23 december 2018
Vierde zondag van de Advent

Lezingen: Mi. 5,1-4a; Ps. 80; Heb. 10,5-10; Luc. 1,39-45 (C-jaar)

 

Inleiding

Profetenlezing: Micha 4,14–5,5

            Dan zijn er de twaalf profeten:
            mogen hun beenderen in hun graf weer opbloeien.
            Want ze hebben Jakob moed gegeven
            en het volk door hoop en vertrouwen gered.
            (Sir. 49,10)

Slechts eenmaal in de drie jaar wordt op zondag uit de boekrol Micha voorgelezen. Micha (= wie is als JHWH?) is een boer uit Moreset. JHWH roept deze boer om als zijn geroepen-roepende (nabi) op te treden. Gods woord geeft Micha inzicht in de toestand waarin Samaria en Jeruzalem verkeren. De Thora wordt er verkracht, ongerechtigheid heeft het voor het zeggen. Door dit inzicht kan hij ook weer uitzicht bieden (4,1–5,14).
           In Micha 6,8 staat zijn ‘magna charta’: Jou is aangezegd, mens, wat goed is; en wat vraagt JHWH anders van je, dan recht te doen, de trouw lief te hebben en ootmoedig te wandelen met je God! Micha bekent in deze woorden kleur. Hij staat op de schouders van de profeet Amos – gerechtigheid en recht, Amos 5,24 – en van de profeet Hosea – liefde en trouw, Hosea 12,7. Wie gerechtigheid doet en in liefde trouw is, wandelt in deemoed met God. Deze blijde boodschap probeert de boerenprofeet Micha na de val van Samaria (722 vChr.) duidelijk te maken.

Onze perikoop (4,14–5,5) vormt de afronding van 4,9–5,5, waarin sprake is van bemoedigende woorden van troost: bevrijding door JHWH (4,9-10), de toekomstplannen van JHWH (4,11-13) en bevrijding door een messias (4,14–5,5). Wanneer de afgoderij door het volk, het onrecht door de leiders en de misleiding door profeten en priesters ontmaskerd en bestraft zijn (1,2–3,12), is er weer toekomst voor Jeruzalem:

            Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht,
            vanuit Jeruzalem spreekt JHWH.
            Hij zal recht spreken tussen machtige volken,
            over grote en verre naties een oordeel vellen.
            Dan zullen zij hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers
            en hun speren tot snoeimessen.
            Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk,
            geen mens zal meer weten wat oorlog is.
            Ieder zal zitten onder zijn wijnrank
            en onder zijn vijgenboom,
            door niemand opgeschrikt,
            want JHWH van de hemelse machten heeft gesproken.
            (4,2a-4)

Deze toekomst begint echter niet in Sion/Jeruzalem. Als teken van rouw en deemoed dient vrouwe Sion kerven in haar lichaam aan te brengen (Jer. 16,6) en de slechte leider van Israël krijgt een klap in zijn gezicht en wordt zo gedeemoedigd (4,14).
           Zoals David de jongste onder Juda’s geslachten (1 Sam. 17,12) en dus onbeduidend is (1 Sam. 16,11-13; 17,14), zo is ook Betlehem (= broodhuis), zijn geboorteplaats, klein en onbeduidend. Maar wat in de ogen van de wereld onbeduidend is, kan in de ogen van de Barmhartige veelbetekenend worden. De onaanzienlijken maken dankzij Gods roepstem naam, brengen zijn Naam aan het licht van mensen. Niet uit de hoofdstad Jeruzalem maar uit het gat Betlehem zal de Getrouwe een heerser voor zich doen opstaan. Het gaat hier om een ‘heerser-verwachting’ voor het heden of de zeer nabije toekomst en niet om een ‘messiasverwachting’ voor in de verre toekomst. De aangekondigde heerser zal zijn volk Israël namens God, dé koning, aan de hand van de Thora voorgaan op de weg van gerechtigheid, hij zal de deling die na de dood van koning Salomo (920 vChr.) ontstaan is, opheffen.

