20 april 2019
Paaswake

Lezingen: Gen. 1,1(26-31a)-2,2; Ps. 104 (Ps. 33) – Gen. 22,1-(-2.9a.10-13.15-)-18; Ps 16 – Ex. 14,15-15,1; Ex. 15,1-6.17-18 – Jes. 54,5-14; Ps. 30 – Jes. 55,1-11; Jes. 12,2-6 – Bar. 3,9-15.32-4,4; Ps. 19 – Ez. 36,16-17a.18-28; Ps. 42-43 (Ps. 51) – Rom. 6,3-11; Ps. 118; Luc. 24,1-12 (C-jaar)

 

Inleiding

De viering van de Goede Week is hét hoogtepunt van de liturgiekalender. De Paaswake met daarna de Paaszondag is de glansrijke vervulling van verlangend uitzien naar Gods wonderlijk handelen. Wij belijden Jezus’ verrijzenis, wij getuigen van zijn opstanding; hernieuwen de doopbelofte. Dit belijden en getuigen is een zaak van geloof. Geloof is iets anders dan enkel zakelijke kennis op grond van feiten. Het is de dimensie van verstaan, van zien vanuit hopen, verlangen en gevoel voor perspectief. Dus altijd grensoverstijgend. Die beleving zit in ons en is aldus reëel en realistisch. Deze visie en geloofshouding is de dragende kracht van heel de bijbelse traditie en van het Joodse volk. Aansluitend daarop is het ook de basis voor de christelijke geloofsgemeenschap, de kerk. Binnen dit brede perspectief gelden gedachten als: ‘Het lege graf werd ruimte van de verrezen Christus’.

Voor het verstaan van de teksten en voor de verkondiging is het goed om aan de volgende elementen aandacht te geven:                                                                                                

·         De hier bovengenoemde geloofshouding. Genesis 22: het verhaal van het offer van Isaak is in de Joodse traditie een ‘opstandings’-verhaal, redding uit dood, perspectief van leven.
·         ‘De derde dag’, deze in de Bijbel tientallen malen genoemde tijdsaanduiding komt vooral voor bij bijzondere openbaringen zoals bijvoorbeeld in Exodus 19,11vv, speciaal bij de openbaring op de berg Horeb. En Hosea 6,1 ‘Op de derde dag doet Hij ons opstaan en wij leven’.
·         In gebeden is meerdere malen sprake van ‘Heer van alle sterven en leven’, onder andere 1 Samuël 2,6. Daar klinkt de dynamiek door van ‘duisternis naar licht’, waarin alle leven wordt meegenomen naar toekomst en wat ook duidt op bovengenoemd geloofsperspectief.
·         Een stellige uitspraak in deze is: ‘Ik dood en maak levend’ (Deut. 32,39).
·         Men heeft het gevoel van (geloof in) opstanding, zoals blijkt in antwoord op Jezus’ vraag: ‘wie vinden jullie dat Ik ben?’ Men antwoordt: Johannes de Doper, Elia of een van de oude profeten ( Luc. 9,7-9 en 9,18-22). Men verbindt het heden met het verleden, een hiernamaals. Ook is sprake van zulk een persoonlijk perspectief in bijvoorbeeld Psalm 16,10; 42,2v; 104,29v en Jesaja 55,11.
·         Over ‘tenhemelopneming’ wordt ons verteld in het verhaal van Elia in 2 Koningen 2.
·         Over het graf van Mozes wordt na diens heengaan niet gesproken. Afwezig blijft hij in de beleving wel aanwezig. In het verhaal van de verheerlijking op de berg Tabor zijn zij beiden aanwezig. Er wordt gesproken over Jezus’ exodus; daarna volgt een lijdensaankondiging en aankondiging van opstanding op ‘de derde dag’.
·         De aankondigingen van het lijden van de Mensenzoon en zijn opstanding, zoals in de evangeliën genoemd, getuigen van Jezus’ geloofshouding en gelovig perspectief.                                         

