24 december 2018
Kerstnacht

Lezingen: Jes. 9,1-6; Ps. 96; Tit. 2,11-14; Luc. 2,1-14 (C-jaar)

 

Inleiding

Lucas 2,1-14
Betlehem: het toneel van Jezus’ geboorte
Kerstmis is een feest met eeuwenlange tradities die een sterk stempel hebben gedrukt op de idee waarover het op dit feest zou gaan, maar waar niet altijd voldoende aandacht werd besteed aan wat de evangelieteksten daarover meedelen. Op basis van die tradities wordt het nodige naar voren gebracht over de plaats waar Jezus geboren is. Betlehem is echter een van de meest gecompliceerde bedevaartsplaatsen in het Heilige Land. Je komt er de meest uiteenlopende bijbelse, maar ook apocriefe plekken tegen. Vlak voor je vanuit Jeruzalem bij Betlehem aankomt ligt links van de weg de ‘Kathisma-ruïne’, de plaats waar Maria wilde rusten en vanwaar Jozef op zoek zou zijn gegaan naar een vroedvrouw.
            Op diezelfde plaats zou ook de profeet Elia gerust hebben tijdens zijn vlucht van de Karmel naar de berg Horeb (1 Kon. 19). Het Grieks-orthodoxe klooster van ‘Mar Elias’ houdt die herinnering in stand. Volgens de apocriefe traditie zou Maria daar, tijdens de afwezigheid van Jozef, haar zoon ter wereld hebben gebracht. En dan staat Maria daar naast Rachel, de vrouw van aartsvader Jacob, die vlak daarbij haar zoon Benjamin baarde maar bij de bevalling overleed. Haar graf wordt vereerd bij de ingang van Betlehem door zowel joden als moslims (Gen. 35,16-20).
             Als je eenmaal op Betlehems gebied bent zal de Palestijnse pelgrimsgids je precies vertellen door welke straat de Drie Koningen naar de geboortegrot zijn gegaan, ofschoon die in het evangelie volgens Lucas niet voorkomen en in het Matteüsevangelie niet een grot maar een huis binnengingen. Dat huis wordt je misschien aangewezen op de plaats van een kapel ergens aan de buitenkant van de stad. Op weg naar de geboortegrot kwamen Jozef en Maria langs een waterput waar Maria van wilde drinken. Het water stond echter veel te laag, maar voor haar kwam het naar boven zodat ze haar dorst kon lessen, daarna zakte het weer. De Grieks-orthodoxe kerk beheert met veel toewijding deze apocriefe plaats.
             Niet ver van de geboortegrot beheren de franciscanen het kleine heiligdom van de Melkgrot. Volgens een overlevering trok de Heilige Familie zich hier even terug tijdens hun vlucht naar Egypte zodat Maria haar kind de borst kon geven. Een druppel moedermelk zou toen op de donkere rots zijn gevallen die op datzelfde moment helemaal wit werd.
            Verder is er op de weg van Betlehem naar de Dode Zee een Grieks-orthodox klooster met een grot waar de Drie Koningen zich verstopt zouden hebben toen Herodes de politie achter hen aanstuurde omdat hij zich door hen bedrogen voelde.
            Eveneens bevinden zich niet ver buiten de stad drie ‘herdersvelden’, een katholiek, een Grieks-orthodox en een luthers, waar de engelen aan de herders zouden zijn verschenen.                         
Pas in de tweede helft van de tweede eeuw vermeldde Justinus de Martelaar, afkomstig uit de Palestijnse stad Nablus, dat Jezus in een grot geboren zou zijn. De plaats van die grot was een door keizer Adrianus aangelegd heilig bos ter ere van de Romeinse bosgoden. Of Adrianus daarmee de herinnering aan de geboorteplaats van Jezus wilde uitwissen, zoals soms gesuggereerd wordt, is niet met zekerheid te bewijzen. Mogelijk was daar vroeger een heilige plaats ter ere van de heidense godheid Lacham.

