20 augustus 2017
Twintigste zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 56,1.6-7; Ps. 67; Rom. 11,13-15.29-32; Mat. 15,21-28 (A-jaar)

 

Inleiding

Jesaja 56, 1.6-7
In de hoofdstukken 40–66 van het Jesajaboek staat het perspectief van na de crisis centraal. De crisis behelst de ondergang van Jeruzalem, met zijn tempel van de Heer, door het falende gedrag van de koning en het volk. Na de kleine tuchtiging vanuit Aram, met Damascus als hoofdstad, en het Noordrijk Israël, met Samaria als hoofdstad (Jes. 7,1-17), werd de dreigende tuchtiging steeds maar groter met eerst de Assyrische koning (Jes. 36–38) en later de Babylonische (Jes. 39). De uiteindelijke crisis, door deze laatste voltrokken, wordt in het Jesajaboek niet voluit beschreven. Daar is de door een gebrek aan Godsvertrouwen zelf veroorzaakte ondergang gewoon te erg voor. Ergens tussen de hoofdstukken 39 en 40 moet deze gesitueerd worden in het dramatische verloop van het Jesajaboek. Maar met deze ondergang eindigt het verhaal niet: het volk met zijn koning mag ontrouw geweest zijn aan God de Heer, God de Heer is niet ontrouw aan zijn volk. Hij brengt een keer in de crisis waarin het volk zich bevindt, spreekt van een voltooide boetedoening en opent een weg terug naar Jeruzalem, naar het land van zijn beloften (Jes. 40,1-11).
Dit heilsperspectief past in de uitverkiezing van het volk door God. Uitverkiezing is geen privilege, een automatisch toegangsbewijs voor het beloofde land. Nee, uitverkiezing is een opdracht, die tevens naar de volkerenwereld toe functioneert: zoals het uitverkoren volk door God behandeld wordt en in het uitverkoren volk Gods ideaal met de mensenwereld gestalte krijgt, juist ook door de crisis heen, zó moet ook de volkerenwereld gaan delen in het heil van Godswege en realisatie van Gods ideaal voor de mensen worden.
Om deze reden beschrijft het Jesajaboek niet alleen de terugkeer van het volk Gods, maar plaatst het daarin tevens, hoe voorzichtig ook, de toegang van de volkeren tot het heil dat God over de crisis heen zijn volk aanreikt. Terwijl het Jesajaboek meermaals de volkerenwereld als koerier laat fungeren om de verloren zonen en dochters terug te brengen naar Jeruzalem (bijv. Jes. 60,4), dient zich ook de optie aan dat de volkerenwereld zélf deelneemt aan deze beweging. In Jesaja 56,1-8 krijgt dit perspectief gestalte in verschillende groepen, zoals de vreemdeling die zich bij de Heer aansluit. Wie zich aansluiten bij de Heer, dat wil zeggen degenen die de sabbat vieren en vasthouden aan het verbond, zijn welkom, ook als zij geen bloedband hebben met het Godsvolk, als zij gastvreemdelingen zijn (v. 6).
Deze nieuwelingen in het Godsvolk van buiten zijn even welkom als de reeds door God bijeengebrachten: ze hebben toegang tot Gods heilige berg, tot de tempel des Heren, waarvan de toegang voor vreemdelingen verboden was (bijv. Ezech. 44,9. Daar zullen hun gebed en offers evenzeer aanvaard worden door de Heer als de gebeden en offers van het oorspronkelijke Godsvolk. Zo krijgt de tempel als nieuwe naam: een huis van gebed voor alle volken (v. 8; vgl. Mat. 21,13).

Psalm 67
Het thema van de vreemdelingen die zich tot de Heer bekeren, staat ook centraal in Psalm 67. De zegen voor het land, met de daaraan verbonden rijke oogst, staat als uitverkiezing niet los van de bestemming van de volkerenwereld. De bede om Gods genadige zegen evoceert op die manier als logisch vervolg de bede dat ook de volkeren Gods wegen mogen leren. Gods rechtvaardigheid strekt zich niet alleen uit tot het Godsvolk, maar omvat de hele wereld.

