2 september 2018
Tweeëntwintigste zondag door het jaar

Lezingen: Deut. 4,1-2.6-8; Ps. 15; Jak. 1,17-18.21b-22.27; Mar. 7,1–8.14-15.21-23 (B-jaar)

 

Inleiding

            Hij bracht uit Jakob een barmhartige man voort,
            die ieders genegenheid won,
            die geliefd was bij God en bij mensen:
            Mozes, wiens nagedachtenis gezegend is. (…)
            Hij gaf hem op de berg eigenhandig de geboden:
            de Thora die leven en kennis geeft,
            die Jakob onderricht in het verbond,
            Israël zijn verordeningen leert.
            (Sir. 45,1-5, partim)

Thoralezing: Deuteronomium 4,1-8
Op de drempel van het beloofde land – aan de overzijde van de Jordaan – klinken de woorden die Mozes gesproken heeft (1,1). In ‘de Thora opnieuw’ (Deuteronomium) neemt Mozes uitvoerig afscheid van zijn volk Israël. Ondanks zijn verzoek mag Mozes het veelbelovende land zelf niet binnentrekken, hij mag het alleen vanaf een berg zien. Zijn opvolger Jozua (vgl. 18,15-20) zal het volk voorgaan bij de intocht in het land (3,21-29; Joz. 1,1-9). Nu de opvolging geregeld is en voordat de Tien Woorden opnieuw klinken (4,44–5,33), doet wijsheidsleraar Mozes een indringend appel op Israël om te leven naar de Thora en geen afgodendienst te bedrijven (4,1-40; vgl. 2 Kon. 22–23).
            Hoor dus, Israël naar… (4,1), Mozes spreekt het volk hier voor het eerst met ‘Israël’ aan (vgl. 5,1; 6,4). De profeet Mozes lernt en Israël wordt opgeroepen om als leerling te luisteren (Spr. 1,8; Ps. 5,4). Mozes interpreteert de (schriftelijke) Thora die hij van JHWH op de berg Sinaï ontvangen heeft (Ex. 19–20) door het lernen van ‘inzettingen’, die de verhouding tot jhwh, de wereld en zichzelf regelen én van ‘rechtsbepalingen’ die de verhouding tot de naaste gestalte geven. Deze inzettingen en rechtsbepalingen vormen de (mondelinge) Thora. Mozes lernt opdat Israël hoort en doet. Door metterdaad te horen zal Israël leven en het goede land beërven. De Bevrijder beoogt voor zijn volk Israël volop leven in het veelbelovende land (Ex. 3,8; Deut. 8).
            In Deuteronomium 4,2 wordt het levensbelang van Mozes’ onderwijzing nogmaals onderstreept:

            het woord                                          dat ik jullie opdraag,
            de opdrachten van JHWH,
            jullie God te onderhouden,                die ik jullie opdraag!

In het woord – al de woorden – van Mozes komen de opdrachten van JHWH aan het licht. Dit woord moet ook na Mozes’ dood intact blijven, daarom mag er niets aan toegevoegd of vanaf gedaan worden (4,1.3; 13,1.4; Spr. 30,6; Apok. 22,18v).

Mozes lernt de door God gegeven inzettingen en rechtsbepalingen niet aan Israël om ermee te pronken, maar om ze te doen (Ex. 19,5-9). Het volk Israël is niet bijzonder omdat het een groot volk is of een politieke grootmacht. Israël is te midden van de heidenvolken uniek omdat JHWH hen nabij is (Ex. 2,23vv; Ps. 145,18) én omdat hij aan hen de Thora geschonken heeft. Door JHWH aan te roepen en de gegeven Thora steeds opnieuw te ontvangen door haar te doen, zal Israëls wijsheid en inzicht (1 Kon. 5,9-14) voor de heidenvolken aan het licht komen (4,5-8).
‘Geliefd is Israël, dat hun een kostbaar werktuig is gegeven, waarmee de wereld werd geschapen. Want er is gezegd: ‘Ik heb jullie een goede leer gegeven. Verlaat mijn Thora niet’ (Spr. 4,2)’ (Spreuken der Vaderen III,18).

