21 januari 2018
Derde zondag door het jaar

Lezingen: Jona 3,1-5.10; Ps. 25; 1 Kor. 7,29-31; Mar. 1,14-20 (B-jaar)

 

Inleiding

Jona 3,1-5.10
Hopelijk slaat u niet steil achterover als ik zeg dat de menselijke auteur deze tekst zelf verzonnen heeft. Hij maakte géén documentaire, hij schreef ook géén ooggetuigenverslag. Maar ik haast mij er aan toe te voegen dat zijn verhaal daarom niet minder wáár is. Hij werd door God geïnspireerd.
Het boekje Jona spreekt een taal die zowel symbolisch als theologisch is, maar bovenal wáár is. Het probeert een goddelijke boodschap onder menselijke woorden te brengen in de vorm van een novelle. Het Bijbelboek Jona, is, gezien zijn late taalgebruik, geschreven na de Babylonische Ballingschap (587-537 vCh.), waarschijnlijk zelfs pas na 400 voor Christus.
Volgens 2 Koningen 14,25 leefde er een profeet Jona ca. 800 vChr. Hij is niet de auteur maar de hoofdfiguur in dit fictieve verhaal met een godsdienstig leerdoel. De boodschap luidt: jhwh is God, niet alleen van Israël maar van alle volkeren. Geen volk en geen mens is uitgesloten van Gods liefhebbende barmhartigheid. Het boekje Jona weerspiegelt een heilsuniversalisme dat het universalisme van de Tweede Jesaja oftewel Deuterojesaja (dat zijn de hoofdstukken 40–55) overstijgt. Dat universalisme speelt een rol ten tijde van de terugkeer uit de Babylonische Ballingschap (zie Jes. 54,2 etc.). De heidense stad Ninevé werd reeds omstreeks 600 vChr. verwoest. Ninevé was in 400 vChr., toen het boek Jona geschreven werd, een herinnering aan ver vervlogen tijden. Ninevé wordt erin gebruikt als zinnebeeld voor de heidense volkeren. In tegenstelling tot Jeruzalem dat niet naar Jeremia luistert (Jer. 36,25), geeft Ninevé wél gehoor aan de prediking van de profeet Jona en doet boete. De bekering van het heidense Ninevé is een geschenk van Gods genade. Het effect dat de boodschap van Jona heeft, is aanzienlijk belangrijker dan de veronderstelde eenmalige biologische stunt van Jona die het presteert om ‘drie dagen en drie nachten’ in de buik van een ‘grote vis’ door te brengen en er levend uit te voorschijn te komen.
Wellicht is hier een woord over ‘bijbelse hermeneutiek’ op zijn plaats. ‘Bijbelse hermeneutiek’ is de theorie voor de interpretatie van de heilige Schrift. Volgens de dominicaan Pierre Benoit (Ecole Biblique, Jeruzalem) kun je de heilige Schrift vergelijken met een vloeibaar medicijn. Een beperkte hoeveelheid daarvan, soms slechts een enkele milligram, vormt de genezende substantie. Het overige, de vloeistof, dient als transportmiddel voor die heilzame materie. De openbaringsinhoud is te vergelijken met die geneeskrachtige stof. Het soortelijk gewicht aan openbaring is niet overal in de Bijbel gelijk. In sommige delen van de Schrift is het aanzienlijk groter dan in andere stukken (vergelijk de theologisch zwaar geladen Brief van Paulus aan de Romeinen met hoofdstuk 33 van het Boek Numeri, een dorre opsomming van pleisterplaatsen tijdens de tocht van Israël door de woestijn).
Niet alles in de Schrift van kaft tot kaft is ‘openbaring’. Wél draagt alles, in meerdere of mindere mate, bij aan een goede overdracht van de openbaringsinhoud van de Bijbel. Een klassiek voorbeeld is het hondje van Tobit dat met zijn baas mee dribbelt (Tobit 6,1 en 11,4). Deze huiselijke mededeling wordt gewoonlijk niet als geopenbaarde waarheid aangemerkt. Wel draagt zij bij tot de smeuïgheid van het verhaal waardoor de strekking ervan gemakkelijker wordt getransporteerd naar de lezer/es en door haar /hem wordt verteerd.
De encycliek Divino Afflante Spiritu (‘Onder ingeving van de goddelijke Geest’) van 1943 wijst er op dat de Bijbel, vooral het Oude Testament, een Oósters boek is met diverse literaire genres. Het Tweede Vaticaans Concilie herneemt door de constitutie Dei Verbum (‘Woord van God’) in 1965 dit standpunt en past het uitdrukkelijk toe op het Nieuwe Testament. De Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk verkondigt dezelfde visie in 1967 in het boek Klare Wijn, Rekenschap over geschiedenis geheim en gezag van de Bijbel. De Generale Synode van de Gereformeerde Kerken (synodaal) blijft niet achter en publiceert in 1979 God met ons,…over de aard van het Schriftgezag. Dit alles betekent voor deze Kerken het definitieve einde van een fundamentalistische omgang met de Bijbel. De volgorde van de jaartallen van publicatie van genoemde documenten laat zien dat de Katholieke Kerk het eerst officieel afscheid neemt van een letterlijke, fundamentalistische Schriftlezing.
Bijbelse hermeneutiek is als thema in de verkondiging nog steeds niet overbodig. Uit het eo tv-programma ‘Adieu God?’ van 28 mei 2017 blijkt een geletterd en wetenschappelijk geschoold man als de schrijver-bioloog Maarten ’t Hart, ongehinderd door enige kennis van bijbelse hermeneutiek, de heilige Schrift te lijf te kunnen gaan. Zou er dan toch een korrel van waarheid zitten in het grapje van Herman Finkers: ‘Protestanten wéten meer van de Bijbel, katholieken begrijpen hem beter’?