Genesis 1,1–2,2      
Dit rijke poëtische verhaal is getuigenis van geloof: alle leven is uit God en in Gods hand.De Allerhoogste handelt vanuit de dynamiek ‘van duisternis naar licht’, ‘zo werd het avond en morgen’. Steeds een nieuwe dag. Het hoogtepunt is de schepping van de mens ‘naar Zijn beeld en gelijkenis’. De mens (man en vrouw) staat aan de zijde van God in zorg om al het geschapene, geroepen tot het goede en de behartiging daarvan in recht en gerechtigheid. De mensheid is geroepen om Gods wil te volbrengen. Zijn wil wordt later expliciet kenbaar gemaakt in de zeven noachitische geboden en na de Exodus in de openbaring van de Tien Woorden. De proclamatie van de Schepping is naar zijn kern de proclamatie over de mens, zoals bedoeld door de Eeuwige.           
           In het verhaal is hiermee verweven de tijds- en plaats-aanduiding: namelijk de mens in het ritme van nacht naar dag; zijn plaats te midden van bomen planten en dieren. Dus wij zijn deel van de Schepping. Je ontvangt het leven van God (het is niet je bezit) in een roeping tot verantwoordelijkheid. Psalm 104 spreekt ervan als een mooie wandeling in het geheel van de schepping met alle kleur en fleur en de krachten in de kosmos. We kunnen ook denken aan Psalm 8 over dat ‘wonder van mens zijn’. De Paaswake neemt ons mee in het grote geheel van Gods wonderwerken. Die positieve en dynamische kijk moeten we willen behouden. Dat maakt ons bescheiden en doet ons (milieu-) bewust leven binnen de ons gestelde grenzen van tijd en plaats in het besef, dat deze gave ons geschonken wordt uit zijn liefde. En dat met een grensoverschrijdende opdracht en doel: herscheppen, vernieuwen.

Exodus 14,15–15,1
We worden meegenomen in het reddend gebeuren voor het Godsvolk. De slavernij in Egypte was meer en meer een ‘niet leven’ geworden met uitroeiing van het volk door de ‘macht’, de farao. Een nieuw begin is noodzakelijk, om letterlijk de weg vrij te maken voor de toekomst. Uittocht uit de wereld van ‘machtigen’ om eigen leven en opdracht te kunnen waar maken. Er is grote blijdschap over die bevrijdende uittocht, die echter tegelijk het begin wordt van een moeilijke weg door tijden en plaatsen, waar telkens sprake zal zijn van ‘sterven en leven’. Maar bovenal klinkt in dit verhaal: God handelt. Het is een godswonder wat ons overkomt. Daarmee begint de grote uitdaging om met God mee te gaan, om zijn wegen te leren kennen. Tegenover onrecht en het kleineren van mensen zal het moeten gaan om gerechtigheid. Steeds zal het volk ervaren dat dit een proces wordt door lijden en tegenslag heen. Zoals al het geschapene kenmerken heeft van dit proces van ‘sterven en leven’, zo zal het ook gaan op weg van de mens. Voortgang zal mogelijk blijven door vertrouwen op de Allerhoogste.