            Op de bergtop, hoog verheven,
            staat Mozes aan het einde van zijn leven.
            Hij houdt de ogen vast gericht
            op het beloofde land, dat voor hem ligt.
            Zo vervult Gij, Heer, wat komen zou
            nooit werd Gij uw woord ontrouw.
            Laat mij zien door de sluier van de doodswoestijn,
            hoe mijn volk optrekt naar het groots festijn.
            Ik zink weg in Uw eeuwigheid, God, voorgoed
            maar zie: mijn volk gaat de vrijheid tegemoet.
            (Dietrich Bonhoeffer, De dood van Mozes)

Evangelielezing: Marcus 7,1-23

            Mozes ontving de Thora van JHWH op de berg Sinaï en gaf haar,
            opgeschreven en mondeling verklaard ter verdere overlevering aan Jozua
            en Jozua aan de raad der oudsten, deze aan de profeten; de profeten
            gaven haar ter overlevering aan de mannen van de grote vergadering.
            (Spreuken der Vaderen I,1; Gal. 1,14)

Spreuken der Vaderen (Pirké Aboth) voert de mondelinge Thora vanaf de beroemde schriftgeleerden uit de tijd van Jezus – zoals Hillel en Sjammai – terug op Mozes die deze woorden samen met de schriftelijke Thora van God ontving op de berg Sinaï. De mondelinge Thora is de steeds weer actualiserende interpretatie van de schriftelijke Thora.   
            De Vaderen en niet de oudsten hebben de mondelinge Thora overgeleverd. Tegen deze achtergrond en die van de Thoralezing (Deut. 4) horen wij Marcus 7,1-23. Het blijkt een spannend leerproces – met het oog op (samen-)leven – om de Thora integer over te leveren en via de mondelinge traditie getrouw en creatief met het oog op de actuele situatie te interpreteren.
            In 7,1-23 is er zes keer sprake van overlevering/traditie van voorouders of eigen overlevering (7,3.4.5.8.9.13) en twee maal eigen leer/voorschriften van mensen (7,7). Twee keer wordt er gesproken over het gebod van God (7,8.9) en éénmaal over het woord van God (7,13). Het gaat dus over de schriftelijke Thora (woord van God), de mondelinge Thora (opdracht van God) en over de overleveringen/tradities van mensen/voorouders. Deze laatste dienen steeds getoetst te worden aan de Thora. Vaak zijn het gebruiken die in bepaalde kringen in zwang zijn en niet in de Thora voorkomen.

Over een van deze gebruiken zijn enkele Farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem (een theologencommissie, vgl. 3,22) – met Jezus in een leerhuisdiscussie: het eten van brood met ongewassen, dus onreine, handen. Met een woord uit de profeet Jesaja (29,13) maakt Jezus duidelijk dat de Thora voorrang heeft boven een overlevering van mensen. Bovendien vraagt God geen uiterlijke verering, maar wil hij dat de mens van harte en met zijn hele persoon en levenswijze hem vereert (7,1-8).
Met een voorbeeld uit de Thora maakt Jezus duidelijk dat er prioriteiten zijn. Het woord Toon eerbied voor uw vader en uw moeder (Ex. 20,12; Deut. 5,16) en Wie zijn vader of moeder vervloekt moet ter dood gebracht worden (Ex. 21,17) heeft voorrang boven de gelofte van een offergave aan de tempel (korban, Lev. 1,2; Num. 7,3). Het (voort-)leven van ouders is belangrijker dan een gelofte aan God. Leven breekt wetten! Jezus is hier op een rabbijnse wijze in discussie met ‘vakgenoten’ en geeft zijn creatieve interpretatie van de Thora. Uit Jezus’ uitleg blijkt zijn geloof dat God met de Thora het leven van mensen beoogt (7,9-13).

