2 december 2018
Eerste zondag van de Advent

Lezingen: Jer. 33,14-16; Ps. 25; 1 Tess. 3,12–4,2; Luc. 21,25-28.34-36 (C-jaar)

 

Inleiding

Jeremia 33,14-16
Advent is een tijd van verwachting, gespannen zijn op wat ons te wachten staat.
           Onze verwachtingen zijn gericht op de toekomst, toch weten we dat ze gewekt zijn in de loop van ons verleden. De profeten van Israël laten hun verwachtingen vormen door Israëls geschiedenis.

Zo spreekt de profeet Jeremia zijn verwachtingen uit over Juda en Jeruzalem. De ondergang ervan moest hij aankondigen, en hij heeft daar zelf veel aan geleden.
           Zijn kritiek ging vooral uit naar koning Jojakim. Voor zijn vader, koning Josia, had Jeremia wel waardering. Die werkte mee aan de deuteronomistische reformatie: terug naar de Thora, naar een cultus en levenspraktijk die daaraan beantwoorden.
           Maar zijn zoon Jojakim, die hem opvolgde, ontpopte zich als een despoot die uit was op macht en rijkdom. Hij liet zijn volk dwangarbeid verrichten om schitterende paleizen voor hem te bouwen. Koning zijn betekende voor hem in luxe leven. Zonder zich wat aan te trekken van de waarschuwing van de profeet dat JHWH kennen betekent recht en gerechtigheid beoefenen (Jer. 22,13-19).

Wat de profeet voorspelde werd werkelijkheid. De dag van JHWH waarnaar het volk met verwachting uitzag, zou niet een dag van overwinning en vreugde zijn, maar een duistere, bittere dag van ondergang. De stad werd verwoest, de koning en het grootste deel van de bevolking in ballingschap gevoerd naar het verre Babylon.
       Daar zaten ze dan. In een uitzichtloze situatie. Waar zij naar verlangden laat zich raden.
       Maar nu mag de profeet een boodschap brengen die toekomst biedt. Hij mag een andere dag aankondigen: ‘De dag zal komen – spreekt JHWH – dat ik de belofte die ik het volk van Israël en Juda heb gedaan, gestand zal doen’ (Jer. 33,14).

Die belofte heeft betrekking op de terugkeer naar Jeruzalem. Jeremia schrijft daarover in een brief aan de ballingen (Jer. 29,1-31). Er waren er die als profeten optraden en de ballingen wijsmaakten dat ze al gauw naar Jeruzalem zouden terugkeren, maar Jeremia schrijft dat dit valse hoop is. De ballingschap kan nog lang duren. Bouw er maar huizen en leg tuinen aan, is zijn advies. ‘Als er in Babel 70 jaar voorbij zijn, zal ik naar jullie omzien. Dan zal ik mijn gelofte gestand doen door jullie naar Jeruzalem te laten terugkeren’ (Jer. 29,10).
           70 jaar betekent een volle tijd. Het is God zelf die de dag van vervulling bepaalt, wat een belangrijk aspect van alle verwachting is. Die dag zal zeker komen. Ze kunnen ernaar uitzien.

‘Op die dag, in die tijd, zal ik aan Davids stam een rechtmatige telg doen ontspruiten’ (Jer. 33,15). Dit roept de dagen van David op, toen Israël ervaren heeft hoe goed het was dat ieder tot zijn recht kon komen en er vrede was. Het koninkrijk van David werd het model, en zal gerealiseerd worden wanneer de koningen zich aan de Thora houden. Tot nu is er weinig van terecht gekomen, maar er komt een dag dat God aan de stam van David een koning laat voortkomen die recht en gerechtigheid in het land zal handhaven. Recht is de wetgeving, terwijl gerechtigheid het omvattend streven aanduidt om ieder zijn bestaan in welzijn te geven.

