2 april 2018
Paasmaandag

Lezingen: Hand. 2,14.22-32; Ps. 16; Mat. 28,8-15

 

Inleiding

Op Paasmaandag bezingen we onze Paasvreugde met alleluia en Paasgezangen. Bij de beschouwing van de lezingen laten we ons leiden door het alleluia. Dat betekent ‘prijst God’. Begrip voor de verrijzenis van Christus is enkel te proeven als we ons volledig openstellen voor Gods grote daden. Zie de woorden van Petrus: ‘Maar God heeft Hem laten opstaan door een eind te maken aan de weeën van de dood, want het was onmogelijk dat Hij door de dood werd vastgehouden’ (Hand. 2, 24). Het evangelie van de verrijzenis kent een kader van taalgebruik, dat ons hart kan openen voor Gods daden.

Handelingen 2,14.22-32
Petrus spreekt vanuit bijbelse traditie: leven, alle leven is uit God en geborgen bij de Ene, onze God. Die geborgenheid wordt door de mensheid vanaf haar oorsprong bevroed. In het menselijk beleven is besef van grensoverschrijding, gevoel voor een hiernamaals. Al of niet in beelden van onderwereld en bovenwereld, van hel en hemel, van overschrijden naar de Hades, de overtocht. Men gaf dan voedsel mee voor die overtocht en voor ‘daar ter plekke’. Denk aan voorouderverering en het oproepen van geesten. In alle religie krijgt besef van ‘hierna’ op enigerlei wijze vorm. In de Bijbel evenwel met eigen accenten.

Toelichting
Israël, het volk van God, kent de discussie over een ‘hierna’, een ‘dan bij God’ met daarbij het oordeel over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Maar er is grote terughoudendheid over invulling van dat ‘hierna’, eigenlijk amper: dood is dood. Vandaar het stevige menings- verschil tussen Farizeeën en Sadduceeën over de verrijzenis, over wel of geen leven na de dood. In Jezus’ prediking en gelijkenissen echter beluisteren we, dat hij leeft met het stellig besef van een ‘hierna’. Denk aan het verhaal over de arme Lazarus en de rijke man, waarbij de arme wordt opgenomen in de schoot van Abraham (Luc. 16,31) met duidelijk een aspect van oordeel. In de tijd van de Tweede Tempel en de inter-testamentaire periode heeft zich meer invulling ontwikkeld in spreken over het hiernamaals. Engelen, aartsengelen, tronen en machten en ook duivels krijgen plek in de geloofsbeleving. In die tijd ontplooide zich een grootse ‘angelologie’.Vanuit die beleving en ervaring getuigen de Evangeliën over Jezus’ Opstanding. Petrus hoopt gehoor te vinden op basis van zijn argumenten uit m.n. de psalmen, zoals in Handelingen 2,24-28 en 34v.

Zie: H.M.J. Janssen ofm, ‘Petrus de verkondiger’ (Handelingen 1,1–6,7), in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Steenrots en struikelblok, Vught 2017, 60-73

Psalm 16
De psalmen zijn een en al getuigenis van een leven in verbondenheid met God, al biddend, klagend, hopend en steeds in vertrouwen op de Heer van alle leven. ‘De Heer is mijn erfdeel, mijn levensbeker, mijn lotsbestemming ligt in uw handen; ...want u geeft mijn leven niet aan het dodenrijk prijs, u laat uw vrome het graf niet zien (Ps. 16,5 en 10 ), door Petrus uitgebreid geciteerd. In de psalmen is er perspectief op ‘hierna’ zonder dat uitdrukkelijk over verrijzenis wordt gesproken. Hetzelfde geldt voor het citaat uit Psalm 110. God zal de mens redding brengen. Psalm 119 is een doorlopen getuigenis: leven is uit God en bij God. Zie ook Psalm 42,3: ‘Mijn keel dorst naar God, naar de levende God. Wanneer mag ik bij God komen, en zijn aanschijn zien?’ Petrus gebruikt dus woorden uit de traditie voor zijn getuigenis: ‘God heeft deze Jezus laten opstaan...Verhoogd aan Gods rechterhand’. Dit laatste is een bijzonder beeld van bij God zijn in de status van beloning. Denk aan de vraag van de moeder van de zonen van Zebedeüs (Mat. 20,20-23) en Jezus’ toespraak over de eindtijd in Matteüs 25.