Achter de woorden
Al deze ‘heilige’ plaatsen helpen ons niet veel om het evangelie van de Kerstnacht werkelijk te begrijpen en we moeten dan ook zeer voorzichtig zijn om daar concrete historische en geografische gegevens uit te distilleren. Eveneens moeten we een zekere afstand in acht nemen van de traditionele kerstgedachten, en zonder vooringenomenheid de tekst van Lucas onder ogen proberen te zien. De Nederlandse karmeliet Carlos Mesters, al jaren een van de meest vooraanstaande bijbeldeskundigen in Brazilië, legt er de nadruk op bij het lezen van een bijbeltekst ‘achter de woorden’ te kijken. Als we dat in deze perikoop doen, zullen we bemerken dat de evangelist veel meer zegt dan we op het eerste gezicht zouden denken.

Keizer Augustus en Jezus
De eerste woorden van deze perikoop nodigen al uit om achter de woorden te ontdekken waar het Lucas om te doen is als hij refereert aan keizer Augustus. Hij doet dat op zijn eigen typische wijze door middel van de hebraïserende uitdrukking ‘en het geschiedde’. In veel bijbelvertalingen is deze uitdrukking om literair stilistische motieven ‘weggewerkt’ waardoor mogelijk ook iets van de intentie van de auteur op de achtergrond verdwijnt of zelfs helemaal verloren kan gaan. Deze ‘geschiedenis’ heeft plaats ‘in de dagen van keizer Augustus’ maar toch is dat veel meer dan een historische situering van het kerstgebeuren. Naar aanleiding van zijn geboorte in 63 vChr., verklaarde een vergadering van Romeinse steden in het huidige Turkije: ‘Onder de gunsten ontvangen van de kant van de goden, is de aangenaamste en meest weldoende, die van de geboorte van de goddelijke Caesar… Hij herstelde alles en gaf aan de wereld een nieuw aanschijn’. Hoewel hij het niet met even zo veel woorden zegt, plaatst de evangelist keizer Augustus als tegenpool van Jezus.
           Vervolgens vertelt Lucas dat Augustus een volkstelling laat houden in heel zijn rijk. Dat het de auteur helemaal niet te doen is om een historische reconstructie, blijkt duidelijk uit het feit dat die volkstelling in werkelijkheid pas jaren later gehouden werd. In de traditie van het jodendom is volkstelling een zonde. In 2 Samuël 24 en 1 Kronieken 21 vernemen we dat zoiets gezien werd als een gebrek van vertrouwen op JHWH. Kronieken noemt het zelfs een plan van de duivel, en koning David wordt dan ook gestraft voor dit soort onderneming. Hier in het kerstverhaal hebben we dus een duivelse poging om Gods plan met de mensen te doorkruisen. Het keizerrijk, het Grieks noemt dat de oikoumenè, staat in contrast met het huis van David. De bedoeling van de evangelist lijkt niet op de eerste plaats een melodramatisch verslag te zijn van een arm echtpaar uit Nazaret dat gedwongen wordt een dagenlange reis te ondernemen, maar om contrasterende situaties aan te geven.