1 Korintiërs 7,29-31
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Marcus 1,14-20
In dit kerkelijke jaar (2018), het b-jaar, vormt het evangelie volgens Marcus een voorname bron voor onze zondagse vieringen. Om precies te zijn: op 30 zondagen lezen we uit het evangelie volgens Marcus. Daarom wil ik vandaag eerst Marcus en zijn evangelieboekje aan u voorstellen.
Het boekje van Marcus werd eeuwenlang beschouwd als het kleine broertje onder de evangelisten. Het evangelie volgens Marcus was het kleutertje dat tussen Matteüs en Lucas in staat. Sommigen dachten zelfs dat Marcus een samenvatting is van het omvangrijkere evangelie volgens Matteüs, dat in de Bijbeluitgaven steeds de eerste plaats krijgt.
Maar in die opvatting is verandering gekomen. Sedert de meer wetenschappelijke benadering van de evangelies sinds omstreeks 1900 beseffen we dat Marcus als eerste een evangelie schreef (ca. 70 ad). Zijn boekje is dus ook het oudste evangelie. Het blijkt dat Matteüs en Lucas nogal eens van Marcus afkeken en teksten van hem hebben overgeschreven.
Marcus heeft in zijn weergave van het evangelie van Jezus Christus waarschijnlijk zijn ‘handtekening’ achtergelaten, in een curieus, uniek autobiografisch detail dat te vinden is in hoofdstuk 14,50-52, het lijdensverhaal van Jezus. ‘Toen lieten allen (de apostelen) hem (Jezus) in de steek en vluchtten weg. Een jongeman die ‘op zijn blootje’ een laken om had, probeerde bij hem (Jezus) te blijven, maar toen ook hij werd vastgegrepen, liet hij het laken in hun handen achter en vluchtte naakt weg’. Marcus geldt als ‘de woordvoerder en tolk’ van Petrus. Dat is zijn sterkste geloofsbrief. Marcus verbleef bij Petrus in Rome. Hij schreef zijn evangelieboekje tussen 65-70 nChr. Dat is kort na de marteldood van Petrus tijdens de kerkvervolging onder de Romeinse keizer Nero in 64. Marcus heeft daarmee de herinneringen die hij van zijn meester, Simon Petrus, gehoord had, voor de toekomst bewaard.

‘Het koninkrijk van God is nabij’
‘Het koninkrijk van God’ was ten tijde van Jezus’ prediking een gangbare uitdrukking (zie Jozef van Arimatea, die ‘leefde in de verwachting van het koninkrijk van God’ Mar. 15,43). ‘Koninkrijk ‘ heeft hier geen afgebakende territoriale betekenis. Veeleer betekent het ‘een toestand waarbij aan alles te merken is dat God regeert’. De Bijbel in Gewone Taal (2014) vertaalt dan ook consequent: ‘Gods nieuwe wereld’. ‘Hij zei: “Gods nieuwe wereld is dichtbij. Geloof dat goede nieuws! Dit is het moment om je leven te veranderen”’ (Mar. 1,15).
Overigens grijpt men tegenwoordig bij de term ‘bekering’, metanoia, dat is ‘van gedachten veranderen’ in de Griekse tekst van het Nieuwe Testament, liever terug op het oorspronkelijke Aramees en Hebreeuws van het Oude Testament voor ‘bekeren’, namelijk sjoef dat is: ‘van richting veranderen’, ‘terugkeren op je schreden’, een bijbels thema van belang vooral sedert Jeremia.