Lucas 24,1-12
‘Waarom zoekt ge de levende onder de doden?’ Dit klinkt met een stelligheid en gedrevenheid die voortkomt uit dat diepe geloofsbesef. Leven gaat door ondanks tegenslag, ondanks lijden en sterven. ‘Hij is niet hier, Hij is verrezen’. Deze boodschap, tegelijk een overtuiging, wordt verankerd in de woorden van Jezus’ lijdensaankondigingen en de aankondiging van verrijzen. Bij Lucas is een belangrijk signaal de herhaalde verwijzing naar Galilea. De meeste leerlingen komen daar vandaan. Jezus is daar de prediking over het Koninkrijk van God begonnen door zijn inzet voor de blijde boodschap over wat recht en goed is. De ‘mannen van Galilea’ zullen de evangelisten worden, want vanuit wie en hoe Jezus was, en hoe hij sprak en deed, hoe hij geloofde in de God van ‘levenden en niet van doden’, konden zij getuigen worden van zijn nieuwe leven. De gevoelige betrokkenheid op de Lijdende, de Gestorvene, wordt beleefd door de vrouwen. Zij komen het gebod van de zorg om de gestorvenen, ‘de doden begraven’ volbrengen op ‘de derde dag’. De leerlingen echter zijn nog verbijsterd en onthutst. Reactie: ‘beuzelpraat; niet te geloven’. De Mensenzoon als de lijdende Messias was voor hen het einde van hun perspectief. Die geslotenheid moest doorbroken worden ‘opdat blinden zouden zien en doven zouden horen’. Lucas benadrukt: dit alles gebeurt ‘volgens de Schriften’. In vers 13 vangt dan ook het Emmaüsverhaal aan, waarin de Schriften worden toegelicht. Zijn woord en teken doet die leerlingen zien en beleven: Hij is aanwezig.

Romeinen 6,3-11: Paulus’ ‘nabeschouwing’ met het perspectief op de nieuwe mens
Paulus wordt getroffen door het licht van de verrezen Heer en ziet alle leven en doen in het licht van deze ‘nieuwe mens’. De Gekruisigde heeft door Gods handelen (Ps. 118) de dood doorstaan. Het kruis is daarmee de plek van opstanding en heerlijkheid, de ‘boom des levens’. Door de doop zijn wij deelgenoot in zijn lijden en verrijzen. Wij worden geroepen tot dat nieuwe leven; namelijk te zijn ‘als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus’. Waar zo wordt geleefd en gehandeld in recht en gerechtigheid, voltrekt zich het proces van het groeiende Rijk Gods, waartoe Jezus Christus in de wereld is gekomen. Een proces dat voortgang moet vinden door onze gelovige inzet, dat ons leven en denken voortaan toekomstgericht zal zijn op basis van het verleden en ook het huidig en toekomstig handelen van God.                                              

Pasen vieren is Uittocht beleven voor en ten dienste van heel de wereld. Zijn wij bereid tot die opdracht en de Schepping te stuwen naar haar vervulling? Laat Pasen de vreugde en kracht zijn daartoe, dan wordt het steeds ‘avond en morgen, een nieuwe dag’. Opstanding, nieuwe schepping, ‘zijn blijvende aanwezigheid’ is perspectief met kracht van leven nu en in de toekomst.

Zie: S. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’, in: H. Janssen & K. Touwen (red.) Paulus zelf. De zeven echte brieven. Exegese en Preken, Vught 2014, 75-86

 