Vanuit Betlehem komt er bevrijding en heil voor Jeruzalem en zo voor de hele wereld (4,8).
           De nieuwe heerser stamt uit het huis van David (Jes. 11,1-3; Am. 9,11). Het beloftevolle woord van Micha krijgt gestalte in koning Hizkia (Jer. 26,18v) én wordt steeds opnieuw gerealiseerd?
Met woorden die verwijzen naar het teken van Jesaja (Jes. 7,14; 9,5v) maakt Micha duidelijk dat de toekomst afhangt van de geboorte van een kind. Dankzij dit kind wordt de rest van de broeders en zusters weer verzameld, wordt het volk weer heel gemaakt (5,2; 4,7.7-10). In naam van God, de goede herder (Ezech. 34; Jes. 11,1-9), zal hij zijn volk weiden. Door de krachtdadige Naam van JHWH zal hij zich laten leiden. Zijn kracht ligt niet in het voeren van oorlogen en het veroveren van landen, maar in het stichten van vrede. Dankzij deze vrede, waaraan de kind-heerser zal werken en die door God geschonken wordt, zal Israël in veiligheid kunnen wonen (5,3-4a; Am. 9,11-15).

            Hij komt niet uit de grote stad.
            Hij wordt niet in de koningsburcht geboren.
            Je zult zijn naam niet in paleizen horen.
            Waar zie je hem?
            In Betlehem,
            dat kleine gat.
            Hij komt niet uit de grote stad.          

            We noemen je nu niet meer klein.
            Je mag de stad van de Messias heten.
            Wat Micha heeft gezegd wordt niet vergeten.
            Jij, Betlehem,
            bent groot door Hem.
            Je mag het zijn
            in sterrenschijn,
            Jij, Betlehem, heet niet meer klein.
                     (Karel Deurloo, LB 21,1.4)

Evangelielezing: Lucas 1,39-56
Lucas 1,5-25.26-38 vormt een tweeluik. Op het linkerpaneel staat de aankondiging van de geboorte van Johannes (= jhwh is genadig) uit de bejaarde en onvruchtbare priester Zacharias en zijn onvruchtbare vrouw Elisabet. Op het rechterpaneel staat de aankondiging van de geboorte van Jezus (= JHWH bevrijdt) uit de ongehuwde maagd Maria/Mirjam, die uitgehuwelijkt is aan Jozef uit Nazaret.
            Beide panelen verduidelijken elkaar door hun overeenkomsten en verschillen. Het linkerpaneel staat in dienst van het tweede. Johannes, die via zijn vader Zacharias behoort tot het priestergeslacht van Abia in Jeruzalem, is van oorsprong de wegbereider voor zijn neef Jezus, die via Jozef tot het Davidische geslacht uit Betlehem behoort (3,15v).
Tegen de kleurrijke achtergrond van dit tweeluik klinken de woorden van onze perikoop (1,39-56).

De engel heeft aan Maria een teken gegeven om te ‘bewijzen’ dat wat van Godswege aan haar zal geschieden, echt waar is. Haar nicht Elisabet is ook zwanger, zoals oermoeder Sara op haar hoge leeftijd (1,35v; Gen. 18,1-15). Daarom staat Maria in die dagen (Micha 4,1) op – hetzelfde woord als voor de opstanding wordt gebruikt – en trekt met spoed naar een stad van Juda, naar haar verwanten Zacharia en Elisabet (1,39). Maria begroet Elisabet en dankzij deze begroeting wordt het ‘bewijs’ geleverd: het kind springt van vreugde op in de schoot van Elisabet. Maria’s Mij geschiede naar uw woordlaat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd, NBV – is op goede gronden uitgesproken (1,38). Voor God is inderdaad niets onmogelijk (1,37).

Vervuld van de heilige Geest schreeuwt Elisabet een zegenbede uit. Zo wordt duidelijk dat dankzij Maria’s jawoord tegen de Allerhoogste, in haar schoot God aan het licht komt.
           Deze gezegende onder de vrouwen is/wordt de moeder van de Heer (1,40-44; Recht. 5,24).
Zoals de bergen springen van vreugde vanwege de bevrijding van Godswege (Ps. 98,8; 114), zo springt het kind van Elisabet van vreugde op in haar schoot. Voor de onvruchtbare Elisabet is er bevrijding van haar smaad van kinderloosheid (Ps. 113). De opgerichte Elisabet wijst fier en dankbaar Maria aan als de moeder van de Heer. In haar voetsporen zal haar Johannes (= de Heer is genadig) de weg bereiden voor de Heer (3,4-6.15v). Elisabet prijst Maria gelukkig (Ps. 1; Luc. 8,21; 11,28) omdat zij zich metterdaad heeft toevertrouwd aan het woord dat de engel namens de Heer gesproken heeft (1,45).
           De evangelist Lucas herschrijft Micha 5,1-5 met het oog op Jezus in wie de messiaanse koning aan het licht komt. Dankzij Maria’s medewerking – zij laat zich invoegen in de geschiedenis van God met zijn volk Israël – kan de belofte uit Micha opnieuw werkelijkheid worden. Gods koningschap breekt door in de geboorte van twee kinderen met een naam/programma van genade (Johannes) en bevrijding (Jezus), stichters van Gods vrede, een vernieuwde toekomst, Gods messiaans koninkrijk.

