21 oktober 2018
Negenentwintigste zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 53,10-11; Ps. 33; Heb. 4,14-16; Mar. 10,35(42)-45 (B-jaar)

 

Inleiding

Marcus 10,35-42 – Beloond door de Mensenzoon
De evangelielezing van Marcus volgt direct op de derde en laatste keer dat Jezus zijn lijden en sterven en opstanding in Jeruzalem aankondigt (Mar. 10,32-34). Driemaal houdt in dat Jezus er zeker van was dat dit moest gebeuren. De eerste keer wees Petrus het lijden af (Mar. 8,31-38). De tweede maal zwegen alle leerlingen maar bracht Jezus zelf de kwestie ter sprake die in hun hoofden omging, namelijk wie van hen na Jezus de belangrijkste was (Mar. 9,30-37).
            Na de derde aankondiging van het lijden wordt het stil. De leerlingen hadden zich mogelijk met Jezus’ onontkoombare lijden, dood en opstanding verzoend. Zij waren innerlijk wellicht zover om het kruis van de navolging te dragen (vgl. Mar. 8,34 en Gal. 6,14). Zij waren misschien gerustgesteld, omdat zij voor Jezus alles hadden prijsgegeven en wisten dat zij daarvoor beloond zouden worden (Mar. 8,28-31). Dit lijkt bevestigd te worden als twee van hen, Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeüs, ten overstaan van Jezus te kennen geven dat zij graag beloond worden met een zitplaats links en rechts van hem, als hij ‘in zijn heerlijkheid’ is. Maar Jezus denkt daar anders over. Hij verwerpt de vraag en deze vorm van beloning. Hij reageert met het stellen van een tegenvraag. Weten zij wat ze vragen? Weten zij wat het lijden van de Mensenzoon impliceert? 
            In de beantwoording van die vragen resoneren voor deze zondag ook de beide verzen uit Jesaja 53: de lijdende Godsknecht zal ‘nakomelingen’ zien. Hij zal anderen rechtvaardig maken door hun zonden te dragen (Jes. 53,11). Dat is wat de rechtvaardigen ontvangen als ‘beloning’: de vergeving van zonden.

Kunnen lijden?
Jezus spreekt het vaste vertrouwen van de beide broers niet tegen dat zij de lijdensbeker kunnen drinken en dezelfde dood op zich kunnen nemen. Sterker nog, zij zúllen de beker drinken die hij moet drinken en zij zúllen gedoopt worden met zijn doop (vgl. Luc. 12,50), maar hun verzoek om een plek links en rechts van hem kan hij niet inwilligen. Die plaatsen zijn voorbehouden voor wie ze bestemd zijn (v. 40). Matteüs vult aan: door mijn Vader (Mat. 20,23).
            Meer dan Matteüs laat Marcus zien hoe terughoudend Jezus is. Hij beslist simpelweg niet over de erezetels. Groot is de tegenstelling tussen de stelligheid en stoerheid waarmee de zonen van Zebedeüs hun toekomstige lijden en dood voor hun rekening nemen en de manier waarop Jezus zijn lijden tegemoet ziet. Hij zal in de hof van Olijven vragen of de lijdensbeker aan hem voorbij mag gaan. Maar Jezus die het lijden niet wenst, schikt zich in gebed naar wat God wil, terwijl de leerlingen die denken in het lijden standvastig te zijn, hem in de steek zullen laten.
            In de brieven van de in 2002 heilig verklaarde kapucijn Padre Pio de Pietrelcina (1887-1968) waarmee hij anderen goede raad gaf en bemoedigde, biechtte hij heel eerlijk op dat hij bekend was met zowel de wil je kruis omwille van Christus te dragen als met de even sterke drang om ervoor weg te vluchten. Deze wankelmoedigheid kan ons radeloos maken, wist San Pio. En toch moeten we niet versagen. Coraggio sempre e sempre avanti (Houd altijd goede moed en ga altijd voort), schreef hij aan Maria Gargani (brief van 26 aug. 1916).

Handelingen der Apostelen (Hand. 7 en 12,2), verschillende nieuwtestamentische brieven (vgl. 1 Petr. 3,13-22, Hebr. 10,32-39), de Apostolische Vaderen (bijv. de brieven van Ignatius) en de martelaarsakten bevestigen hoezeer christenen omwille van het geloof geleden hebben. Het lijden werd meestal niet gezocht. Men hoopte als het toch zo ver mocht komen, zich als een geloofsgetuige te mogen bewijzen. Even waar blijft wat Paulus opmerkt over het martelaarschap, namelijk dat het in zichzelf van weinig waarde is als de liefde ontbreekt. ‘Al geef ik mijzelf prijs om mij daarop te beroemen – als ik de liefde niet heb, helpt het mij niets’ (1 Kor. 13,3).