Epistellezing: Romeinen 11,13-15.29-32
Ook de tweede lezing uit de Romeinenbrief, eigenlijk een semicontinue lezing vanaf de negende tot en met de vierentwintigste zondag door het jaar, sluit hierbij aan. De apostel Paulus presenteert zichzelf als de apostel der heidenen, dat wil zeggen de apostel voor de volkerenwereld (11,13). Maar, zo bespreken de hoofdstukken 9-11, hoe zit dat dan met Israël, het uitverkoren volk? Paulus maakt duidelijk dat het volk zijn uitverkiezing niet verloren heeft, maar deze juist een functie heeft ten gunste van de volkerenwereld. Paulus stelt de situatie zó voor dat hij zowel ten aanzien van het uitverkoren volk als ten aanzien van de volkeren kan spreken van ongehoorzaamheid, zodat allen, uitverkoren volk én volkerenwereld, het heilshandelen van God in Christus Jezus nodig hebben.

Zie: S.M.J.M Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 75-83.

Matteüs 15,21-28
In Matteüs 15,21-28 wordt een wezenskenmerk van de bijbelse verhalen over geloofshelden zichtbaar. De bijbelse geloofshelden mogen dan nog zulk een groot geloof hebben, ze mogen dan nog zo op de Heer God georiënteerd zijn, ze zijn nooit volmaakt. In de Bijbel zijn het ménsen die geloven, geen halfgoden of supersterren. Daarom wordt, hoe groot iemand ook is in zijn geloofsleven, toch tevens altijd zichtbaar dat een mens kan falen.
God en Abraham gaan met elkaar om als twee goede vrienden (Jes. 41,8). Abraham wordt in dit geloofscontact zelfs tot de vader van alle gelovigen (Rom. 4,16). De Messias is niet voor niets een zoon van Abraham (Mat. 1,1; Luc. 3,34; vgl. Joh. 8,58). Maar toch staat Abraham te lachen, ten onrechte, wanneer God ter vervulling van zijn beloften hem een zoon aanzegt (Gen. 17,17).
Mozes is de uitverkoren leider van het Godsvolk ter bevrijding uit Egypte. Hij mag van de Heer de twee stenen tafelen der Wet ontvangen (Ex. 20,1-17; 34,29). Wanneer hij vraagt God te mogen zien, trekt de heerlijkheid van de Heer aan hem voorbij en mag hij, bij wijze van uitzondering, als het ware van achteren even naar God kijken (Ex. 33,18-23). Niet voor niets wordt de Messias beschouwd als een nieuwe Mozes (Joh. 1,17). Maar toch vervalt Mozes, wanneer de rots water moet geven, tot twijfel en kan hij daardoor het beloofde land niet intrekken (Num. 20,2-13).
David is de ideale koning, zetelend over het gehele rijk van Israël, alle twaalf stammen verenigd onder zijn koningschap. Niet voor niets is de Messias koning op de zetel van David (Mat. 1,1-17; vgl. Luc. 1,52 ‘heersers stoot hij van dé troon’). Maar toch pleegt David overspel met de vrouw van Uria (2 Sam. 11,2-4) en zorgt er vervolgens voor dat hij omkomt in de strijd (2 Sam. 11,14-25).
In deze verteltraditie staat het Matteüsevangelie. Niet dat de auteur Jezus een zonde laat begaan. Hij laat Jezus alleen maar de Kananeese vrouw in eerste instantie afwijzen. Jezus moet als het ware door de vrouw overreed worden om ook aan haar, Gods weldaad te bewijzen.
Dat komt de evangelist eigenlijk heel goed uit. Door Jezus te laten overtuigen, kan de evangelist bij Jezus een ontwikkeling zichtbaar maken: een ontwikkeling van ‘alleen de verloren schapen van het huis van Israël’ naar ‘ook de heidenvolkeren’. Het is precies deze ontwikkeling die de jonge kerk doormaakt. Met Paulus heeft de verkondiging zich verbreed tot de volkeren, zoals de Romeinenbrief laat zien.
Hoe kan de jonge christengemeente deze ontwikkeling verantwoorden? Zoals Paulus zijn apostelschap voor de heidenvolkeren ziet in Christus Jezus zelf, zo verklaart het evangelieverhaal deze ontwikkeling eveneens als verankerd in Jezus zelf. Jezus heeft deze stap als eerste gezet. De schijnbaar verkeerde reactie maakt Matteüs tot de zegen van de doorbraak van de Blijde Boodschap naar alle volkeren.
Het grote geloof dat Jezus waarneemt bij de Kananeese vrouw (v. 28), heeft hij elders in het Matteüsevangelie waargenomen bij mensen van het Godsvolk Israël (Mat. 9,2.22.29; vergelijk Mar. 5,34; 10,52; Luc. 7,50; 8,48; 17,19). Aansluitend bij de verteltraditie over alle geloofshelden, weet de evangelist Jezus te maken tot de Messias van het volk Gods én van de volkeren, van joden én heidenen.