Roeping van de leerlingen
In veel roepingsverhalen beantwoorden de geroepenen niet onmiddellijk aan die roeping. Integendeel, dikwijls volgt een tegenwerping. Mozes bijvoorbeeld heeft er niet minder dan vijf. Bijvoorbeeld: ‘Wie ben ik dat ik naar farao zou gaan en Israël uit Egypte zou leiden? Wat moet ik zeggen als ze vragen naar Gods naam?’ (Ex. 3,11 en 13).
De roeping van de eerste leerlingen van Jezus gebeurt daarentegen bijzonder snel. Eénmaal roepen volstaat. Simon, Andreas , Jakobus en Johannes reageren zonder tegenwerping. In de context van het verhaal is dit logisch, omdat de weg voor de Heer al is voorbereid door Johannes de Doper. Hij wekt de verwachting dat er na hem iemand zal komen die hem overtreft (Mar. 1,7v). Bovendien is het tijdspad niet een vage toekomst maar is nu ‘de gepaste tijd’ (Grieks kairos, Mar. 1,15), een concreet bepaalde, ‘gevulde’ tijd die kansen biedt.
Juist nu de nood het hoogst is, is Gods redding nabij. Dit vraagt om snelle keuzes. Jezus roept Simon en Andreas, Jakobus en Johannes. Zij volgen hem onmiddellijk. Deze bereidheid weerspiegelt het succes van Johannes de Doper. In werkelijkheid is hun roeping dus minder abrupt dan het lijkt.
Daarna neemt echter de weerstand tegen Jezus toe. Geleidelijk dringt het besef door dat de Messias zal lijden en sterven. Wij worden door Marcus meegenomen in dit proces en tot een keuze uitgedaagd. Durven wij het aan om wat hier verteld wordt als een actueel gebeuren voor ons zelf te erkennen als ‘goed nieuws’, dat is evangelie, voor óns?
Marcus wil benadrukken dat navolging van Jezus een radicale keuze is. Wanneer Jezus een beroep op je doet, moet al het andere daarvoor wijken (middelen van bestaan, familiebanden). Dat kan de vraag oproepen: is geloven in Jezus voor mij iets dat ik erbij doe, voor alle zekerheid, want je weet maar nooit waar het goed voor is. Dat is ‘de goedkope genade’ waartegen verzetsheld Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) fulmineerde. Of mag het centraal staan in ons leven, mag het ook wat kósten?

        