Een bijna identieke profetie staat al in Jeremia 23,5v: ‘De dag zal komen – spreekt JHWH – dat ik aan Davids stam een rechtmatige telg laat ontspruiten, die als koning een wijs beleid zal voeren en die in het land recht en gerechtigheid zal handhaven. Dan wordt Juda verlost en zal Israël in vrede leven. Zijn naam zal zijn: JHWH is onze gerechtigheid’.
           Een verschil is dat de nieuwe koning de naam JHWH is onze gerechtigheid zal dragen, terwijl in de lezing van de eerste adventszondag de stad Jeruzalem die naam krijgt. De belofte is hier ook meer op Juda en de stad Jeruzalem geconcentreerd, terwijl in Jeremia 23 heel het land, Israël en Juda, het rijk van David in vizier komt.
           De stad zal heten ‘JHWH onze gerechtigheid’. Gerechtigheid is het verwachtingspatroon geworden. Ze vormt het hart van het leven. God is erin aanwezig en vervult de harten van wie naar zijn komst uitzien en gerechtigheid doen.

1 Tessalonicenzen 3,12–4,2
Het eerste gedeelte (1 Tess. 3,12v) van deze korte lezing bestaat uit een bede van Paulus.
           Hij was vast van plan met zijn medewerkers, Silvanus en Timoteüs, naar Tessalonica te komen om er de christenen te sterken in hun geloof en aan te vullen wat nog ontbreekt.
           Maar het zat hem tegen: ‘de satan heeft het ons belet’ (1 Tess. 2,18).

Paulus hoopt dat de weg spoedig vrij komt ‘Moge Hij, onze God en Vader en onze Heer, voor ons de weg banen naar u’ (1 Tess. 3,11). Maar de vooruitgang van de gelovigen in Tessalonica hangt niet enkel van hun persoonlijke komst af. De Heer zelf is werkzaam in hun midden. ‘Moge de Heer u doen toenemen en overvloedig worden in de liefde’ (Luc. 3,12). De twee werkwoorden die Paulus gebruikt zijn bijna synoniem maar geven al een progressie aan doordat het tweede werkwoord sterker de groei uit uitdrukking brengt. Paulus bidt dat de liefde mag toenemen in intensiteit, maar ook in extensiteit.
           Zij zal niet tot de onderlinge liefde in de gemeente beperkt blijven, maar zich uitstrekken tot de liefde voor allen, ook voor de mensen die niet bij de gemeente horen, en met wie zij dagelijks verkeren.

De bede van Paulus richt zich ten slotte op de voltooiing van wat God met mensen bereiken wil: hun heiliging.
           Heel de mens is daarbij betrokken. Het hart is het centrum van voelen, willen, denken en doen. ‘Hij sterke uw harten, zodat gij onberispelijk zijt in heiligheid voor het aanschijn van onze God en Vader bij de komst van onze Heer Jezus’ (1 Tess. 3,13).
           Onberispelijk zijn in heiligheid is het hoogtepunt van de dynamische groei van de liefde voor allen: geheel toegewijd zijn aan God, en bevrijd van de zonde die de relatie tot God blokkeert.
           De komst van de Heer zal een toetsing van je leven inhouden, maar voor wie hem verwachten betekent ze bevrijding van het komende oordeel (1 Tess. 1,10).
Paulus en de gemeente van Tessalonica verwachten een spoedige komst van de Heer Jezus, wat stimuleert om meteen met de voorbereiding te beginnen.
           Waar Paulus om bidt, en ook de aansporingen die hij in het tweede gedeelte van deze korte lezing (1 Tess. 4,1v) geeft, bieden al een vol programma om de komst van de Heer Jezus in heerlijkheid én het Kerstfeest dat komt, voor te bereiden.

Zie: Th.A.F.M. van Adrichem ofm, ‘1 Tessalonicenzen. Het eerste geschrift van Paulus’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 20-27

 