Weet wat je vraagt
‘Jullie weten niet wat je vraagt’, antwoordt Jezus in eerste instantie de beide zonen van Zebedeüs (v. 38). Het is een appel dat hen wakker moet schudden. De concordantie laat zien hoe vaak het Griekse werkwoord eidenai, dat ‘weten’ betekent, in het Nieuwe Testament met een ontkenning vergezeld gaat. Dikwijls blijkt weten niet-weten te zijn.
            De Mensenzoon vervult niet elke wens. Ook in de Bergrede is ‘vraagt en u zal gegeven worden’ (Mat. 7,7) in de eerste plaats een uitnodiging tot godsvertrouwen, en geen garantie dat alle wensen door God vervuld worden. Behalve misschien wat je vraagt voor het welbevinden van de ander.
            De eerste Johannesbrief verwoordt weliswaar het vertrouwen dat in gebed alles gevraagd kan worden (1 Joh. 3,22) maar stelt ook dat het gevraagde conform Gods wil is (1 Joh. 5,14v). Bij Marcus staat vragen in de context van bidden om vergeving van zonden. Van zulk vragen wordt gesteld dat het als reeds ontvangen mag worden beschouwd (Mar. 11,24vv).

Weldoen
De verontwaardiging onder de andere leerlingen is groot als ze horen wat Jakobus en Johannes hebben gevraagd. De broers hadden toch kunnen weten dat zij niet de grootsten moesten zijn ten koste van anderen, maar dienaar van ieder (Mar. 9,35). De verontwaardiging betreft evenwel niet dat de beide broers de vorige les van Jezus vergeten zijn en zij die wel begrepen hebben. De boosheid onthult veeleer dat zij met dezelfde heerszucht vervuld zijn als Jakobus en Johannes.
            Jezus spreekt nadrukkelijk alle twaalf op dit punt aan. Geen van hen is doordrongen van het besef dat ‘de Mensenzoon niet gekomen is om zich te laten dienen maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (v. 45). Jezus waarschuwt hen niet te zijn als de machtigen der aarde die de erezetels innemen. Zij laten zich met veel vertoon zien, zij laten zich bedienen. Zo zal het niet zijn bij hen die de Mensenzoon navolgen.

 

Preekvoorbeeld

De belangrijkste plaats                                           
In het evangelie staat Jezus vlak voor de poorten van Jeruzalem.
            Ze zien de stad liggen met de huizen schouder aan schouder en daar bovenuit de tempel, het huis van God. Het is op deze plek dat Jezus voor de derde keer spreekt over zijn lijden en sterven en zijn opstanding uit de dood. Er vallen woorden als bespotten, spugen, veroordelen, geselen en ter dood brengen en na drie dagen opstaan uit die dood.
            Het is in deze dramatische situatie dat Johannes en Jakobus naar Jezus toekomen en vragen of ze links en recht mogen zitten in zijn koninkrijk.

De ereplaatsen
Als je het goed bekijkt, is het nog niet zo gek wat Johannes en Jakobus aan Jezus vragen. Ze hebben zich uitgesloofd, ze hebben alles achtergelaten, ze zijn zelfs verwanten van Jezus, en dan vragen ze: ‘Jezus als je in je heerlijkheid bent gekomen mogen we dan links en rechts naast je zitten?’
            Als iemand er recht op heeft, dan zijn het die twee.
            En dan zegt Jezus: ‘Je weet niet wat je vraagt. Kun je de beker drinken die ik drink,
            en gedoopt worden met de doop waarmee ik gedoopt word?’
            Volmondig zeggen ze: ‘Ja dat kunnen we…!’
            Vanuit menselijk oogpunt bezien zou je verwachten dat Jezus dan zegt: ‘Als je dat kunt dan kom je daarvoor in aanmerking.’
            Maar dat zegt Jezus niet. Hij zegt: ‘Het is niet aan mij om dat te geven.’

Wonderlijk antwoord. Jezus is waarschijnlijk in staat om te bepalen wie er links en recht naast hem komt zitten, maar hij doet het niet…
            Waarom niet?