Logiesproblemen?
De volgende zinnen hebben de christelijke kersttraditie bijzonder sterk beïnvloed. Alle logiesgelegenheid in Betlehem zou vol zijn, zodat Jozef en Maria geen enkele andere optie hadden dan in een stal een onderkomen te zoeken, waar het kind vervolgens in een voederbak werd gelegd. Ook hier weer schrijft Lucas ‘en het geschiedde’, maar nu niet in de dagen van keizer Augustus, maar in de dagen van de bevalling. Dus ook hier weer de tegenstelling tussen het grote wereldtoneel en hetgeen ‘geschiedt’ in het kleine en onaanzienlijke Betlehem.      
Onze bijbelvertaling (NBG/KBS) vermeldt een ‘nachtverblijf van de stad’. Nergens in de oorspronkelijke Griekse tekst is sprake van de ‘stad’. Lucas gebruikt hier het woord katalyma, dat een meervoudige betekenis heeft zoals: herberg, onderdak, eetzaal, kamer, vertrek, nachtverblijf, woning, maar ook weidegrond, verblijfplaats van herders en nomaden, tent en zelfs loofhut. Zo komt het dat het in de verschillende bijbelvertalingen niet altijd op dezelfde wijze wordt weer gegeven. In de derde eeuw heeft Origenes een tekstvariant waarin Jozef een onderkomen zoekt ‘in een spelonk’, een duidelijke vermenging van de tekst van Lucas, met het proto-evangelie van Jakobus en de traditie van Justinus de Martelaar.         
           De zaak wordt nog ingewikkelder bij de opmerking dat het kind in een voederbak werd neergelegd. En hier rijst de christelijke fantasie de pan uit. Jozef en Maria zouden zo arm zijn geweest dat ze gewoon geen mogelijkheid hadden om logies te betalen, en omdat het kind elk moment geboren kon worden, moesten zij noodgedwongen hun toevlucht nemen tot een stal en de baby in een voedertrog leggen. Echter, op geen enkele plaats tekent Lucas Jozef en Maria als hulpbehoevende armen. En het woord fatné dat in onze vertaling met ‘voederbak’ wordt weergegeven heeft naast ‘voederbak’, ook de betekenis van ‘stal’ of de ‘omheinde ruimte’ waar herders ’s nachts hun schapen bijeenbrengen. Lucas tekent zo de geboorte van Jezus in een herderssituatie en niet in een sophisticated logeergelegenheid. Doet hij dat expres? De evangelist gebruikt geen voetnoten om het ons duidelijk te maken. Maar het feit dat Jezus volgens hem geboren werd in de stad van de herder-koning David is een plausibele reden waarom hij dat zó en niet anders vertelt. Trouwens, hoeveel herderskindertjes zullen er in de loop der tijden ook niet in een voedertrog gelegen hebben? Een duidelijker contrast tussen het Davidskind Jezus en keizer Augustus is bijna onmogelijk.
            Nu kan ook duidelijk worden wat de auteur wil zeggen met zijn opmerking dat er geen plaats was in de katalyma. We moeten hier niet denken aan een eventueel overvol Betlehem en minder nog aan barse inwoners van die stad die Jozef en Maria geen onderdak wilden verlenen. De originele Griekse opmerking kan begrepen worden als ‘een katalyma, dat was nu niet direct de plaats voor deze nieuwe David’. Gods keuzes zijn fundamenteel anders dan die van de groten der aarde. Op deze wijze gaat misschien veel van de kerstromantiek verloren, maar winnen we met de ontdekking van de intentie van de evangelist.

Engelen als evangelieverkondigers                                      
Dat het in deze vertelling niet om een reportage gaat moge eveneens blijken uit het vervolg waar eerst één engel en later een groot hemels leger opgevoerd wordt; mythische, hemelse figuren die gezien werden als doorgevers van goddelijke besluiten. En ook hier weer plaatst Lucas Jezus als tegenpool van keizer Augustus. De engel zegt dat hij ‘goed nieuws’ heeft voor de herders. ‘Goed Nieuws’ is een mooie vertaling van ‘evangelie’, en dat is een uitdrukking uit het keizerlijk spraakjargon. Wat door de keizer was verordend was automatisch evangelie, een verlossende en blijde boodschap, niet zo maar een eenvoudige mededeling, maar de proclamatie van een verandering ten goede voor de wereld. Dergelijke boodschappen hadden volgens de Romeinse opvatting dan ook een goddelijk karakter. Dus ook hier weer: Jezus tegenover de keizer.
           Markant is dat de engel Jezus een ‘redder’ noemt. Redder van wat of van wie? Gezien de tegenstelling tussen Jezus en keizer Augustus zouden we hier kunnen denken aan heel het Romeinse systeem waar het Joodse volk onder leefde, alleen zie je in het vervolg van het verhaal van Lucas, maar ook in de andere evangelies, niets van een eventuele bevrijding van het Romeinse juk. Sommige vertalingen geven hier de uitdrukking ‘verlosser’ in plaats van ‘redder’ en dan kunnen we ons afvragen of we hier ook niet moeten denken aan de traditionele ‘losser’, een Nederlandse vertaling van het Hebreeuwse goël. De goël was iemand die zijn berooide naaste of verre familie hun waardigheid weer terug gaf door verloren gegane goederen, huis, akkers, voor hen terug te kopen. In de traditie van het Heilige Land bevindt zich het herdersveld juist op de plaats waar het oudtestamentische veld van Boaz lag (vgl. het boek Ruth), de man die de verloren bezittingen van zijn verre verwante Noömi terugkocht en trouwde met haar schoondochter Ruth, waardoor niet alleen de menselijke waardigheid van die twee vrouwen, nota bene een van hen een Moabitische, werd hersteld, maar waardoor Boaz zelf een directe voorvader van koning David werd.
           Verder geeft de engel een teken aan de herders: een pasgeboren kind in een voederbak als (ver)losser voor hen, en dat niet alleen, hij zal ook Messias en Heer zijn. Misschien te mooi om waar te zijn. Maar in Israël bestaan meerdere tradities dat een kind wordt aangekondigd als garantie voor het geluk van het volk. De profeet Jesaja verkondigt aan koning Achaz dat God hem een teken zal geven en wel in een, zelfs nog ongeboren, baby (Jes. 7), terwijl in Jesaja 9 sprake is van een pasgeboren kind op wiens schouders de heerschappij zal rusten, zoals we vernemen in de eerste lezing van de Nachtmis.
           De lofzang van de engelen kan eveneens op verschillende wijzen geïnterpreteerd worden. De vrede wordt aangezegd aan de mensen die God liefheeft. Oudere vertalingen geven ‘mensen van goede wil’. Maar het kan eveneens betekenen ‘mensen wier hart het welbehagen van God zoeken’, de ware Godzoekers dus. Gezien de sterke oppositie tussen Jezus en de keizer, moeten we er hier vragend bij denken: ‘vrede van de Messias en niet de Pax Romana van keizer Augustus’?

