21 april 2019
Paaszondag

Lezingen: Hand. 10,34a.37-43; Ps. 118; Kol. 3,1-4 (1 Kor. 5,6b-8); Joh. 20,1-9 (C-jaar)

 

Inleiding

Handelingen 10,34a.37-43
In Caesarea houdt Petrus een tamelijk lange preek, die Cornelius en de zijnen voorbereidt op de doop, waardoor de eerste heidenen in de kerk worden opgenomen. Hij vertelt over het optreden van Jezus in Galilea, Judea en Jeruzalem. In de doop die Johannes preekte werd Jezus gezalfd met heilige Geest en met kracht. Hij ging weldoende rond en genas allen die onder het kwaad (de duivel) gebukt gingen. Toch werd hij als een misdadiger aan het kruis geslagen en vermoord. Maar God stond achter Jezus. Hij heeft hem op de derde dag doen opstaan en doen verschijnen aan zijn leerlingen, die hij de opdracht gaf te prediken dat hij door God werd aangesteld als rechter over levenden en doden, een verwijzing naar de wederkomst van Jezus de mensenzoon, op het einde der tijden. Iedereen die in Jezus gelooft, verkrijgt vergiffenis van zonden.

Psalm 118
Deze dankpsalm, waaruit een zestal verzen werden geselecteerd, past wonderwel op Paasdag. De bidder dankt en looft God omdat hij hem redde uit de nood. God hield hem in leven en heeft zijn gebed verhoord. De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd is hoeksteen geworden. Een verhaal over een individuele ervaring wordt in deze psalm veralgemeend en kan met Pasen terecht op Christus worden toegepast.

Kolossenzen 3,1-4
Omdat we door het geloof in Christus totaal andere mensen zijn geworden, moeten we zinnen op het hemelse, niet op het aardse. We zijn immers gestorven aan de machten van deze wereld (uitvoerig beschreven in hoofdstuk 2), die door Christus werden overwonnen. Voortaan leven we samen met hem op een verborgen wijze in God. Bij de wederkomst, wanneer Christus verschijnt, zullen we samen met hem verschijnen in heerlijkheid.

Zie: H.M.J. Janssen, ‘De brief aan de Kolossenzen. Cirkelen rond het mysterie’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 38-46