Maria/Mirjam en Elisabet delen alvast met elkaar deze vreugde, hoop voor de vernederden die door de Barmhartige fier op de benen worden gezet. Terwijl Elisabet, de eerste marialoge, toeluistert kan Maria niets anders dan met de woorden van Hanna (1 Sam. 2,1-10) haar Magnificat zingen (1,46-55, misschien zingt Elisabet wel mee!

De Lofzang van Maria is geïnspireerd door/een herschrijving van de Lofzang van Hanna, waarin zij God zegent en dankt voor haar bevrijding van onvruchtbaarheid en voor de gave van haar zoon Samuël (1 Sam. 2,1-10). Zij dankt de Barmhartige niet alleen voor het feit dat hij haar vernedering heeft opgeheven, maar breidt haar ervaring uit tot alle neergebogenen: ‘JHWH helpt de zwakke en arme overeind, hij haalt hen uit het stof en uit het slijk. Tussen de edelen zet hij hen neer, hij houdt een ereplaats voor hen vrij’ (1 Sam. 2,7v). De situatie van de bejaarde en onvruchtbare Elisabet komt meer overeen met de situatie van de weggehoonde Hanna, dan die van de huwbare jonge vrouw Maria. Haar nederigheid is van een andere orde dan de vernedering van Hanna en van Elisabet. Er is een handschrift dat Elisabet de Lofzang laat zingen! De nederigheid van Maria wijst meer in de richting van een zich openstellen voor God, op een houding van de mens die zich buigt voor het geheim van God.

            Mijn ziel prijst en looft de Heer,
            mijn hart juicht om God, mijn redder:
            hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.
            Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen.
            (1,46-48; NB Men zou de Evangelielezing kunnen besluiten met het samen zingen van het Magnificat; LB 157).

            Maria heeft ontvangen
            de Geest, een blij bericht.
            Gods woord is haar verlangen,
            zij weet zich opgericht.
            De vrucht, vertrouwde vreemde,
            groeit stilaan in haar schoot.
            Zij baart en wordt ontheemde,
            redt Jezus van de dood.
            (Andries Govaart, LB 740,1)

Literatuur
De Bijbel Spiritueel, Zoetermeer 2004, 473-477.559-573
K. Deurloo, Om het recht lief te hebben. Verhalen over de boerenprofeet Micha, Baarn 1983
A.J. Heschel, De Profeten, Vught 2013, 144-149
H. Janssen ofm, Micha, in: Bijbelleesgids 1986, Haarlem/Boxtel/ Driebergen 1985, 7-12
M. Luther, Het Magnificat. Luthers uitleg van de lofzang van Maria, in: H. Selderhuis (red.), Luther verzameld II, Utrecht 2016, 812-868
J. Smit, Het verhaal van Lucas, Zoetermeer 2009
H. Welzen, Lucas, ’s-Hertogenbosch 2011

 

Preekvoorbeeld

Oscar Romero was aartsbisschop in El Salvador, een klein land in Midden-Amerika, dat in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw verscheurd werd door geweld. Een kleine elite wilde haar macht opleggen aan het volk, dat in de meerderheid arm was. Er vielen ieder jaar duizenden doden. Een van die doden was bisschop Romero zelf. Hij werd vermoord, omdat hij opkwam voor al diegenen van zijn volk die vervolgd werden. Het gebeurde terwijl hij de mis deed. Hij sprak net over de dood van Jezus en de noodzaak om hem na te volgen, toen het pistool van de moordenaar afging.
            Een mensenlichaam is kwetsbaar. Eén stukje lood dat er met kracht in doordringt, is genoeg om het leven te beëindigen. Het is vrij gemakkelijk om een ander mens uit de weg te ruimen, om een onwelgevallige stem tot zwijgen te brengen. Het is in de loop van de geschiedenis oneindig vaak gebeurd. Het is net zo gemakkelijk om een mensenlichaam tegen te houden: een paar sterke handen, een hek, een grens, een controlepost zijn genoeg om ervoor te zorgen dat iemand niet verder komt. Wat kan een mens tegen geweld beginnen? Meestal staan we machteloos.