Matteüs 28,8-15
Bij de getuigenissen over de Opstanding is het belangrijk te zien hoe wordt teruggegrepen op wat Jezus zelf heeft aangekondigd over zijn sterven en opstanding. Hij spreekt vanuit dat intense vertrouwen, zoals we dat in de psalmen vinden. Voor dit laatste moeten we oog hebben voor de vaak terugkerende spreekwijze over God waar het gaat over leven en dood. Op meerdere plaatsen zegt de Schrift: ‘God van alle sterven en leven’. Specifiek in die volgorde. Heel de schepping beweegt zich van ‘niet leven naar leven’, van duisternis naar licht. Alles en allen blijven geborgen in God. Zie o.a. 1 Samuel 2,6; Tobit 13,2.4; Hosea 6,1. In die beweging wortelt het groeiend besef van leven na de dood.
Nog een ander aspect. In Jezus’ spreken over zijn sterven en opstanding noemt hij bij herhaling ‘de derde dag’. Dat is niet willekeurig. De ‘drie dagen’ omkaderen fundamentele heilsbetekenis. Het getal ‘drie’ duidt bij herhaling op iets van belang. Meer dan 35 keer geeft de grondtekst dit aan*. Markant voorbeeld is de Openbaring op de Sinai in Exodus 19 en de inwijding van de Tweede Tempel in Ezra 6.
Jezus verbindt Zijn sterven en opstanding aan zulk kader van heilsbetekenis. Het verwijst naar Gods grote daden. Markant voorbeeld is o.a. Matteüs 12,38-41 over Jona; zie ook het gebed in Jona 2,1-11. Gods oordeel gaat gepaard met mogelijk verblijf van drie dagen in de onderwereld. Dus een nederdaling ‘ter helle’. God heeft macht over de onderwereld. Hernieuwd leven zien we in 1 Koningen 17,17-23, 2 Koningen 4,33vv en 13,21 en Wijsheid 16,13. Perspectief van nieuw leven, verrijzenis, krijgt een plaats in Israëls geloofsvisie, heilsverwachting in het ‘hierna’ en uiteindelijke heerlijkheid. Met name geldt dit voor martelaren op grond van Gods rechtvaardigheid en liefde, zie Daniël 12,2v.
In de verhalen over de verrijzenis klinkt dit door. In Matteüs 28,6 zegt de engel: ‘Hij is ten leven gewekt zoals Hij gezegd heeft’ en in vers 7: ‘Hij is uit de doden opgewekt... gaat u voor naar Galilea; daar zult ge Hem zien’. In de Paasdagen vieren wij Gods grote daden.         
* In de nieuwere vertalingen wordt ‘derde dag’ vaak weergegeven met ‘morgen’ of ‘overmorgen’, waardoor de lijn van het getal ‘drie’ onzichtbaar wordt. In de concordans op de Biblia Hebraica en evenzo op de Vulgata is dat na te zien.                                                              

 

Preekvoorbeeld

Als je op tweede paasdag naar de kerk komt, als de nieuwe paaskaars en de feestelijke versiering je er aan herinneren dat er iets bijzonders is geweest, dan heeft dat iets weg van een eerste dag na een familiefeest. De meeste gasten zijn weer naar huis toe. Je ziet ze nog wel een keer, maar meestal met een volgend feest of met een bijzondere gelegenheid.
Op een dag na een feest kom je soms met een kleine groep bij elkaar om nog wat na te praten over hoe het allemaal gegaan is en over hoe gezellig het was om met al die mensen weer eens bij elkaar te zijn. Het heeft je goed gedaan. Het is een fijne ervaring geweest en je kunt het weer een hele poos met je meedragen als een goede herinnering, waar je mee vooruit kunt, als de gewone dagen weer beginnen.

Nu de eerste dag van het Paasfeest voorbij is, staan we ook weer een beetje met beide benen op de grond. Dat past misschien ook het beste bij de maandag. Op maandagmorgen sta je wat dichter bij de werkelijkheid. Alles op zijn tijd. Je kunt geloven op zondag en je kunt geloven op maandag.