 

Preekvoorbeeld

Groot is uw vertrouwen  
Jezus is moe.
Hij heeft net een felle woordenstrijd gehad met de Farizeeën.
Noem het maar gerust een confrontatie op het scherp van de snede.
Het ging over vasthouden aan de traditie met haar vele voorschriften of nieuwe wegen gaan waar kleine mensen groots worden.
Ze komen er niet uit… om moedeloos van te worden.
Jezus neemt de wijk, wijkt uit naar de streek van Tyrus en Sidon, het tegenwoordige Libanon. In de ogen van de Joden is dat onrein gebied.
Niet dat de mensen onrein waren, maar wie met heidenen omgaat loopt de kans dat hij/zij door onreine gedachten wordt besmet.
Het is het aloude adagium: twee geloven op één kussen daar slaapt de duivel tussen.

In dat onreine, ongelovige gebied wil Jezus tot rust komen.
Niemand kent hem, even de anonimiteit in duiken.
Misschien herkennen wij het…dat het je allemaal even teveel wordt, thuis of op je werk of in de kerk… en dat je even de stilte op zoekt. Even niks.

Maar dan gebeurt het. Een wanhopig niet-joodse vrouw zoekt genezing voor haar dochter…. En dan ziet ze Jezus. Je hebt van die mensen die, zonder dat ze iets zeggen, warmte uitstralen.
Ze ziet Jezus en zegt: ‘Man van God, Zoon van David, heb medelijden met mij, mijn dochter is vreselijk ziek. Bezeten door duistere machten.’
Het woord ‘Zoon van David, Man van God,’ dat heeft niemand van zijn eigen volk nog ooit tegen Jezus gezegd. Deze buitenlandse vrouw wel!
Buiten je eigen kring is soms meer geloof dan binnen je eigen kring.

Jezus reageert niet. Zegt niks. Maar zijn leerlingen raken geïrriteerd door het geschreeuw en gedram van die vrouw en zeggen: ‘Stuur haar weg’.
Jezus draait zich om en zegt: ‘Eigen volk eerst…’
Ik zeg het maar even met eigen woorden. ‘Eigen volk eerst, voor jou heb ik geen tijd,
ik heb het al druk genoeg, nu even niet.’
Letterlijk staat er: ‘Ik ben gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.’

