20 januari 2019
Tweede zondag door het jaar

Lezingen: Jes. 62,1-5; Ps. 96; 1 Kor. 12,4-11; Joh. 2,1-12

 

Inleiding

Johannes 2,1-12
Het verhaal van de ‘Bruiloft te Kana’ (Joh. 2,1-12) vinden wij alleen in het Evangelie naar Johannes. Het staat daar op een bijzondere plaats, als eerste van vele ‘tekenen’ die Jezus heeft gedaan (2,11 t/m 12,37; 20,30). Een teken is in de Bijbel een voorval dat op zichzelf beschouwd betekenisloos lijkt, maar dat zinvol wordt wanneer je de hele geschiedenis kent. Hier in Kana geschiedt het eerste van die tekenen. ‘Eerste’ (Grieks archè) is niet alleen getalsmatig bedoeld. Het is tevens het principe van alles wat volgt. Dat geldt ook hier. In de ‘Bruiloft te Kana’ manifesteert zich de glorie (Grieks doxa, 2,12), door dood en opstanding heen, van Jezus Messias.
           Het hele verhaal staat dus in dat teken. Voor de exegese is het daarbij van belang dat wij, zeker in het Evangelie naar Johannes, letten op het symbolische gebruik van termen en begrippen. Wat wij ‘symbolisch’ noemen, is in het Evangelie echter allerminst een fantasierijk ornament. Integendeel, het is een verwijzing naar en een samenvallen met de ware, de onze directe waarneming overschrijdende werkelijkheid. Je moet met zulke beeldende taal voorzichtig omgaan, er geen vergaande conclusies aan verbinden. Maar het alternatief, de teksten historiserend lezen, doet deze verhalen geen recht.
           Omdat het om meer gaat dan een oppervlakkige lezer zou denken, is het begrijpelijk dat sommige voor de hand liggende gegevens, zoals wie de bruid was en wie de bruidegom, ontbreken. De moeder van Jezus wordt wél genoemd, ze speelt zelfs een belangrijke rol, maar ook zij blijft naamloos (2,4). Dat soort details is volgens de auteur kennelijk niet van belang. Het gaat hem tenslotte om andere dingen.
           Er is allereerst de bruiloft. Bruiloft is het feest bij uitstek van het goede leven. Terugziend en vooruitziend vieren wij dat er een nieuw begin wordt gemaakt, nieuwe verbanden worden gelegd, nieuwe afspraken gaan gelden. Geen wonder dat de bruiloft in de Bijbel een metafoor kan worden van het koninkrijk van God. Waar alle leed en pijn voorbij is, richt God op zijn heilige berg een feestmaal aan voor de volken (Jes. 25,6-9). Op dat feest wordt overvloedig wijn geschonken, wijn van topkwaliteit (2,10). Naar dat feest verwijst het verhaal van deze bruiloft in Kana.
           De bruiloft vindt plaats te ‘Kana in Galilea’ (2,1). Dat is niet het ooit beloofde land (Joz. 19,28). Echter Natanaël uit Kana wordt ‘een echte Israëliet’ genoemd (1,47). Kana ligt dus ergens aan de grens, in het ‘Galilea der volken/heidenen’ (Jes. 8,23) die de God van Israël niet kennen (vgl. hier ook Ps. 96). De bruiloft in Kana is niet alleen het feest van Israël, het is ook het feest van de volken.
           Behalve de plaats, blijkt ook de tijd van belang: ‘de derde dag’ (2,1). Vergeleken met 1,35 en 1,43 is die datering opvallend nauwkeurig. Ligt het niet voor de hand hier – zoals vaker in het Nieuwe Testament – een verband te zien met Hosea 6,2? Is de derde dag wellicht de dag van de opstanding, waarvan wij hier het eerste teken zien (2,19-22)?
           Maria, de moeder van Jezus, wordt nergens bij Johannes met name genoemd. Maar haar rol – en daar gaat het om – is duidelijk: zij verwoordt de mislukking (2,3) en verwijst op het kritieke moment naar haar zoon (2,5). De afwerende houding in 2,4 (‘wat is er tussen jou en mij?’) is ontleend aan Rechters 11,12 en 1 Koningen 17,18 en heeft alleen betrekking op het verkeerde moment. Want niet zij bepaalt wanneer de bruiloft doorgang vindt, dat doet Messias Jezus zelf, op zijn tijd.
           Zoals ‘vader’ in de Bijbel een metafoor is voor degene die voor jou een weg baant in de warboel van het menselijk bestaan, is ‘moeder’ een metafoor van de kring waar je vandaan komt, het milieu dat jou heeft grootgebracht. Met ‘de (anonieme) moeder van Jezus’ (2,1 en 19,25vv) doelt Johannes op het Israël van Mozes en de Profeten, het getrouwe Israël van het Oude Testament. Jezus Messias komt niet los uit de lucht vallen. Hij heeft niet alleen een Vader (136 keer bij Johannes), hij heeft ook een Moeder. Met aan dit moederschap ontleend gezag spreekt zij.
           De zes (nog niet het getal van de vervulling: zeven) ‘stenen watervaten volgens de reinigingsvoorschriften der joden’ (2,6), verwijzen met zoveel woorden naar toenmalige joodse gebruiken.
           De vaten bevatten water. Water is in de Joodse traditie een gangbaar symbool van de Thora (al in Sir. 24,23vv.). Wanneer de dienaren (2,9) doen wat Jezus zegt (2,7-8), blijkt dit water wijn te zijn geworden (2,9), zelfs betere wijn dan de wijn die er ooit was (2,10). Het water van de Thora is op gezag van Jezus wijn geworden.