Johannes 20,1-9
Op vrijdag werd Jezus terechtgesteld en begraven. Op zondagmorgen gaat Maria Magdalena naar het graf. Alleen. Het is nog donker zegt Johannes, terwijl Marcus zegt dat de zon juist opgekomen is. Duisternis wijst in het vierde evangelie op de afwezigheid van Jezus (zo ook in 6,17). Waarom zij naar het graf gaat wordt niet vermeld. Daarom ontbreekt ook de vraag wie de steen voor het graf zal wegrollen, die we in Marcus 16,3 wél vinden. Johannes zegt alleen dat Maria ziet dat de steen is weggerold. Zij concludeert daaruit dat het lichaam weggehaald werd en – blijkbaar zonder in het graf te kijken – loopt zij snel naar Petrus en naar de leerling die Jezus liefhad om dit te melden. Deze twee lopen snel naar het graf, waar de geliefde leerling het eerst aankomt. Hij buigt zich voorover en ziet de linnen doeken liggen, maar gaat niet het graf binnen. Petrus die na hem komt gaat de grafkamer wél binnen; hij ziet de linnen doeken liggen en op een andere plaats ook de doek die Jezus’ hoofd bedekte, apart opgerold. De ordelijke manier waarop de doeken in het graf liggen wijst erop dat het niet om een brutale grafschennis of een lijkenroof kan gaan, zoals Maria aanvankelijk vreesde, want als het lijk gestolen was zouden ook de doeken verdwenen zijn. Na Petrus gaat ook de andere leerling het graf binnen. Hij ziet en gelooft. Met dit geloof kan hier alleen het geloof in de verrijzenis bedoeld zijn.
            In vers 9 wordt gezegd dat zij uit de Schrift nog niet begrepen hadden dat Jezus uit de dood moest opstaan. Als ze de Schrift wel beter gekend zouden hebben, hadden ze niet eens naar het graf hoeven gaan om overtuigd te worden. Het zien van ‘tekens’, in dit geval het lege graf, wordt hier sterk gerelativeerd. Verderop zal dit nog sterker gebeuren in het verhaal over de verschijning van Jezus aan Tomas: Zalig die niet zien en toch geloven (20,28). Niet wat je ziet is belangrijk, maar wat je niet ziet, tenzij met de ogen van het geloof. Wat het oog kan zien of wat de hand van Tomas kan betasten is niet meer dan een verwijzing of een teken. Niet het lege graf of het fysieke lichaam van de verrezen Jezus is het object van het echte verrijzenisgeloof, maar het geloof dat hij door God verheerlijkt werd, in het gelijk werd gesteld en nu voor altijd en onbeperkt in God mag leven. Dat moeten we geloven, zelfs zonder gezien te hebben. Zien om te geloven was het privilegie van de eerste geloofsgetuigen. De evangelist Johannes lijkt dit voorrecht noodzakelijk te achten zolang de heilige Geest nog niet was uitgestort en zij de Schrift nog niet volledig begrepen hadden.
            Belangrijk in dit paasverhaal is natuurlijk ook de wedloop van de twee leerlingen naar het graf. De liefde van en voor de Heer doet de geliefde leerling sneller lopen en daarom ook sneller zien en geloven. Hetzelfde gebeurt in het verschijningsverhaal aan het meer van Tiberias (Joh. 21,7): ook daar is het de geliefde leerling die de Heer het eerst herkent voordat Petrus dit doet. Volgens Rudolf Bultmann zou Petrus de Jodenchristenen en de geliefde leerling de heidenchristenen vertegenwoordigen. De eerste christengemeente bestond uit Joden. Daarna komen ook heidenen tot geloof, zoals we hoorden in de eerste lezing. Maar omdat zij later tot geloof kwamen, mogen zij niet worden achtergesteld of als minderwaardig worden beschouwd. Beiden geloven immers in dezelfde levende Heer, ja de bereidheid om te geloven is misschien nog groter bij de heidenen dan bij de Joden, want de geliefde leerling loopt sneller dan Petrus. Toch laat hij Petrus voorgaan in het graf. Waarschijnlijk wil de evangelist op die manier zeggen dat men ook in zijn gemeente het centrale leiderschap van Petrus erkent. Gezag en liefde zijn geen rivalen van elkaar. In de opbouw van de kerk, die het lichaam van de verrezen Christus is, moet men eendrachtig samenwerken, iedereen met zijn eigen charisma’s en talenten.
            Als wij vandaag geloven dat Jezus verrezen is doen wij dat op grond van de Schriften. In het Nieuwe Testament is geen enkel getuigenis zo eenstemmig als dat van Jezus’ verrijzenis. Alleen al het feit dat er een Nieuw Testament bestaat, is een argument voor Jezus’ verrijzenis. Voor dit ge­loof heb­ben de apostelen en duizenden na hen hun leven gegeven. Voor iets wat al­leen maar illusie is, een wensdroom of een voorop­gezet be­drog, doe je dat niet.
            Steunend op de Schriften kunnen wij de verrijzenis van Jezus aller­eerst zien als Gods handteken(ing) onder zijn leven. Door hem uit de doden op te wekken stelt God Jezus uitdrukkelijk in het gelijk. Hij kiest openlijk partij voor hem, tegen diegenen die hem ter dood hebben gebracht. Hoewel hij bij de mensen scheen te mislukken, zegt God ‘ja!’ tegen zijn ver­kondiging en zijn optreden. Jezus’ boodschap is de goede boodschap, waar God zelf achter staat. Hij is de Messias, de mens naar Gods hart, die model staat voor het mens-zijn van alle tijden. De verrijzenis van Jezus is ook Gods correctieteken. In de verrijzenis wordt iets gecor­rigeerd, iets rechtgetrokken. Lijden en dood hebben niet het laatste woord. De steen die verworpen werd is hoeksteen geworden. Wie zich zoals Jezus geheel geeft doet dit nooit tevergeefs. Voor christenen bestaan er geen wegen meer die absurd doodlopen, aangezien zij voortaan mogen geloven dat ook het absurde zelf (lijden en dood) een weg kan worden naar een nieuwe toekomst, hier op aarde reeds en zeker over de dood heen.
            Ten slotte is Jezus’ verrijzenis ook Gods voorteken. Omdat Jezus verrezen is zullen ook wij verrijzen. Meer nog. Nu op aarde reeds kunnen we genieten van het nieuwe of eeuwige leven dat dankzij Jezus mogelijk wordt. Ons leven is nu reeds samen met Jezus verborgen in God en eens zullen we samen met hem verschijnen in luister en heerlijkheid (tweede lezing).
Dat mogen wij geloven. Daar staat Pasen borg voor.

