23 september 2018
Vijfentwintigste zondag door het jaar

Lezingen: Wijsh. 2,12.17-20; Ps. 54; Jak. 3,16-4,3; Mar. 9,30-37 (B-jaar)

 

Inleiding

Eerste lezing: Wijsheid 2,12.17-20
Het boek Wijsheid is ontstaan in de eerste eeuw voor Christus, waarschijnlijk in het Egyptische Alexandrië, het centrum van de hellenistische cultuur. De auteur, een hellenistische jood, richt zich tot de belangrijke joodse bevolkingsgroep die daar toen leefde en van wie velen onder de indruk waren van de Griekse cultuur. Hij roept zijn geloofsgenoten op om te midden van de nieuwe cultuur trouw te blijven aan de God der vaderen. Hij tracht een brug te slaan tussen de oude, joodse waarden en nieuwe, hellenistische opvattingen die in omloop komen.

Na een aansporing om de wijsheid te zoeken (Wijsh. 1,1-15) worden in 1,16–2,20 de opvattingen van de goddelozen uitvoerig uiteengezet. Het leven is volgens hen kort en droevig, de dood betekent radicaal het einde, zelfs naam en faam worden vlug vergeten (2,1-5). Daarom moet men maar zo veel en zo vlug mogelijk genieten, ook ten koste van de armen en de zwakken. Alleen het recht van de sterkste geldt (2,6-11). Het leven van de rechtvaardige is echter een voortdurende aanklacht tegen de levensstijl van de goddelozen, zij worden er bestendig door geprikkeld. Daarom besluiten zij de gerechte uit de weg te ruimen; dan zullen zij wel eens zien of God hem inderdaad te hulp komt. Als dan bij de dood van de rechtvaardige blijkt, dat zijn godsvertrouwen dwaas was, zullen de goddelozen van een vervelende lastpost verlost zijn, én kunnen ze rustig doorgaan met hun leventje te leiden, zonder vergelding te hoeven vrezen (2,12-20).

Uit dit laatste onderdeel in de redenering van de goddelozen is de lezing genomen. Ze dient als achtergrond bij de evangelielezing, waarin Jezus voor de tweede maal in het Marcusevangelie zijn lijden voorspelt en aankondigt dat hij overgeleverd zal worden in de handen van de mensen.

In de tekst die onmiddellijk op de lezing volgt, geeft de auteur van het boek Wijsheid zijn oordeel over de denkwijze van de goddelozen (2,21-24). Zij vergissen zich, zegt hij, zij zijn verblind, want zij beseffen niet dat God de mens voor het eeuwig leven heeft geschapen. Het boek Wijsheid is een van de weinige boeken van het Oude Testament waarin het geloof in een leven na de dood zo sterk wordt uitgesproken.

Antwoordpsalm: Psalm 54,3-6.8
Psalm 54 is een klaaglied, een gebed om hulp. De psalmist roept eerst Gods Naam aan en bidt om redding (vv. 3-4; vv. 1-2 zijn de later toegevoegde titel van de psalm). In een klacht schetst hij dan zijn noodsituatie: vreemden, goddelozen zijn tegen hem opgestaan (v. 5). Vervolgens vertolkt hij zijn vertrouwen in de hulp van God, die de vijanden onschadelijk zal maken (vv. 6-7). Ten slotte belooft hij een dankoffer te brengen als God hem redt (vv. 8-9). De vermelding van Gods Naam in het eerste en het voorlaatste vers van de antwoordpsalm vormt een inclusie. In het midden van de psalm staat de tegenstelling tussen ‘zij die mij naar het leven staan’ (v. 5) en ‘God die mij bijstaat’ (v. 6).

Evangelielezing: Marcus 9,30-37
In het centrale deel van het Marcusevangelie (8,27–10,52) gaat Jezus met zijn leerlingen op weg naar Jeruzalem, de stad waar hij zal lijden en sterven. Onderweg onderricht hij zijn leerlingen. Drie keer kondigt hij aan welk lot hem in Jeruzalem te wachten staat. Drie keer botst hij daarbij op het onbegrip van zijn leerlingen, waarna hij hen met aandrang oproept hem te volgen op zijn weg. Zie Marcus 8,31-34; 9,31-37 en 10,32-45. De teksten worden telkens wat langer uitgesponnen, zodat er een climax ontstaat. De eerste lijdens- en verrijzenisaankondiging (zie de evangelielezing van vorige zondag) was gesteld in de indirecte rede. In de tweede, die we vandaag lezen, spreekt Jezus zijn leerlingen rechtstreeks aan, in de directe rede.