In 7,14v roept Jezus de menigte weer bijeen. Hij wil hen laten delen in de vruchten van het gesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden, zodat zij niet onnodig belast worden.
            Alles wat van buiten in (de buik van) de mens komt, kan niet onrein maken. Alleen wat uit (het hart van) de mens komt, kan onrein maken.
In zijn huis legt Jezus deze gelijkenis verder aan zijn leerlingen uit (7,17-23). Heel realistisch wijst Jezus erop dat de mens in het beeld van God geschapen is, met een goede en een kwade aandrift (Gen. 1,26v; 8,21) en dus tegen de Tien Woorden (Ex. 20,1-17; Deut. 5,6-22) kan ingaan door slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht enz. (7,21vv). Al deze zaken maken mensen onrein, niet het voedsel dat zij eten.

De discussie over rein – onrein hangt samen met de opdracht van God: Wees heilig, want Ik, JHWH, jullie God, ben heilig! Zoals God afgezonderd is van mens en wereld om God voor heel de schepping en alle mensen te kunnen zijn, zo moet Israël afgezonderd zijn van de (mensen-) wereld om bij de heilige God te kunnen horen en zo een zegen te kunnen zijn voor heel de wereld. Deze heilige afzondering behoedt de eigen identiteit en heeft als doel een toegewijd leven te leiden, toegewijd aan God en aan mensen. En dit krijgt gestalte in de opdracht: Heb je naaste lief als jezelf, heb de vreemdeling lief als jezelf! (zie Lev. 19,17.34).

Om heilig te kunnen zijn en blijven, zijn allerlei bepalingen ontstaan, onder andere rond rein –onrein.
Het gaat hierbij vooral om cultische (on-)reinheid, en heeft niets te maken met schoon – vies. De reinheidsregels zijn er om onderscheid te kunnen maken, om het leven te wijden en om de mystieke dimensies van het dagelijks leven naar boven te halen. Om te ontdekken dat niets vanzelfsprekend is, maar verwonderlijk, een gave van God.
            Jezus relativeert deze cultische (on-)reinheidsregels. Hij raakt een melaatse aan (1,40-45), eet met zondaars en tollenaars (2,13-17), laat zich aanraken door een vrouw die aan bloedvloeiingen lijdt en raakt de dode dochter van Jaïrus aan (5,21-43). Al deze geëxcommuniceerde mensen worden door Jezus weer in de gemeenschap opgenomen. Jezus maakt – cultisch gezien – vieze handen om mensen weer aan het leven en aan elkaar terug te geven. In het licht van deze gedragswijze is de discussie om ongewassen handen een futiliteit.

Uit de Thora- en Evangelielezing wordt duidelijk wie te gast mag zijn in de tent van de Barmhartige. Degene die metterdaad leeft naar de Thora, oprecht is in woorden en daden, gerechtigheid en het goede doet en zo het leven van mensen bevordert (vgl. Antwoordpsalm 15).

Literatuur
Y. Aschkenasy e.a., Geliefd is de mens, Hilversum 1981, 7-24
D. Bonhoeffer, Verzet en overgave, Baarn 2003, 397-398
P. van Boxel, Je zult achter de Heer je God aanwandelen, Hilversum 1982, 43-46
Flavius Josephus, De Oude Geschiedenis van de Joden, Baarn 1996, Boek III, 1,75-101
E. Jüngel, Lutherse preken bij het Oude Testament, Middelburg 2017
J. Smit, Het verhaal van Marcus, KBS 2011
Rowan Williams, God ontmoeten in Marcus, Berne 2017

 

Preekvoorbeeld

‘Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij.’ Getuite lippen, maar een achterbaks hart. Jezus haalt Jesaja aan en voegt eraan toe: ‘Wat uit de mens komt, van binnenuit, uit het hart, dat maakt de mens onrein.’
            Wij dichtten ons hart doorgaans mooiere eigenschappen toe. Wij zijn van de ruwe bolster, blanke pit. Je bedoelt het niet zo slecht. In de kern ben je okay. In onze harten gaat het goede, schone en ware rond. Jesaja is daar pessimistisch over. Dat goede, schone en ware is slechts lippendienst. In je hart ben je ver heen van God en mensen. Wat Jezus in jouw hart ziet rondgaan, is in één woord: onrein.

