek bij ons bekend. Eigenlijk heeft het een andere naam: in het Hebreeuws heet dit boek We elèh Sjemoot dat betekent ‘Dit zijn de namen’.
            Het prachtige boek dat vertelt over de bevrijdingsgeschiedenis van het volk Gods heeft als inzet het bekend maken van namen. Namen die bepalend zullen worden in de bevrijdende relatie die God wil aangaan met Zijn Volk, met ons.

Tegenover de grootmacht van Farao, die nota bene zonder naam blijft, die geen naam mag krijgen, wordt Mozes aangesproken, met name geroepen. Hij wordt gekend en ook erkend als de Eeuwige zegt: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, ik weet hoe ze lijden!’ Precies daar waar een mens gekend wil worden, daar in de diepste ellende, daar gebeurt het: de Eeuwige openbaart zijn Naam. En precies daar gaat die God, die zich in het verleden al met de lotgevallen van Abraham, Isaak en Jakob heeft verbonden, opnieuw zijn intieme verbondsrelatie aan: Mozes’ antwoord op de roepstem: ‘ik luister’ is genoeg; God maakt zijn Naam bekend (‘voor wie ik liefheb wil ik heten’): ‘Ik ben die is’, maar ook ‘Ik zal zijn die Ik zal zijn’ - en dat er zijn betekent: erbij zijn – ik zal erbij zijn, er zijn voor jullie, voor jullie die roepen, klagen, schreeuwen om hulp; ik ken jullie pijn en daarom daal ik af om te bevrijden. De Eeuwige als jouw reisgenoot, jouw bondgenoot, jouw lotgenoot! Gisteren, vandaag en morgen ook!

En in die prachtige Naam klinkt tegelijkertijd ook de roeping, de opdracht aan Mozes, en ook aan ons door: wees er, ook zo, wees erbij, wees nabij. Gods Naam is een levensprogramma dat jij, dat ik mag uitvoeren, tegen alle wereldse machtswellust en onderdrukking in. Een naam die Mozes, die mij, die ons allemaal uitdaagt om ons bekend te maken: wie ben jij, wie bent U dan? Wat doe ik, wat doe jij dan? Kunnen wij ook op elkaar rekenen?
            ‘Ik zal er zijn voor jou’: als deze Naam ons credo is, dan betekent dat enorm veel, dan breekt daar toekomst in door, dan licht Gods toekomst met ons daar in op.
            Als je antwoord is: ‘Ik luister!’, als je je geroepen weet als moeder, als vader, als echtgenoot, als pastor of vult u maar in, om tolk te zijn van die Naam, dan mag je daarin ook de kracht en bemoediging ervaren van diezelfde Naam: ‘Je kunt het, doe maar! Ik zal er zijn voor jou, wat er ook gebeurt.’ En dan mag je ervaren dat je staat, net als Mozes, op heilige grond. Mozes is daar geraakt, door alle twijfel en onzekerheid heen; en dan gebeurt het: ‘Hij komt in vuur en vlam te staan’.

Als wij telkens opnieuw die Naam belijden, de Eeuwige noemen, de Naam uitzingen: dan spreken wij allemaal die belofte uit, dat woord van trouw door dik en dun: ‘Ik ben er, Ik zal er zijn’. Dan spreek ik de bereidheid uit dat ik wil omzien naar mensen in ellende, dat ik me wil inzetten voor hen; dat zij mij mogen roepen en dat ik er zal zijn als zij mij nodig hebben, als ouder, als pastor, als mensen, thuis, op je werk, op school, in de buurt, in deze kerk...

En Jezus? Hij heeft weet van deze God: Hij kent God vanuit zijn eigen traditie als de barmhartigheid en trouw zelve. Een God die zich niet wreekt, die zich zelfs laat vermurwen om een vijgenboom nogmaals een kans te geven. En aan Jezus mogen wij ons optrekken: in namen als Mozes, in mensen als Hij tot op vandaag die zeggen en doen: ik ben er, ik sta achter jou, wat er ook gebeurt, ik trek me jouw ellende aan, ik vergeet jou niet, wie jij ook bent, vrouw of man, vluchteling of vreemde, blank of zwart, mensen, kinderen van God.

 

inleiding prof. dr. Hans Ausloos
preekvoorbeeld Hans Lucassen

webdesign: Artis