Lucas 21,25-28.34-36

De evangelielezing is een gedeelte uit de toespraak van Jezus over de laatste dingen.
           In wat voorafgaat (Luc. 21,8-24) heeft Jezus gesproken over de ondergang van Jeruzalem en de tempel, en over al wat gebeuren zal, misbruik van zijn naam, oorlogen, opstanden, aardbevingen, hongersnoden, epidemieën. Grote verschrikkelijke tekens zullen er aan de hemel komen, maar eerst nog vervolgingen en haat, de belegering en verwoesting van Jeruzalem, vlucht of gevangenschap en wegvoering in ballingschap door de heidenen.
           Gebeurtenissen waarvan men denkt: ‘dat moet het einde wel zijn.’
En die gedachte bekruipt je al helemaal als je het evangelie van deze eerste zondag van de Advent hoort over tekens aan de zon en de maan, en de sterren, het gebulder van de zee, de hemelse machten die gaan wankelen. Lucas beperkt zich hierbij in de beschrijving van de apocalyptische verschijnselen die Marcus in zijn evangelie geeft. Hij vestigt de aandacht vooral op de gevoelens van de mensen: de mensen zullen sidderen van angst, ja ze zullen onmachtig van angst worden voor wat de wereld zal gebeuren en wat het totale einde lijkt. Maar dat is het niet. Wat dan wel?

De beschrijving van de laatste gebeurtenissen die ook in de Joodse apocalyptiek te vinden is, vormt geen scenario van het wereldeinde, is niet een soort chronologische onthulling, apocalyps, ervan. Nee, het gaat daarin om de verwachting waarmee wij mogen leven wanneer deze dingen gebeuren en deze wereld ten einde loopt.
           Van het laatste hebben wij wel weet door onze ervaring van de kwetsbaarheid en eindigheid van alle dingen. Als alle dingen eindig zijn en voorbijgaan, waar mogen we dan nog naar uitzien?

‘Kijk naar de vijgenboom’. Jammer dat de gelijkenis van de vijgenboom en de toepassing ervan (Luc. 21,29-33) in de evangelieperikoop van deze eerste adventszondag weggelaten zijn. Kijk naar de vijgenboom en de andere bomen. Als je ze ziet uitlopen weet je dat de zomer nabij is. Zo ook als je al deze dingen beleeft, weet dan dat het Rijk Gods nabij is. De wereldgeschiedenis loopt niet uit op niks. God is er.

Het gaat om het Koninkrijk van God waarvan we de voleinding mogen verwachten.
           Het Rijk Gods dat Jezus is komen brengen en waarvan je volgens hem de komst niet kunt berekenen en niet kunt zeggen ‘Kijk hier is het’ of ‘daar is het’, maar ‘het is midden onder u’ (Luc. 17,20).
           Het Rijk Gods dat gestalte krijgt door Jezus als Messias en als Mensenzoon die macht heeft om te vergeven en gekomen is om te redden wat verloren is, die dankzij Gods kracht demonen uitdrijft, die overgeleverd zal worden en veel zal lijden, maar door lijden en dood zijn heerlijkheid zal binnengaan (Luc. 24,26).
           In het Lucasevangelie spreekt Jezus al eerder over verschijnen van de Mensenzoon. Hij zal zich openbaren, en hij zal komen op een tijdstip waarop je het niet verwacht (Luc. 17,20-37 en 12,40).
           De komst van de Mensenzoon in macht en heerlijkheid – die aan het visioen van Daniel (Dan. 7,13) doet denken – laat zich niet berekenen, maar dat de dag ervan zal komen is wel zeker, hij zal komen over alle mensen.         
De verzameling van de uitverkorenen waarover Marcus vertelt (Mar. 13,27) heeft Lucas weggelaten. Het is bij hem vooral een dag van verlossing voor ieder die bij alles wat hij ziet gebeuren, zijn hoofd opricht en er met verwachting naar uitziet.

In het Marcusevangelie zijn de ondergang van Jeruzalem en de komst van de Mensenzoon aan elkaar verbonden. Wanneer Lucas zijn evangelie schrijft heeft de verwoesting van Jeruzalem al plaats gehad. De komst van de Mensenzoon blijft nog uit. Dit kan tot verslapping van de verwachting leiden. Daarom bij Lucas aansporingen om niet afgestompt te raken door roes en de zorgen van het dagelijkse leven, maar in het dagelijkse leven attent te zijn, te zien wat er gebeurt en te doen valt. Je kunt op de bescherming van God rekenen: ‘Geen haar van je hoofd zal gekrenkt worden... Red je leven door standvastigheid’ ( Luc. 21,18v). Dus trouw blijven in de navolging van Jezus en met vertrouwen uitzien naar zijn komst, dat is de boodschap.