Eerste lezing: Jesaja 9,1-6
Het bijbelboek Jesaja zouden we een kleine bibliotheek kunnen noemen. Onze tekst maakt deel uit van het zogenaamde Immanuelboek (hoofdstukken 7-12). Zoals Zebulon en Naftali als eerste plaatsen van het Israëlitische Noordrijk het slachtoffer werden van de Assyrische expansiepolitiek zo dreigt ook nu, in de dagen van Jesaja en van koning Achaz een catastrofe voor het Judese Zuidrijk. Maar ondanks die dreiging worden hier vredesperspectieven naar voren gebracht. De profeet droomt van een messiaanse utopie die rust en vrede zal betekenen, zoals indertijd gebeurd is na de overwinning van Gideon op de Midjanieten (Recht. 7), nu echter niet door middel van militaire acties maar door een kind dat op de troon van David plaats zal nemen. Aan die nakomeling van David kent de profeet de wijsheid van Salomo toe, basiscriterium voor de leiders van Israël en garantie voor het welzijn van het volk.

Tweede lezing: Titus 2,11-14
Deze perikoop is het centrum van de brief aan Titus. De auteur begint hier met de opmerking dat Gods genade openbaar is geworden tot redding van alle mensen. Interessant is dat hij hier de term ‘epifanie’ gebruikt, dezelfde die in de hellenistische wereld gebezigd werd om te spreken over de komst van koningen en keizers. De auteur erkent in die redding de overwinning over ‘goddeloze en wereldse begeerten’ door de verrijzenis van Christus en als zodanig een uitdaging om een ‘bezonnen, rechtvaardig en vroom’ leven te leiden. Deze gedachte herhaalt hij in vers 14 dat we kunnen aanmerken als een soort synthese van de paulijnse soteriologie.

Zie Y. van den Akker-Savelsbergh en E.T.M. Keller-Hoonhout, ‘De brief aan Titus. De glorie van onze grote God en redder Jezus Christus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 94-101

 