In het evangelie van vandaag wordt de reinheidskwestie gesteld. Jezus’ leerlingen eten met ongewassen handen, terwijl de joodse reinheidwetten daar juist heel scrupuleus over zijn: handen wassen, borden en bekers dompelen, kruiken en ketels spoelen. Alles waarin en waarmee voedsel wordt bereid, je moet het schoonmaken. Dat is niet alleen verstandig en hygiënisch. Het is ook hoe je het gewone leven tot worship en cultus maakt, hoe je de dagdagelijkse handelingen heiligt. Het ritueel is de stilering van het bestaan.

Jezus drijft de cultische reinheid op de spits. Niet wat je inneemt maar wat je uitbraakt, maakt een mens onrein. Niet wat je met al dan niet gewassen handen naar binnen werkt, is een reinheidskwestie, maar wat je eruit gooit, niet alleen met woorden, maar ook met daden, dat is onrein. Want het ene, van buiten naar binnen, komt slechts in je maag terecht en verdwijnt daarna in de beerput. Maar het andere, van binnen naar buiten, komt uit je hart voort, en nu we het toch over de beerput hebben, dát is er één, je bloedeigen hart, een doofpot en een beerput.         
            ‘Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid; al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’ Een doofpot, want daarin denken we al deze neigingen en onze schaamte ervoor toe te dekken, en een beerput, want vroeg of laat spuit het er toch uit.
            Ik zei ‘al deze neigingen’, maar daarmee doe ik veel te heroïsch over de mens, alsof de modale mens zo’n enorm scala aan kwaad in zijn handelingsrepertoire heeft. In werkelijkheid zijn wij geen tot de verbeelding sprekende, liederlijk levende zondaars, maar is het altijd dezelfde makken met ons: heb je hem weer. Voorspelbaar, altijd dezelfde onreinheid.          

Diep verankerd in ons denken: dat het van buitenaf komt. Wij worden tot zonde verleid. Het is de reclame, het zijn de media, de games die het doen. De gelegenheid maakt de dief. Had ze maar niet van die korte rokjes moeten dragen.
            Maar Jezus zegt Jezus: het komt van binnenuit, uit je hart, het zijn je eigen gedachten de je hiertoe brengen, het is je eigen hersenspinsel waarin je jezelf hebt verstrikt.

Wat is je hart, in de bijbelse symboliek? Bijvoorbeeld in een fundamentele profetische uitspraak: ‘Ik zal mijn wet in hun hart schrijven.’
            Dat betekent niet dat je er wel wat voor voelt, dat het als vanzelf gaat, dat je hart overstroomt van warme gevoelens en dat dat zo ongeveer hetzelfde is als wat God van je vraagt.
Nee, in de bijbelse taal, het Hebreeuws, komt de symboliek van het hart in de buurt van: hoe je in het leven staat, met welke kracht je dat doet, of je lef hebt. Dat is dus het woord dat hier staat, het hebreeuwse woord voor hart is lef. Het gaat erom hoe moedig je bent. Het hart, dat is: je dapperheid, je bezieling, je hoop. Het is: je kracht, het kompas waarop je koerst.
            Als de Heer spreekt van het nieuwe verbond: ‘Ik zal mijn wet in hun hart schrijven’, dan ligt er in je hart niet een emotie maar een beslistheid, niet een ontroering maar een keuze, niet een sentiment maar een daad.