Doordat Jezus reageert heeft de vrouw een voet tussen de deur.
Benaderde ze hem eerst nog indirect – van achteren – met haar geroep, nu gaat ze frontaal voor hem staan, knielt neer en zegt: ‘Heer, help me.’
Zeg maar eens nee…
Maar Jezus zegt: Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan hondjes te geven. In onze ogen een buitengewoon vernederende opmerking.
Jezus bedoelt met de beeldspraak dat zijn vizier gericht is op de kinderen van Israël… de andere volkeren scharrelen daar wat om heen. Ze liggen buiten Jezus’ vizier.
Herkenbaar denk ik… Wat heb ik te maken met buitenlanders? Wat heb ik te maken met mensen die niet tot mijn eigen netwerk behoren? Ik heb mijn handen vol aan mijn eigen omgeving.

Maar de vrouw blijft volharden omdat ze een groter belang heeft, namelijk het belang dat haar kind beter wordt. Ze is zeer gevat en zeer strijdbaar en zeer beleefd en zegt:
Juist Heer, de hondjes eten graag wat kruimels die van de tafel van de Heer vallen.
Jezus is óm… wat een vertrouwen… Zo’n groot vertrouwen heeft hij in zijn eigen kring nog niet meegemaakt.
Als onderstreping van dat vertrouwen, van dat geloof, verdwijnt de bezetenheid van haar kind.

Wat betekent dit verhaal voor ons?
Dit verhaal moet bij de eerste christengemeenschap ingeslagen zijn als een bom. Het legt een problematiek bloot die tot in deze tijd waarneembaar is.
Matteüs schrijft zijn Evangelie voor joodse christenen. Maar er waren in die tijd heel veel heidenen, onreinen, die de joodse wet de joodse identiteit niet kenden. Ze wilden lid worden van de joods-christelijke gemeenschap. Dat gaf geweldige spanning.
Ze waren als migranten die in groten getale kwamen. Dezelfde woorden die wij vandaag gebruiken zullen ongetwijfeld ook in die tijd geklonken hebben: eigen volk eerst… ze moeten zich wel aanpassen… ze moeten onze taal en onze mores leren… we moeten oppassen dat we onze eigen identiteit niet verliezen.

Juist dit verhaal werkt als een spiegel. Als we erin durven te kijken, daagt het uit tot zelfonderzoek. Waar het om gaat, is dat de bezetenheid uit je huis, uit je gemeenschap, uit je hart verdwijnt. Bezetenheid ontstaat als er angst in het spel is. Dan slaat de duivel toe met harde hand, met harde woorden, met afwijzing en uitwijzing.
Die vrouw uit Libanon, uit Tyrus en Sidon of waarvandaan ook, die zegt: ‘Geef me een kruimeltje van je liefde, van je barmhartigheid, opdat ik me thuis voel in een vreemd land, opdat ik me kind voel van de Almachtige…’
Wie kan zo’n kruimeltje weigeren? Jezus ging óm door het geloof van die ongeziene vrouw.

Tot slot nog een pastoraal verhaal
Ik ontmoette een man die niet lang meer te leven had. Hij was een bevlogen leraar op een school waar de meeste kinderen van buitenlandse afkomst waren.
Afscheid van het leven kwam steeds dichterbij. Hij zei me dat hij graag wilde dat bij zijn uitvaart het Evangelie van de ‘hondjes’ gelezen zou worden.
Hij motiveerde zijn keuze met de volgende woorden.
De kinderen die aan mij zijn toevertrouwd hebben zo veel meegemaakt, hebben zo veel achterstand en worden soms als honden behandeld. Wat ik gewild heb en wat ik soms gedaan heb, dat is van kruimels brood maken en het aan hen geven.
Na een stilte zei hij: ‘Het gebeurde soms dat leerlingen jaren later op school terugkwamen om me te bedanken.’

Literatuur
Jan Groot en Henk Sechterberger: Schriftinstuif, 1992, Gooi en Sticht.

 

inleiding dr. Archibald van Wieringen
preekvoorbeeld Hans Boerkamp

webdesign: Artis