Preekvoorbeeld

In een gebedenboekje van het bisdom Breda staat een heel mooi gebed met het oog op Kerstmis: ‘Heer, gij kent ons hart. Gij weet hoezeer wij verlangen naar vreugde en geluk. Als het donker is, zoeken we naar licht; als het koud is, naar warmte; zijn we in nood, dan zien we uit naar iemand die kan helpen. Kom dan in ons bestaan, neem ons bij de hand, verwarm ons hart en verlicht ons pad.’
            In deze donkere tijd van het jaar zien we uit naar het licht, zoals ook de oude Germanen dat al deden bij het naderen van de zonnewende, midden in de winter. Kerstmis is bij uitstek het feest van het licht. Sinterklaas is nog niet voorbij of je ziet overal in de straten en de huizen een feestelijke verlichting. Kerstmis is ook het feest van de gezelligheid. Als het koud en donker is zoals in deze tijd van het jaar, dan zoeken mensen warmte en hartelijkheid bij elkaar. Dat maakt deze tijd gezellig.
           Hoeveel mensen zijn er niet, die er juist in deze dagen iets goeds en moois van maken. Deze week was ik nog bij een tuincentrum om een paar kerstbakjes te halen, maar je kon nauwelijks je auto kwijt. Zo druk was het daar. Ik hoop dat ze een goede omzet hebben gehad. Ook de supermarkten en andere zaken hebben ons in de afgelopen weken overspoeld met allerlei folders en aanbiedingen om een keer lekker met elkaar te eten. Op zichzelf is daar niks mis mee.
            Velen hebben daar goede herinneringen aan, die van ons ouderlijk huis met Kerstmis een echt thuis maakten. Als we uit de nachtmis kwamen, hoor je mensen nog vaak vertellen, dan kregen we bakleverworst, balkenbrij of een ander gerecht. Misschien wel worstenbroodjes. Van cholesterol hadden we nog nooit gehoord. Het woord stond nog niet eens in het woordenboek. En je wist nog niet eens hoe je het moest schrijven.
            Toch zit het hem met Kerst niet alleen aan de buitenkant, wat we zoeken. Iedereen hier zal dit beamen. Je kunt nog zoveel in huis halen, maar het mooiste is dat we het goed hebben met elkaar en dat we vrede hebben met elkaar. Als we elkaar een Zalig Kerstfeest wensen heeft dat alles te maken met vrede en verdraagzaamheid, dat je het goed hebt met elkaar.
            Er is nog iets anders. Er zijn ook veel mensen die het juist in deze dagen moeilijk hebben. Je komt ergens om afscheid te nemen van iemand, die niet meer zo lang te leven heeft. Wat moet je dan zeggen: Zalig Kerstmis? Ja, zeiden ze, zeg maar gerust zalig kerstmis, we zijn nu nog bij elkaar. Ik denk aan alle mensen die in het afgelopen jaar veel hebben meegemaakt en die daar juist met de kerstdagen dubbelop aan herinnerd worden. Zo gezellig als het vorig jaar nog was, zo groot is dit jaar het gevoel dat iemand er niet meer is. Het is net of het hart er uit is, zei iemand, toen hij op zijn eentje de kerstboom aan het optuigen was. Dat valt niet mee.
            Juist aan mensen die in het donker zitten wil het Kerstkind licht brengen. Ik denk aan alle mensen die in armoede moeten leven en die niet aan hun kinderen kunnen geven wat ze zouden willen geven. 10% van de Nederlandse huishoudens is arm. De economie trekt weer aan, maar ook het verschil tussen arm en rijk. Het lijkt erop dat de rijken en hoogopgeleiden er met de winst van door gaan. Het aantal miljonairs stijgt nog harder dan het mestoverschot, zei iemand. Misschien komt daar de uitdrukking vandaan dat geld niet stinkt. Cijfers zeggen lang niet alles over de toestand van mensen.
            Denkend aan de kribbe, de voederbak van Betlehem, ga je al gauw met je gedachten naar de voedselbank, waar nog steeds veel mensen om eten en drinken komen, omdat zij anders bijna niets meer hebben. Wij willen dat niet graag horen, maar het is wel zo. Juist zij hebben recht op licht.
            Met Kerstmis vieren wij de geboorte van Jezus Christus. Ondanks alle commercie, ondanks alle kerstmannen en rendieren met arresleeën blijft dat ons uitgangspunt. In alle armzaligheid kwam hij als een goede herder op deze wereld om ons leven te delen, vooral het leven van mensen die een donkere periode in hun leven meemaken.
            Als God mens wordt in deze wereld, dan wil hij daarmee laten zien dat hij van alle mensen evenveel houdt, dat hij in alle mensen welbehagen heeft en nooit een onderscheid maakt tussen ‘die wel’ en ‘die niet’. Zij zijn hem allemaal even lief. Ook u, ook jij mag er zijn. Je bent geteld, wie je ook bent. Juist de mensen die niet in tel zijn horen er bij! Ook de mensen die je ’s avonds laat onder een afdak ziet liggen en die daar proberen in te slapen. Misschien is dat wel het grote verschil tussen de wereld van Jezus, het Koninkrijk van God, en het keizerrijk van Augustus. Bij Jezus telt iedereen mee als mens, bij Augustus worden de mensen alleen maar geteld om er zelf beter van te worden en om macht uit te oefenen.