Preekvoorbeeld
Dadelijk gaan we het water wijden voor de doop en wij hernieuwen onze doopbeloften. Daarin beloven wij ons te verzetten tegen het kwaad, ons toe te wijden aan de dienst van God en van de naaste – en wij belijden ons geloof. In deze wereld, in onze wereld zoals hij er soms uitziet met alle nacht, met alle dood, met alle wanhoop is Pasen vieren op zich al een geloofsbelijdenis. Wij gaan staan in een oud verhaal, waarin de lezingen ons meevoeren, niet naar een afgesloten en voorbij verleden, maar naar een tocht en een gemeenschap waarin wij nu deelnemers zijn. Een tocht van hoop tegen alle wanhoop in. Een tocht ten leven tegen alle dood in. Een tocht van vrede en recht tegen alle oorlog en onrecht in. Geen bitsige tocht, maar een tocht van vreugde, een blijde boodschap voor de mensen van zijn welbehagen, voor armen en treurenden, voor vredemakers en zoekers naar gerechtigheid, voor vervolgden omwille van die gerechtigheid.
            De aanvang van de paashymne die we hoorden, bevestigt ons in die vreugde: ‘Aan allen die hier aanwezig zijt en aan heel de wereld die op verlossing wacht verkondig ik de blijde boodschap van Gods goedheid en Gods trouw: Jezus is de Heer, het licht dat schijnt in de duisternis. Wees blij en verheug u.’ Die vreugde hebben we uitgezongen in het gloria, het Eer aan God in de hoge – of in een andere acclamatie bij de nieuwe paaskaars, die de levende Heer in ons midden verbeeldt.
            Overal ter wereld worden in deze nacht kinderen en volwassenen gedoopt. Niet omdat zij in sprookjes geloven of in heldenverhalen, waarin de held altijd aan het langste eind trekt. Maar omdat zij in Jezus geloven, die helemaal niet als een held op het kruis is gestorven, die wel levende getuige is geworden van Gods liefde en trouw. Paulus beschrijft onze doop als onze doortocht, onze deelname aan de doortocht van Christus, aan zijn kruis en opstanding. De doop zet ons dwars op een leven van zonde, een leven zonder liefde. Wie zich laat dopen, moet zichzelf beschouwen ‘als dood voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus’.
            Wie gedoopt is, gaat staan in het oude verhaal, waarin God de chaos schept tot een wereld voor mensen, waarin het goed is om te leven. Hij gaat mee uit het slavenhuis van Egypte naar het land van belofte. Zonder te weten wat hem of haar onderweg nog allemaal te wachten kan staan aan honger en dorst, aan vallen en opstaan. Hij drinkt aan de bron van levend water, eet van het levende brood. En deelt met wie honger en dorst heeft. Dat is de weg die ons gegeven is en die we zelf ook in onze tijd altijd opnieuw moeten banen of open houden. Want het is in geen enkele tijd van de geschiedenis en in geen enkele tijd van ons eigen leven een vanzelfsprekende weg. De levende Heer volgen in zijn opstanding is ook altijd de opstand van de liefde tegen haat, duisternis en dood.
             Altijd opnieuw dreigt een te zware steen ons leven af te sluiten van het licht. Hier vernieuwen wij ons geloof dat deze steen is weggerold, dat we met Christus mogen staan in de tuin van Pasen. En door onze tranen heen spreekt hij ons aan, niet om hem in onze greep te houden, maar om op weg te gaan hem achterna.
            Voor het hernieuwen van onze doopbelofte steken wij onze kleine kaars aan aan de paaskaars, symbool van de verrezen Heer. In het evangelie hoorden we de eerste reactie van de apostelen als de vrouwen hen kwamen berichten: ‘beuzelpraat’. Het is nog altijd een zeer actuele reactie van veel tijdgenoten en misschien wel van onszelf. In bijna alle latere verschijningsverhalen komt er twijfel ter sprake. Denk aan Tomas. Ons geloof belijden, die kaars aansteken aan de paaskaars, in het licht gaan staan dat hij brengt, blijft een daad van geloof en een daad van protest, een daad van opstand, niet tegen twijfel of onzekerheid, maar tegen liefdeloosheid en doemdenken.

Deze paasnachtviering is bij uitstek een gemeenschapsgebeuren en de geloofsbelijdenis is de geloofsbelijdenis van de lokale kerk die wij hier zijn. Maar elk heeft ook zijn eigen kaars: het is tegelijk een persoonlijk gebeuren. Als we als kind gedoopt zijn, was dit een geschenk van onze ouders. Nu, en met heel onze persoonlijke geschiedenis erbij, zijn we uitgenodigd om zelf schenker van licht en hoop te worden, om zo goed als we dat kunnen zout te zijn in deze wereld, levensbrood voor wie op zijn honger zit. Zo zijn we mensen naar zijn beeld en gelijkenis.

Diep in de nacht heeft Hij verlossing gebracht,
Heeft Hij ons licht aangeheven.
Het licht van het begin.
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt en gegeven.

inleiding drs. Frans Zwarts
preekvoorbeeld D. De Rycke ofm

webdesign: Artis