           

Preekvoorbeeld

Opstaan waaruit?
Gisterenavond hebben we met de Paaswake de opstanding van Jezus Christus uit de dood gevierd. We hoorden het hele verhaal erover: over de levensgeschiedenis van Israël, de kinderen van Abraham, het volk dat door God was uitgekozen om, verlost uit elke vorm van slavernij, voor alle andere volken als een levenslicht te zijn. We hoorden: dat verhaal was al begonnen toen alles nog beginnen moest en het is in Jezus’ opstanding uit al wat dood is ten volle aan het licht gekomen. Niet als een soort eindpunt, maar als een nieuw beginpunt: het moet ook in en door ons verteld worden, in levenden lijve. Het hart van ons geloof. ‘Als Christus niet verrezen is, is ons geloof leeg, niets, want hij is opgestaan als eerste van ons allen, en ook ons leven is met zijn opstandingsleven in God verborgen’ (1 Kor. 15,14-19; Kol. 1,18; 3,1-4).
            We verlangen ernaar om dat verhaal tot ons te laten doordringen, opdat het gaat spreken in de oren van ons hart, en wij ‘niet meer de evangelietekst horen maar degene die ons het evangelie gegeven heeft, zodat wij geen boekje van papier meer nodig hebben, noch de stem van de voorlezer of de predikant, omdat wij de stem horen van het Woord van God’ (St. Augustinus, Tract. in Joh., XXII/2), en zullen geloven. Maar wat wil het zeggen: in dat grote verhaal geloven?

Mijn eigen ervaring is: geloven in de verrijzenis uit de dood doe je niet eens en voorgoed, en het heeft ook niet voornamelijk te maken met wat er gebeurt na je begrafenis. Het is een geloof dat met je leven mee in je moet groeien, je leven van winst en verlies, om daarin Jezus Christus te herkennen, de Verrezene. ‘Hij is verschenen’ zegt Paulus, ‘en hij zal opnieuw verschijnen’ (1 Kor. 15,5-8; Kol. 1,4), het graf is leeg. De vraag is daarom: zullen wij hem herkennen, en hoe dan? Eén ding is zeker: herkennen gaat geleidelijk, van kijken naar de buitenkant, zoals Maria Magdalena, tot verder willen zien, zoals Petrus, om het tenslotte te gaan in-zien, inzicht in de overeenkomst tussen wat je in je leven ziet en het grote verhaal dat zegt dat ‘God een God van levenden is (Luc. 20,38) en dat een leven dat uit liefde wordt gegeven bewaard blijft bij hem.
            Als je alle verschijningsverhalen goed leest, valt op dat de Verrezene heel discreet verschijnt, hij wekt enkel op tot geloven. Want geloven onderstelt altijd vrijheid. Ik noem: een onbekende tuinman dient zich aan; er is een toevallige medereiziger; er staat iemand aan de oever die vraagt: ‘Hebben jullie iets voor bij het eten?’ Want hij verschijnt in steeds weer andere gedaanten (Mar.16, 2) en dus steeds op een andere manier. De leerlingen die gewend zijn aan een leven dat dood is zien hem niet, ze herkennen hem pas gaandeweg: aan het breken van het brood, (Luc. 25,15), doordat ze zich met naam en toenaam aangesproken voelen, (Joh. 20,15), of doordat ze hem herkennen aan de nederigheid van een vuurtje met wat vis erop (Joh. 21,4v). Steeds is er van de kant van de leerlingen aarzeling, twijfel, schrik, onbegrip en ongeloof (Mat. 28,17; Mar. 6,8.14; Luc. 24,11.37). En steeds gaat het om geloof en liefde, want geloven is: kijken met liefdevolle ogen, met een liefde en een geloof die in de leerlingen worden opgewekt doordat er door Jezus heen iets zichtbaar wordt van Gods menselijkheid in mensen.