Preekvoorbeeld

Op deze zondag dat we lezen uit het boek Jona, dwalen mijn gedachten naar de verjaardagen van mijn ouders. Volop werden bij koffie en zelfgebakken taart nieuwtjes uitgewisseld. Politiek en economie leidden tot heftige discussies. Maar het was een gezellige boel. Terwijl de glazen werden bijgevuld, klonk er vaker een lach. Zeker wanneer ome Jaap het woord nam.
Vroeg of laat ging het over kerk en geloof. Weet je nog… prachtige verhalen van vroeger. In wat werd verhaald, hoorde je verschillende stemmingen: een gevoel van eerbied, opluchting of zorg bij de beginnende veranderingen, uitgesproken ergernis over de strengheid, boosheid over de bemoeienis van de kerk met hun leven en lieven en dat men zich genomen voelde bij alle sprookjes die op de mouw waren gespeld. Fel antiklerikalisme ook. ?Dán voelde je het komen. Het werd een lachende kerk gelijk. Oom Jaap voorop.
Hij woonde in een oud havenstadje, dat rijk werd in de gouden eeuw maar ook weer verarmde. De toeristen, gekomen voor dat verleden en het water, namen in grote getale de bocht voor zijn huis op weg naar de visafslag en rokerij. Waar God woonde in dat stadje met voor ieder denkbaar geloof een eigen gebouw? De gekuiste bijbelse geschiedenis waarmee mijn oom werd opgevoed, wees de weg. Hij had het allemaal letterlijk geloofd. De schoolplaten waren overtuigend geweest. Adam, Eva en de slang, lopen over water en alle wonderen, en ook het machtig mooie verhaal van Jona die drie dagen in de buik van de walvis de hele Middellandse Zee overstak. ? Ome Jaap stak melodramatisch van wal. ‘Maar nou heb ik een echte walvis gezien. Helemaal echt en groot. Zó groot. Máár niet groot genoeg. Het bestaat niet, zeg ik je. Het bestáát niet dat een mens door zo’n beest helemaal wordt opgeslokt en na drie dagen zonder schrammetje uitgespuugd. Ik geloof er geen woord meer van. Dat is godsonmogelijk.’
Als de lach die daarop volgde niet in de hemel is gehoord, wat dan nog wel? Ik hoop zelfs, dat de Eeuwige meelachte met zijn mensen die dubbel lagen van die gein.
Met de walvis jonaste mijn oom veel kramp de kamer uit – geloofskramp, de kramp van letterlijk geloof, geloof naar de letter – weg met onwetendheid, weg met dwang door hoger gezag.
Al bestaat er ook vandaag de dag nog zulk geloven in veel tradities van de mensheid en uit het zich soms tot in het extreme.
Moeten we dan maar afscheid van Jona nemen, van dit fictief verhaal dat wellicht nog wel leuk blijft voor een kinderbijbel? ‘De kleine walvis’ is een populair kinderboek! Of – is er met het letterlijke ook te veel overboord gegooid? In de zeeën wordt de walvis een bedreigde diersoort. De grote vis in het verhaal kan ook de mythologische zeeslang zijn. Deze monstervis in Bijbelverhalen staat voor wanorde, voor het kwaad dat het goede, de goede schepping bedreigt. Is het dan niet prachtig als uitgerekend dat beest Jona opslokt? De storm gaat liggen en de woeste golven bedreigen de bange zeelui niet meer. Is het niet mooi dat de vis Jona het land opspuwt richting Ninevé? Aan het water van de Tigris leven in de gouden eeuw van die stad de mensen losgeslagen in weelde, met dank aan hun goden. En toch kennen ze het verschil niet tussen hun linker- en rechterhand.
?Het boek Jona is een fantasierijk droomverhaal maar tegelijk een leerdicht op de levensweg, erkend als dienst aan de Eeuwige. De schrijver wist bijna niets over die profeet van eeuwen her, noch over Ninevé dat allang een ruïne was. Maar hij kende wel zijn mensen en hoe mensen leven in hun wereld. En zo kent hij ook een beetje wat in ons leeft in onze wereld. Die is vol ongekende mogelijkheden aan techniek, handel en reizen over alle grenzen. Maar ook zijn er volop zorgen en dreigingen, bij voorbeeld over wie zijn brood nog kan verdienen met eerlijk werk en delen in de welvaartskoek, over migrantenstromen, over dreigingen vanuit natuur en klimaat en door mensen. Vanaf de bank in onze huiskamer zien we beelden van ruïnes, oude naast nieuwe, het verwoeste Mosoel, waartoe Ninevé behoort. Het zeemonster draagt een naam, isis. Maar wie zegt dat het zich niet naamloos elders op de wereld verschuilt, ongeweten populair is, in het donker van hart en ziel ronddolt? Waarom anders zoveel angst en boosheid?
Bij de bozen zou Jona zich goed thuis voelen. Een goede kandidaat om hun patroonheilige te zijn. Hij was het beste wat Ninevé kon overkomen. Hij leverde prima profetenwerk met de dreigende one-liner: ‘Jullie stad wordt met de grond gelijkgemaakt!’ Die Ninevieten gingen anders denken. Anders doen. Ze kwamen terug op hun schreden. Sloegen een nieuwe richting in. Daarmee verdween het gevaar voor mens en dier.
Maar Jona zat boos neer. Zie je wel. Ik wist het wel. Ik had gelijk. Die vreemdelingen worden geholpen en ik word vergeten. Die God moet met mij, met ons zijn, hij hoort bij ónze normen en waarden, en kijk nou eens wat er gebeurt. Hij spaart ze. Hou toch op met dat berouw, met genade en liefde; met geduld en trouw; klaarstaan om te vergeven.
Er is iets als een constante kern waarnaar de verhalen uit onze traditie ons leren luisteren. Het gaat om doen en horen. Het gaat om de naaste die is als jijzelf. Je doet hem niet aan wat je niet wilt wat met jezelf gebeurt. De Eeuwige zag wat de Ninevieten deden. Dat was goed genoeg. In wat mensen doen, wat goed is gedaan, kan hij wonen. Daar voelt hij zich thuis. Zo horen de vissers aan het meer: ‘Kom mij achterna, ik maak je visser van mensen’. Zij doen het. Mensen redden, zoals Jona tegen wil en dank deed. Simon voorop. Elders wordt zijn afkomst benoemd: ‘zoon van Jona’.

 

inleiding dr. Jan Holman svd
preekvoorbeeld Nico Kok

webdesign: Artis