1 Korintiërs 12,4-11
Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘1 Korintiërs. De apostel Paulus, een bewogen apostel’ in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 41-56

Jesaja 62,1-5
Naast Johannes 2,1-11 zijn vele perikopen uit de profeten denkbaar, ieder met een eigen accent. De meeste komen uit Deutero-Jesaja (Jes. 40–66). Die teksten reflecteren de terugkeer uit de ballingschap. Zo moet men ook Jesaja 62 lezen. Een nieuwe tijd breekt aan, een tijd van gerechtigheid en bevrijding, van vreugde en vrede. De volken (inclusief het ‘Galilea der volken/heidenen’) zullen het ‘zien’ (62,2), dat wil zeggen: zij zullen het – samen met Israël – ervaren, meemaken. De God van Israël, de God van bevrijding en gerechtigheid, zal de God zijn voor en van (in die volgorde) alle volken.
           De bruiloft vinden wij ook in Jesaja 62. JHWH (de heer) kiest het afgedwaalde volk tot zijn bruid (62,5). Hier zijn bruid en bruidegom dus niet anoniem. JHWH is de bruidegom, Israël de bruid. Men zou kunnen overwegen of dat ook in Kana geldt. Hoe dat ook zij: zeker is dat zowel bij Johannes als hier bij Jesaja alle handelingen uitgaan van de heer God (daarover ook 1 Kor. 12,4-11). De gang van bevrijding naar vrede is niet het werk van mensen, maar het werk van de God van Israël en zijn Messias. Mensen zijn alleen maar subject van hun handeling omdat ze eerst object zijn geworden, object van de God die verlaten en verloren mensen (62,4), overal waar de wijn die het hart verheugt (Ps. 104,15) ontbreekt, verkiest en liefheeft.

 

Preekvoorbeeld

Het evangelie vertelt ons van transsubstantiatie: water wordt wijn. Geen mirakel, het is hoe het al eeuwen gaat: het sacrament van het doopsel leidt ons toe tot het sacrament van het altaar, het doopwater wordt de beste wijn van het feest.
            In vroeger eeuwen heeft men zich er het hoofd over gebroken hóe dat toch in hemelsnaam mogelijk is, substantieel – maar dat is in het geheel onze vraag niet. Hoe brood en wijn voor ons tot Lichaam en Bloed van Onze Lieve Heer worden? We draaien het liever om: het Lichaam van Christus – in verheven, verheerlijkte staat, zijn opstandingslichaam –, wij ontvangen het als brood in onze hand of op de tong; zijn Bloed – in de Bijbel altijd een teken van leven, nooit van de dood! –, wij drinken het ons in als de beste wijn van het feest. Transsubstantiaties: zijn Lichaam wordt ons dagelijks brood, zijn Bloed de wijn van het verbond.
            Het Sacrament gaat uit van de levensnoodzakelijke basis van het leven, elementair voedsel, als: op water en brood, ware het niet dat water dikwijls onbetrouwbaar was en op heel wat plaatsen ter wereld nog steeds is, je kunt er doodziek van worden. Daarom: wijn. Als Jezus zijn laatste avondmaal in meer noordelijke streken had gehouden zou het brood en bier zijn geweest.