Het bijbelse hart is steviger, hardgrondiger, dan het romantische hart. Bijvoorbeeld als het om de liefde gaat, is het romantische hart verliefd in rozengeur en maneschijn, maar het bijbelse hart maakt het waar in goede en kwade dagen, in rijkdom en armoede, in ziekte en gezondheid, alle seizoenen van het leven.
            Wat ik dus zeggen wil, is dat in de bijbel innerlijk en uiterlijk veel dichter bij elkaar liggen dan wat wij ervan maken. Wij kunnen uiterlijkheden als uiterlijkheden afdoen en menen dan dat het om ons innerlijk gaat en dat dat innerlijk van ons liefelijk is.
            Maar Jezus draait ons schema van buitenkant en binnenkant om. Hij zegt:
‘Niet wat de mond ingaat – van buiten naar binnen – maakt een mens onrein, maar wat de mond uitkomt, dat maakt de mens onrein.’ De taal die je uitslaat, die beweging van binnen naar buiten, wat je er allemaal uitgooit.
            Jezus spreekt over de huichelaars die wel de buitenkant van hun bekers en schalen afspoelen, maar de binnenkant blijft vol roofzucht en onmatigheid. Hij gaat daar tegenin: ‘Spoel eerst de binnenkant van de beker om, dan wordt de buitenkant vanzelf ook schoon’ (Mat. 23,25v).

Jezus is dus niet van het geloof in onze mooie binnenkanten. In de bijbel vind je dus ook niet de intentie-ethiek van: ‘Jawel, ik heb het wel verkloot, maar ik bedoelde het niet zo…’
            Intentie-ethiek, dat is hoe onvolwassenen over hun daden denken, en daarmee eigenlijk alles goedpraten: ik heb het wel verprutst, maar met de beste bedoelingen. Kijk toch niet naar wat ik heb aangericht, verschrikkelijk! Maar zie naar wat mijn intenties waren. Het is me uit de hand gelopen, maar ik heb het niet zo bedoeld. Intentie-ethiek: de binnenkant was wel goed, je goede voornemens, maar het is er niet uitgekomen.
            Nee, een intentie-ethiek vind je in de bijbel niet. Want ethiek beslaat het héle traject. Niet alleen wat je je voorneemt, maar ook wat je er uiteindelijk van bakt. Niet alleen je bovenste beste bedoelingen, maar ook dat je er áán blijft staan om het met bloed, zweet en tranen af te maken. Niet alleen dat je er wel voor voelt, maar ook dat je het waarmaakt als je er opeens even helemaal niet meer voor voelt.
            Het zijn je concrete daden. Daarop word je getoetst, daarvoor ben en blijf je aansprakelijk. Een volwassen mens verharmlost dat niet, verschuilt zich niet achter omstandigheden van ooit of van nu. Je staat ervoor, met de moed der wanhoop soms. Dít is je leven.

Geloof komt ook al niet van binnen. Tegen alle subjectivisme en individualisme in: geloof is geen zelfexpressie. En liturgie is geen geloofsuiting. De kerk is dat wel, een geloofsuiting, maar wat de kerk viert is een en al inning, inademen, inhaleren, het je weer te binnen brengen, herinneren. Liturgie, bijbel, gebed, eerbied, verwondering, stilte, ze komen niet uit onszelf voort. Ze worden ons gegeven, toegediend, ze zijn ons medicijn. Driemaal daags innemen, liefst nuchter.
            Geloof komt niet van binnen maar van buiten. Het is een geschenk, een gave, je ontvangt het met de hostie op de hand of op de tong. Je drinkt het je in uit de beker. Geloof, daar word je mee gevoed en gelaafd en gesterkt.
            Jezus stelt de reinheidskwestie. De buitenkant oppoetsen, dat is slechts voor de Bühne, de vorm en de schijn. De binnenkant, die moet geschoond. ‘Schep in mij een rein hart.’

Hoe dat gaat? Dat kan toch enkel – daarin is Jezus farizees – door een beweging van buiten naar binnen. Door de compassie die in jou wordt gewekt, door een ander die jou aanziet, door wat in Woord en Sacrament jou wordt aangezegd, verkondigd, vergeven – dat je dat ter harte neemt. ‘Voor God, de Vader, is alleen dit reine, zuivere godsdienst: weduwen en wezen bijstaan in hun nood, en je in acht nemen voor de wereld en onberispelijk blijven’ (Jak. 1,27).

 

inleiding Henk Janssen ofm
preekvoorbeeld drs. Klaas Touwen

 

webdesign: Artis