Gisteren hebben wij gevierd dat Jezus geen dode is gebleven. Hij leeft! In het evangelie stond te lezen: Hij is niet meer bij de doden. Kijk maar naar het graf. Het is leeg. Vandaag krijgen wij te horen: je kunt daar niet bij stil blijven staan. Je moet weer verder. Vandaag is het nog een halve zondag, maar morgen begint er weer een gewone dag. ‘Weest niet bevreesd. Gaat aan mijn broeders de boodschap brengen, dat zij naar Galilea moeten gaan en daar zullen ze Mij zien.’
Wij kunnen niet altijd stil blijven staan bij een dode. Het leven gaat door en of je wilt of niet, het leven eist je weer op. Het gezin, het werk, de mensen eisen weer onze aandacht op. Dat is ons Galilea. Daar mogen wij hem levend houden en daar mogen wij hem weer zien. Net als Petrus en net als de vrouwen mogen wij de verrijzenis van Jezus verder uitdragen.
Jezus, die aan het kruis geslagen is en die is omgebracht, is opgestaan, zegt Petrus. God heeft hem ten leven opgewekt. Het was Godsonmogelijk dat hij werd vastgehouden door de strikken van de dood. Het sluit naadloos aan bij wat we lezen en bidden in psalm 16, een gebed van David. Als je van God houdt en je aan hem vasthoudt, zal God je nooit laten vallen. Je kunt rustig gaan slapen. De Eeuwige zal je ziel en alles wat je bent niet aan het dodenrijk overlaten. Hij zal je niet uitleveren aan het graf. Als er één is op wie dat van toepassing is, dan is dat Jezus. Het was net alsof David dat al voorzag.
Als geen ander heeft Jezus vertrouwd op zijn Vader in de hemel. God zal me redden. In uw handen, Heer, beveel ik mijn geest. Vanuit een diepe verbondenheid met zijn Vader geloofde hij in een ‘hierna’. Hij die vandaag voor me zorgt en ons doet leven, zal dat ook morgen doen. Verrijzenis heeft alles te maken met een intens vertrouwen dat wij geborgen zijn in God. Liefde is sterker dan de dood. Liefde is sterker dan het praatje dat het lichaam van Jezus is geroofd. Dat is een dooddoener om ons voor de gek te houden. Het kwam de hogepriesters niet goed uit dat Jezus was verdwenen en daarom verdraaiden ze het verhaal.

Je kunt alleen maar in de verrijzenis geloven, als je zoals de vrouwen uit het evangelie, iets of heel veel met Jezus hebt. Als je van elkaar houdt, streep je elkaar nooit door. Je blijft voor elkaar leven. Verbondenheid is het kernwoord.
Je kunt je afvragen hoe dat bij ons is. Geloven wij nog vanuit ons hart of zijn we dode dienders, die alles plichtmatig doen? De meesten van ons zijn van huis uit in aanraking gekomen met Jezus Christus, ook al zie je steeds meer mensen die op latere leeftijd bewust voor Jezus Christus kiezen. In theorie weten we wel dat we ondergedompeld zijn in zijn leven, maar in de praktijk zien we hem de ene keer beter dan de andere keer. Het blijft altijd een zoeken van ‘waar hebben ze mijn Heer nu neergelegd’, maar af en toe krijgen we van die momenten, dat we gevoeliger zijn voor de diepte van ons leven. Dan kan het wat duidelijker worden dat de verrezen Heer geen ingebeeld sprookje is, maar een levend Iemand, die ons weer uitzicht geeft tot over de horizon. Hij leeft met ons mee en geeft ons perspectief. We mogen getuigen zijn van het Onzichtbare.
Om die Heer levend te houden in ons leven en in onze wereld, is het wel nodig dat we contact met hem houden, dat we net als de vrouwen zijn voeten omklemmen, die wegen van vrede gingen en die nog de sporen droegen van het kruis. Het gaat niet vanzelf. We moeten er tijd en aandacht aan besteden. Het kan soms heel veel van je vragen.
Het is altijd weer nodig, dat we ons bezinnen op zijn leven en sterven, dat wij zijn gedachtenis levend houden. Als we hem vergeten, wordt hij een vreemde voor ons.
Voordat de vrouwen op weg gingen om de broeders de boodschap te brengen, aanbaden zij hem als de Heer. Bezinning en actie horen altijd bij elkaar. Het een kan niet zonder het ander.
Zou Jezus het volgehouden hebben, als hij niet voortdurend zijn Vader voor ogen had gehouden? Zijn Vader gaf hem hoop en vertrouwen. Toen zijn vijanden zijn bloed wel konden drinken, gaf Hij zich geweldloos over en zei: ‘Dit is mijn bloed.’ Jezelf weggeven, je leven geven, dat bepaalde zijn leven.
Toen hij als een gebroken mens zijn leven gaf aan het kruis, bleef hij nog helemaal zichzelf, trouw aan zijn Vader, trouw aan de mensen voor wie hij het altijd opgenomen had. En deze weg heeft God, die sterker is dan dood en kwaad, bekrachtigd met zijn zegen en handtekening. Het was het begin van het nieuwe leven waarvan wij mogen blijven getuigen. In al zijn gebrokenheid was Jezus het meest gave paaslam dat we ooit hebben gezien. Het is goed dat wij hem levend houden, totdat hij komt.

           

inleiding drs. Frans Zwarts
preekvoorbeeld Jan Kortstee

 

webdesign: Artis