Hier op de bruiloft te Kana wordt water wijn. Hoe dat gaat? De moeder van Jezus speelt er een centrale rol in. Zij bereidt de bedienden – diakonoi staat er in het Grieks – al voor: ‘Wat hij je ook zegt, dat moet je doen.’ De moeder van de Heer, zij is de koningin van de ambten. Op haar woord staan de diakenen klaar.
            De dans valt stil, het feest bloedt dood, de wijn is op. Wat staat je dan te doen? Het dringt langzaam tot de feestgangers door: ze hebben te weinig ingekocht. Dat jonge stel, ze waren niet op de kosten berekend. Of: hun familie kon het niet opbrengen – die mensen zijn weinig bemiddeld, sneu.

In de beeldtaal van de Bijbel is meer aan de hand. Dit is de bruiloft ten derden dage! Dat zinspeelt op Pasen. Het is de bruiloft van het lam, dat is hoe het koninkrijk van God baan breekt. Maar het wil niet van de grond komen. De voorwaarden zijn aanwezig, de Heer zelf is ter bruiloft genodigd, zijn lieve moeder is daar, maar de wijn raakt op. Nu moeten de diakenen het verschil maken, maar ze hebben geen idee.
            Dan klinkt het bevrijdende woord, waar de moeder van de Heer al op doelde: ‘Wat hij jullie ook zegt…’ Jezus fluistert het hen in: ‘Vul de vaten met water.’ Godzijdank hebben ze daar een ritueel bewaard: reinigingsvoorschriften, het dompelen van het tafelservies, bekers, borden, rituele wassingen van handen en voeten, stilering van het leven, handelingen die een geheim bewaren. Wij zijn daar veel van kwijt, wat hebben we eigenlijk nog aan ritualiteit overgehouden? Een kaarsje branden, vrijdag visdag. Veel is het niet.
            Maar overgeheveld naar het koninkrijk van God wordt dat water in de watervaten een gehoorzaam schepsel dat zich laat gezeggen door de Heer. Ze vullen de vaten tot de rand – mijn beker vloeit over. En wat er dan uit geschept wordt? Gewoon weer water, ellendig bocht, chateau de migraine, of de beste wijn van het feest!

Waar dat van afhangt, de uitkomst? Dat water wil alles wel worden. Het heeft het woord van de schepper herkend, iedere waterrimpeling klotst omhoog in antwoord op zijn stem. En de dienaren staan klaar. Waar het van afhangt? Van het bevel, de opdracht, het gebod: ‘Vul de vaten met water’, vullen, boordevol.
            Die diakenen zijn blij met zo’n woord om op te volgen, om gestalte te geven aan hun opdracht. Zij steken de handen uit de mouwen. Iedereen is blij dat er iets gedaan wordt! Ambtelijk handelen is: aan de kant staan van degenen die gebrek lijden, hún pleitbezorger zijn, koste wat het kost! En altijd durven uitgaan van de overvloed Gods en nooit van ons tekort. Want ons tekort is er wel, wij zijn uiterst gebrekkige mensen. Maar slechts een enkel woord, als het weerklinkt tot in het koninkrijk van God, heeft het de kracht van een scheppingswoord. Hij sprak en het was er! Opgenomen in het koninkrijk van God wordt een vat koel helder water de beste wijn van het feest. Verplaatst in het koninkrijk van God, zal die sip kijkende bruidegom eindelijk lachen en zijn schuwe bruid die zich al die tijd beschaamd schuilhield en de pluisjes van haar bloesje plukte, begint te stralen. Allemaal beeldspraak, daar leven wij van.

Je komt in situaties, en misschien heb je het er zelf wel naar gemaakt, als alles muurvast zit, dat het verlossende woord gesproken moet worden en een bevrijdende daad gesteld. Die muurvaste situatie hoeft alleen maar overgebracht te worden naar het Koninkrijk van God en alles ziet er anders uit: transsubstantiatie, transformatie, transitie! Er klinkt een scheppingswoord en ieder gehoorzaam schepsel weet wat hem of haar te doen staat. Het water begint te blozen en schuimt in de kelk. In een ander verhaal popelt het brood om vermenigvuldigd te worden.
            De Eucharistie is vrijplaats en oefenplek om de moed en goede trouw van het koninkrijk van God op te doen en gehoorzaam en creatief (die twee horen altijd bij elkaar!) te worden – omwille van hem aan wie is de heerlijkheid en de macht in alle eeuwigheid.

Voor een meer uitgewerkt preekvoorbeeld, zie Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Trouwvieringen, exegese en preken, Vught 2010, blz. 61-65

 

inleiding prof. dr. Rochus Zuurmond
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen

 

 

webdesign: Artis