In de tweede lezing uit de brief aan de Hebreeën horen we iets opmerkelijks. Christus zegt daar, terwijl hij spreekt tegen God: ‘U hebt mij een lichaam gegeven. Hier ben ik om uw wil te doen.’ Een lichaam, een kwetsbaar mensenlichaam is Christus genoeg om iedereen die in hem gelooft op het spoor van God te brengen, ‘te heiligen, te redden’, zoals de brief zegt. Meer dan zijn lichaam heeft Christus niet nodig – een lichaam dat tegengehouden kan worden, dat het zwijgen opgelegd kan worden, dat gekruisigd en gedood kan worden. Maar om de een of andere reden is hij er niet machteloos in gebleven...

In deze weken voor Kerstmis bereiden we ons voor op de geboorte van Jezus, de komst van de Messias, de Christus. En speciaal in de bijbelteksten van vandaag, van deze vierde zondag van de Advent, staan we stil bij dat kleine en kwetsbare van de komst van de Messias. De profeet Micha kondigt zijn komst al aan en hij zegt erbij dat hij van geringe afkomst is, uit een onaanzienlijk geslacht komt. Hij komt niet met wapengekletter, en dat maakt dat het nog even zal duren. Maar dan zal hij zijn broeders verzamelen en hen als een herder weiden.
            Van de Hebreeënbrief zagen we al dat Christus niet meer dan zijn lichaam meebrengt, maar dat dat blijkbaar genoeg is.
            In de lezing van het evangelie horen we over twee zwangere vrouwen, Elisabet en Maria. Ze dragen beiden een nog ongeboren kind in zich, er is nog niets zichtbaar, nog nauwelijks iets begonnen, maar voor hen is het genoeg om vol te raken van de Geest en erop te vertrouwen dat deze mensenkinderen zullen laten zien dat heil voor deze wereld mogelijk is, dat we niet machteloos zijn tegenover het geweld dat tegen ons en om ons heen heerst.

Dat geloof, dat vertrouwen van Elisabet en Maria is hoogst verbazingwekkend, even verbazingwekkend als de onverschrokkenheid waarmee bisschop Romero het gewelddadige regime van zijn dagen tegemoet trad. En wat te denken van de moed en het vertrouwen waarmee Jezus tijdens zijn volwassen leven de autoriteiten weerstond en de dood aan het kruis onder ogen zag. Zijn neef Johannes de Doper had dat op zijn manier al eerder gedaan. Wat is het toch dat er steeds weer mensen zijn die begrijpen dat geweld niet het laatste woord heeft?
            Het zit precies in dat geloof en dat vertrouwen. Ogenschijnlijk geven de feiten hun ongelijk. Jezus stierf aan het kruis, Johannes de Doper werd onthoofd, bisschop Romero werd doodgeschoten. Maar dat was niet het einde van het verhaal, van hun verhaal. Een oorlogstank kan worden vernietigd, en dan is er slechts een hoop schroot. Een mens kan worden gedood, maar dan blijkt er meer te zijn dan alleen maar een lijk. Er is dan een verhaal dat doorgaat, van een mens die gelooft in andere mensen, in de menswaardigheid van de allerarmsten, van hen die het meest verlaten zijn, en dat het de moeite waard is om voor hen op te komen. Het is God zelf die de doden in zijn armen neemt en tot nieuw leven wekt, die hun geest doet terugkeren tot ons, die achterbleven. Het is God zelf die ons zijn Geest inblaast en ons inspireert om ook de weg van de Messias op te gaan. Op die weg ontmoeten we bisschop Romero en vele anderen, levenden en doden, doden die weliswaar dood zijn, maar niet tot zwijgen te brengen, onvergetelijk in ons midden.

Toen Elisabet en Maria elkaar ontmoetten, nog vóór de geboorte van hun kinderen, konden ze nog niet precies weten wat er later van hun zoons zou worden. Maar ze wisten wel dat God hun zijn Geest zou inblazen zoals hij dat al bij hen gedaan had, en dat daarom alles mogelijk zou zijn. Voor Gods Geest is een lichaam genoeg als behuizing, een kwetsbaar mensenlichaam. Daarmee bouwt God zijn koninkrijk, dat uiteindelijk sterker zal zijn dan alle menselijke machtsbolwerken, dan alle menselijk geweld.

 

 

inleiding Henk Janssen ofm
preekvoorbeeld drs. Marc van der Post

webdesign: Artis