            In het Kerstverhaal wordt Augustus niet alleen vermeld om de tijd aan te geven, waarin het allemaal geschiedde, maar ook om te vertellen in wat voor wereld Jezus terechtkwam. Op de dag dat wij vieren dat God mens werd begint het evangelie met een mens die denkt dat hij van mens god is geworden. Als zodanig vertegenwoordigt Augustus een hele grote wereld van macht, rijkdom, alleenheerschappij, van allerlei mensen die denken dat zij zichzelf genoeg zijn en anderen klein kunnen houden. Het is de omgekeerde wereld van Jezus, die niet in Rome wordt geboren, maar tussen het herdersvolk van Betlehem, de stad van David, de koning, de herder, die echte zorg had voor zijn schapen. Daar geschiedde het dat Maria het leven gaf aan Jezus.
            In de wereld van Jezus, die de tegenpool is van al die goddelijke Augustussen op aarde, is God degene die juist voor kleine mensen bereikbaar is. Zijn geboorteverhaal is meteen het visitekaartje van God, die neerziet op de trotsen der wereld en die eenvoudigen tot aanzien brengt. God is als een goede herder, die altijd op zoek is naar iedereen die verloren rondloopt.
            Wij zijn allemaal geboren als een evenbeeld van die goede God. Dat beeld mogen wij laten zien. Niet het beeld van de keizer. Wij zijn geboren voor een leven met elkaar, wie we ook zijn. We zijn er voor het leven en de liefde, niet om elkaar af te breken of om elkaar te laten vallen. Ook de mensen die het verknallen in hun leven hebben net zo goed als iedereen behoefte aan aandacht en respect voor het meest eigene dat zij met zich meedragen. Wat zij verkeerd doen en wat zij anderen aandoen hoeven we nooit goed te praten, maar we mogen nooit iemand helemaal afschrijven. Iedereen heeft wel iets goeds.
            Wat dat betreft kunnen we allemaal een voorbeeld nemen aan onze paus, die als geen ander opkomt voor alles wat zwak is. Gelukkig staat hij niet alleen. Wij denken aan alle goede mensen die iets uitstralen van de vrede en het licht van Kerstmis, die van binnenuit precies aanvoelen waar het in deze wereld om draait, niet om macht en aanzien, maar om het welzijn van elkaar. Ook dicht bij huis. Het gaat niet alleen om het welzijn van de grote wereld, zei iemand, maar ook om het welzijn van tante Annie en oom Johan. Dichter bij huis kun je Kerstmis niet krijgen.
            In duizenden en duizenden mensen kun je elke dag zien dat God nog steeds mens wordt in deze wereld. God wordt nog steeds mens! Elke dag opnieuw. Dat heeft alles te maken met het Koninkrijk van God dat midden onder ons aanwezig is als een tegenpool van de wereld van Augustus, die we ook in vele gedaanten tegenkomen en die steeds actueel blijft met alle leugens en bedrog.
            Met Kerstmis is er licht in onze duisternis gekomen. We moeten oppassen dat we niet alleen naar de donkere kant van de wereld kijken. Er is gelukkig ook nog veel saamhorigheid en meeleven, ook bij jongeren. Als het nodig is, zijn ze er voor elkaar, al is het midden in de nacht. Ik denk aan mantelzorgers, ouderen die voor elkaar zorgen, dag in, dag uit, totdat kinderen of anderen zeggen: ma, zo gaat het niet langer, maar toch. Dat gebeurt allemaal midden onder ons, onder alle mensen, heel dicht in de buurt, naast ons.
            Met Kerstmis komt al dat goede naar boven, niet met veel lawaai, maar vaak in stilte, klein en weerloos als een kind. ‘Heden is u een Redder geboren!’ Een Verlosser, iemand die je weer helemaal terugbrengt in je waarde. Heel veel mensen verlangen daar naar.
Wij leven niet alleen, wij leven samen, wat wij ook geloven. Laten we zonder onderscheid te maken omzien naar elkaar en daarbij niet discrimineren. We hebben iets met elkaar. We zijn geen lege dozen, die je weer bij het oud papier kunt zetten. We zijn geboren voor de eeuwigheid.
            Vrede, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid en een zalig kerstmis komen niet uit de lucht vallen. We zullen het ook zelf waar moeten maken. In die zin wens ik ons allen een Zalig Kerstmis toe en al vast een Gelukkig Nieuwjaar met veel vrede en verdraagzaamheid. Amen.

 

inleiding Gerard van Buul ofm
preekvoorbeeld Jan Kortstee

webdesign: Artis