De tekst is als volgt opgebouwd:

               –        situatieschets (vv. 30-31a);
               –        Jezus kondigt zijn lijden, dood en verrijzenis aan (v. 31b);
               –        onbegrip van de leerlingen (vv. 32-34);
               –        oproep tot navolging (vv. 35-37).

In tegenstelling tot de eerste helft van het Marcusevangelie, vermijdt Jezus nu het contact met het volk. Hij is alleen met zijn leerlingen onderweg en geeft hun apart onderricht (vv. 30-31a). Bij de aankondiging van zijn lijden gebruikt Jezus dit keer de uitdrukking: ‘de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de mensen’ (v. 31b). Die uitdrukking zal met kleine variaties nog terugkeren in het lijdensverhaal zelf, het duidelijkst in Marcus 14,41: ‘de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de zondaars’.
            Het onbegrip van de leerlingen uit zich ditmaal niet in een hevige reactie van Petrus zoals in de eerste lijdensaankondiging (8,32v), maar in het niet-begrijpend zwijgen van alle leerlingen (v. 32) en vooral in hun onderlinge twist over de vraag wie van hen de grootste is (vv. 33-34). Geduldig legt Jezus hun uit, dat de weg die zij moeten gaan een totaal andere is: een weg die er niet op gericht is de grootste te zijn, maar de dienaar van allen te worden (v. 35). Het woord ‘onderweg’ (v. 34) krijgt in deze context een bijzondere betekenis: het verwijst naar de levensweg van Jezus en naar de noodzaak voor zijn leerlingen hem na te volgen op die weg. Met een symboolhandeling en een woord over het kind (vv. 36-37), onderstreept Jezus ten slotte de draagwijdte van de dienstbaarheid waartoe hij gekomen is en waartoe hij ook zijn leerlingen – en ons, de lezers van het evangelie – uitnodigt.

 

Preekvoorbeeld

YOLOYou only live once, is het gevoel dat me overvalt als ik in het boek Wijsheid lees.
YOLO – letters voor onze moderne tijdgeest: Je leeft maar één keer. Je leven is kort en je móet alles eruit halen. Nú genieten, straks ben je er niet meer. Héb succes en laat dat blijken uit je vakanties, je auto, je stralend gezin . ‘Je hebt er recht op’, roept de tijdgeest. Eigen geluk is de hoogste norm.
            YOLO – we bedoelen het helemaal niet slecht. We werken hard. Die sukkels die uit de boot vallen… we zien ze niet in ons nette straatbeeld, ze wonen in andere wijken, ze hebben het vast aan zichzelf te wijten. Wij zijn de hardwerkende Nederlanders!
            In zo’n wereld is ook het boek Wijsheid ontstaan: van voor onze jaartelling, in een multicultureel wereldrijk met betrekkelijke vrede en kansen voor iedereen.
            Wat is daar nou mis mee?
Toch is de schrijver van Wijsheid kritisch. Hij noemt zijn tijdgenoten ‘goddelozen’ en hun redeneringen ‘dwaasheid’. Atheïsten kan hij met het woord ‘goddelozen’ niet bedoelen. Iedereen geloofde in zijn tijd in allerlei goden. Dwaas is het ook niet om te constateren dat het leven kort is. Blijkbaar zit het kritiekpunt elders.

De schrijver van Wijsheid is een gelovige jood, die zijn volksgenoten op Gods weg wil houden. Hij waarschuwt: Als je meedoet met de ‘goddelozen’, dat wil zeggen als je je eigen genot, je eigen oordeel, je eigen kracht tot hoogste norm maakt, dan ben je afgedwaald van Gods geboden. De goddeloze is de mens van ‘eigen genot eerst’. Gód wenst zich mensen die gerechtigheid doen: Dat er oog is voor de wees en de weduwe, dat de vreemdeling een plaats krijgt, dat de minste vooraan komt.
            Houd er rekening mee, schrijft hij, dat de ‘succesvollen’ je dan niet leuk vinden. Ze ervaren de levenshouding van de rechtvaardige als kritiek: ‘Achterlijk, die mensen zeuren over ons genot. Weg ermee!’ We horen de plannen die ze maken: ‘Als die rechtvaardige bij God hoort, dan zal die het wel voor hem opnemen. We zullen zijn zachtmoedigheid testen, zijn geduld eens uitproberen’.