Kijken we dan met een open oog naar ons eigen leven. Veel in ons is versteend, gekruisigd, levenloos, begraven, dood. Je kunt dood zijn zonder dat je daar erg in hebt en slapen terwijl je denkt dat je wakker bent. Vóór we uiteindelijk doodgaan, kunnen we op heel veel manieren al gedeeltelijk gestorven zijn, kunnen stukken van ons leven afsterven, kunnen we onszelf begraven hebben. Je kunt verbitterd zijn geraakt door bepaalde gebeurtenissen, met een verbittering die gestold is tot wrok: iets gaat er dan in je dood. Je kunt diep teleurgesteld of gekwetst zijn door mensen, je komt er niet overheen, je kunt niet vergeven: dan sterft er iets af in jezelf. Je wilt niet oud zijn en met een rollator lopen, je verzet je daartegen en gaat met je rug naar je leven staan. Je laat mensen links liggen omdat ze ‘raar’ zijn, lastig, psychisch gestoord of erg in de war, niet zoals jij denkt dat ‘normale’ mensen behoren te zijn. Je durft met niemand te delen wat er in je leeft aan verlangens, behoeften, wanhoop of verdriet, en langzaamaan ben je aan het sterven. En vult u zelf maar aan, uit uw eigen levenservaring.
            Verrijzen uit de dood is: dag na dag en steeds weer opnieuw ermee beginnen om uit zulke situaties op te staan. Hoe? Je begint al op te staan als je het aandurft om die verbittering onder ogen te zien en bij een vertrouwd iemand uit te spreken, zodat je de weg inslaat naar verzoening met jezelf. Om daarna helemaal op te staan en naar de mensen die jou teleurgesteld of gekwetst hebben te gaan, om het uit te spreken en in ieder geval zelf verzoening te zoeken. Je kunt gaan proberen je angst voor de dood onder ogen te zien, een angst die je verstopt door niet oud of krakkemikkig te willen zijn, en gaan bidden dat de nacht van de angst dragelijk zal mogen zijn. Altijd gaat het om opengaan, naar binnen bij jezelf, en naar buiten naar anderen toe. Je moet het durven: liefde en vertrouwen het laten winnen van wantrouwen en apathie. Je moet het durven: gemeenschap zoeken, zelf opstaan uit de grote en kleine graven waarin je jezelf begraven hebt en zo anderen uitnodigen om hetzelfde te doen. En eerst en vooral: je moet erin durven geloven dat de weg die Jezus is gegaan de waarheid is, en het daarom erop wagen.

Ik zeg niet dat dit altijd gemakkelijk zal gaan. Sterven is en blijft sterven, het heeft alles te maken met loslaten, en loslaten is het moeilijkste dat er is. Heel onze aardse mens verzet zich daartegen, die aardse mens die wil vasthouden en niets verliezen. Maar denk aan het woord van Jezus: ‘Als je niets durft loslaten, zal je alles verliezen’ (Mat. 10,39). We zijn en blijven aardse mensen, mensen die moeten leven in weer en wind, in goede en kwade dagen, mensen die kunnen worden overvallen door van alles en nog wat, door somberheid, door de gemeenheid van anderen, de vermoeidheid van de oude dag, door ziekte, en door nog veel en veel meer. We moeten het daarom kunnen uithouden, geduld hebben en ondanks dat alles blijven geloven, verrijzenisgeloof: elke dag is nieuw, niets is onherroepelijk, niets onvergeeflijk, als je het maar waagt om open te gaan en op te staan.
            Kijken we niet achterom, maar beginnen we ermee. Beginnen we weer opnieuw wanneer we met beginnen zijn opgehouden: opstaan uit wat in ons en tussen ons dood is. Het verlangen om ermee te beginnen, hoe miniem ook, is genoeg. Want als we verlangen om ermee te beginnen, blaast de Verrezene zelf al zijn levensadem over ons heen. Amen.

 

inleiding dr. Sylvester Lamberigts
preekvoorbeeld André Zegveld

webdesign: Artis