Gaan we even in de schoenen van Jezus staan. Je hebt een groep van 12 leerlingen en de beste twee komen naar je toe… Mogen we naast je zitten… wat gebeurt er als je ja zegt… dan ga je oordelen over wie goed is en minder goed, wie belangrijk is en minder belangrijk, wie je het meest dierbaar is en het minst… dan krijg je gemor en jaloezie, dan heb je verliezers en winnaars…
            Het staat er niet voor niets dat Petrus in opstand komt als hij hoort wat Johannes en Jakobus vragen.
           Jezus zegt: Het is niet aan mij om dat te geven…

Eigenlijk is dat een prachtig antwoord.
            Blijven we nog even in de schoenen van Jezus staan. Jezus zegt: Het is niet aan mij, aan ons om te oordelen wie het belangrijkste is.
            Het is aan God om te oordelen wie de ereplaatsen toekomen.Het is God die de harten van de mensen kent en weet wat er in ons omgaat. Het kan dus best zo zijn dat de geringste in onze ogen een ereplaats toekomt. Het kan dus best zo zijn dat een misdadiger die zich bekeert een ereplaats krijgt in het koninkrijk.
            Het kan zo maar zijn dat een stille kracht bij God in de schijnwerpers staat.
Met andere woorden: het koninkrijk van God is een omgekeerde wereld, waar dienen de sleutel is in plaats van heersen.

Spiritualiteit
Keren we terug naar het evangelie, want onder deze sociale laag in het verhaal ligt ook een spirituele bodem.
            Die spirituele bodem wordt aangeraakt met de woorden: ‘Kun je de beker drinken die ik drink en gedoopt worden met de doop waarmee ik gedoopt word?’

Om bij die spirituele bodem te komen moet we eerst een vraag stellen: ‘Waar haalt Jezus de moed vandaan om Jeruzalem binnen te gaan?’ ‘Waar haalt hij de kracht vandaan om met open ogen het lijden op zich te nemen?’

Doopsel
De kracht en de moed haalde Jezus uit eeuwenoude woorden. Hij wist heel diep van binnen dat – wil je dicht bij God komen – dan moet je je vaderhuis verlaten, dan moet je je veiligheid verlaten en door het water gaan en door een woestijn gaan om bij het land van belofte te komen.
            Om dicht bij God te komen kun je niet om Jeruzalem heen, maar moet je er doorheen.
            In het leven kun je niet om het verdriet heen maar je moet er doorheen om nieuw leven te ontvangen.
Dat wordt uitgedrukt in het woord ‘doopsel’.

Beker
Komen we bij het woord ‘Beker’.
Kun je de beker drinken die ik drink?
De beker wordt in verband gebracht met de laatste woorden van Jezus: ‘Dit is de beker van het verbond, dit is mijn bloed.’ Het is een verbondenheid tot over de dood heen.
            Het is de beker met het bloed van het lam dat de zonden van de wereld wegneemt…Het lam dat in de joodse traditie zo’n belangrijke plaats inneemt. Door het bloed van het lam aan de deurposten ging de dood voorbij en lag de weg van bevrijding open.
            In de hof van Olijven, toen Jezus in grote angst verkeerde kwam er een engel met een beker. Het is een teken van intense verbondenheid van God met hem, uitgedrukt in de Godsnaam: ‘Ik ben er… Ik ga met je mee.’
Kunstenaars hebben die bloedband tussen God en ons uitgedrukt in het beeld van de pelikaan die in tijden van grote droogte zijn borst open pikt om zijn jongen te voeden met eigen bloed.
           Dat is het verbond in mijn bloed.
Op vele kelken staat deze verbeelding van het verbond afgebeeld.

Afronding
Keren we weer terug naar het verhaal.
           Jezus vraagt: ‘Kun je de beker drinken die ik drink en het doopsel ondergaan dat ik onderga?’
           Jakobus en Johannes zeggen ‘ja’, en in hun verdere leven hebben ze het inderdaad laten zien.
Jakobus is evenals Jezus de kruisdood gestorven en Johannes heeft visioenen gehad van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Hij heeft het tijdens zijn ballingschap op het eiland Patmos opgeschreven in het laatste boek van de Bijbel.

En wie zitten er nu links en rechts naast Jezus?
God mag het weten.
En zo belangrijk is het ook niet.
Als we uit dezelfde beker drinken en samen door het water zijn gegaan, dan gun je elkaar een ereplaats.

 

inleiding dr. Wim Reedijk
preekvoorbeeld Hans Boerkamp

webdesign: Artis