Jezus is op weg naar Jeruzalem, zijn laatste weg. Hij onderricht zijn leerlingen: ‘De Mensenzoon valt in de handen van mensen en die zullen hem doden’. Onbegrijpelijke taal. Verbaasd, verontrust, zwijgen de leerlingen. Zíj hopen juist op succes in het komende koninkrijk. Ze zijn al bezig de beste rangen te verdelen.
            Jezus roept ze bij elkaar. Hij legt uit: ‘De weg van de rechtvaardige, de weg van Gods geboden, is niet geplaveid met eigen succes maar met dienst’. Niet de selfmade man of woman is de hoogste norm, maar degen die van geen betekenis geacht wordt, bijvoorbeeld het kind of een slaaf. Wie afhankelijk en kwetsbaar is, staat centraal. Neem je die kwetsbare op in je leven, dan neem je God op. Dan ga jij met God en God met jou.

De weg van Jezus naar Jeruzalem is de weg van de rechtvaardige door de wereld. En de ‘goddelozen’ roepen: ‘Nou we zullen wel zien of hij een zoon van God is’. Jezus lijkt het onderspit te delven, maar, zo geloven wij, in zijn opstanding erkent God deze mens als de rechtvaardige, de zoon naar zijn hart. In zijn opstanding zien we de woorden uit Wijsheid werkelijkheid worden. Ja, de Mensenzoon valt in mensenhanden en ze zullen hem doden, maar dan blijkt ook dat Gods rechtvaardigheid, zijn Wijsheid, sterker is dan alle waanwijsheid van de ‘goddelozen’: Als er voor onze wereld toekomst is, dan op de weg van Gods geboden.

En wat betekent dat dan voor ons? Wij, die leerlingen van Jezus willen zijn, met hem onderweg naar Gods Jeruzalem?
            Het eerste dat me opvalt, is dat de eeuwen door veel waanwijzen best in God geloven, maar onbewust de hoogste norm bij eigen belang gelegd hebben. Dat tekent ze als ‘goddelozen’. Op die manier zijn YOLO’s blijkbaar van alle tijden.
            Het tweede is de waarschuwing uit Wijsheid: ‘Denk niet, dat trouw aan Gods geboden zonder weerwoord van de wereld zal zijn.’ Wij zijn net als de leerlingen deel van onze wereld. YOLO zit in ons bloed, het is de taal van de politiek en van de reclame. Je moet van goeden huize zijn, om dat te doorzien. En waar doorzie je dat? Juist daar waar de zwakke mensen zijn.
            De Marokkaanse vrouw, die haar gehandicapte moeder in huis wilde opnemen, want in het verpleeghuis konden ze haar niet verstaan. Maar wie schetst onze moderne werkelijkheid? Het kostte die mevrouw haar uitkering: ‘U woont nu met twee uitkeringstrekkers in één huis, dat kan niet’, terwijl die Marokkaanse mevrouw juist extra kosten moest maken om haar moeder op te vangen en de maatschappij kapitalen bespaarde door verpleeghuiszorg uit te sparen. Maar onze maatschappij ziet dat niet. De norm is dat je voor jezelf zorgt, niet voor je kwetsbare moeder. De norm is, dat … en daar zijn onze regeltjes op gemaakt. Niet dat de ambtenaren vervelende mensen zijn, maar onbewust bepaalt ‘Eigen ik eerst’ onze wet- en regelgeving. Wie succesvol is, ziet dat niet eens, maar bij de voedselbank, de noodopvang, de wijkcentra weten ze het des te beter. Lastige mensen daar? Of zijn ze klokkenluiders voor ons geweten? Zo zijn er talloze voorbeelden te vinden, maar zien we ze ook?

Wij hier in de kerk, wij geloven in God en Jezus, we willen zijn weg volgen. We zijn tegelijkertijd kinderen van onze tijd. Het boek Wijsheid schudt ons wakker: Wees kritisch op de tijdgeest, toets het aan de weg van de rechtvaardige.
            De proef op de som is dan niet ‘je eigen succes’. Reken er eerder mee, dat je als rechtvaardige irritatie op zult roepen, je bent luis in de YOLO-pels. Dat is een lastige angel ook voor je eigen wensen!
Ja, wij leven kort en geluk is kostbaar, maar durven we in ons korte leven te gaan voor het blijvend geluk, dat Gods trouw hén zal dragen, die de weg van de rechtvaardige gaan? That is the question.

 

inleiding dr. Paul Kevers
preekvoorbeeld ds. Rinske Nijendijk-Cnossen

webdesign: Artis