Lucas verbindt het met gebed, waarvoor hij veel aandacht heeft in zijn evangelie. Hij vermeldt vaak dat Jezus in gebed is, vooral op de beslissende momenten van zijn leven, en dat Jezus oproept voortdurend te bidden zoals de weduwe die naar de rechter ging om haar zaak recht te doen en blijft aandringen tot ze haar zin krijgt.
           God zal zeker recht verschaffen aan wie zoals zij bidden. Maar de vraag is – zo eindigt
Jezus deze gelijkenis – zal de Mensenzoon als hij komt wel geloof op aarde vinden? (Luc. 18,1-8)

 

Preekvoorbeeld

Angst is een slechte raadgever, luidt het gezegde. Tegelijk is angst een van de basisemoties van de mens, en bovendien een heel sterke. Hij kan ons plotseling overvallen en ons vertrouwen als sneeuw voor de zon doen wegsmelten. Angst stelt een mens op scherp en maakt hem of haar alert – overalert soms.
           Bij angst reageren mensen op drie uiteenlopende manieren die alle met een v beginnen: vluchten, vechten of vastvriezen. Toen de Titanic ten onder ging, waren er mensen die overleefden omdat hun zintuigen zich zodanig versmalden dat ze een vluchtweg vonden. Anderen vochten, sommigen vergeefs maar anderen met succes, zodanig zelfs dat ze niet alleen zichzelf maar ook anderen wisten te redden. Maar er raakten ook mensen zo verstijfd van angst dat ze als het ware vastvroren aan de vloer. Van hen verdronk een groot aantal.

Het evangelie van vandaag is rijk aan huiveringwekkende apocalyptische beelden en verhaalt ook over de manier waarop mensen daarop reageren. Jezus heeft het over volkeren die angstig worden door ontzagwekkende tekenen aan de hemel en door het geraas van de zee. Zelfs de engelen zijn helemaal van slag. En dan is daar de Mensenzoon, die met groot machtsvertoon de mensheid in de houdgreep neemt. De neiging is groot om in een van de drie v-modi te schieten. Maar vluchten is zinloos, want niemand ontkomt aan het oordeel. Vechten ook, want je legt het toch af tegen die hemelse overmacht. Vastvriezen betekent dat je helemaal de pineut bent. Nee, op die dag zal de angst hoe dan ook het laatste woord hebben!
           Een apocalyptisch scenario kan zo overweldigend zijn dat we over het hoofd zien wat zich achter de coulissen afspeelt. Wie bevangen is door angst ziet een onverbiddelijk einde, maar wie verder kijkt, een nieuw begin. Een oude wereld gaat ten onder, maar alleen om plaats te maken voor een nieuwe. Een oppervlakkige lezer bespeurt angst, een aandachtiger lezer ervaart hoop. Krimp daarom niet in elkaar maar richt je op, zegt Jezus. Een mens die vervuld is van hoop, zal geen haar gekrenkt worden. Zo iemand weet: een tijd van gerechtigheid breekt aan. De schots en scheve wereld van machtsmisbruik, uitbuiting, vervolging zal worden opgeschud en in de juiste verhouding gezet.

De eerste lezing biedt een blik achter de coulissen van angst, wanhoop en uitzichtloosheid. Het geduld van het naar Babel weggevoerde deel van Israël en Juda wordt zwaar op de proef gesteld. Menigeen zal Babel als een eindpunt hebben beschouwd, met name nadat Jeremia het volk heeft voorgehouden dat het maar beter geduld kan oefenen door de stad te beschouwen als een voorlopig thuis. Zeventig jaar wachten, dat is in de ogen van die dagen langer dan een mensenleven. Kortom, verder dan een mens kan kijken. Hoe hoopvol is die belofte, als je weet dat je er zelf geen deel meer aan zult hebben? Dit perspectief biedt alleen hoop voor wie verder kan kijken dan de grens van zijn eigen leven, net zoals de middeleeuwse kathedralenbouwers zich ervan bewust waren dat ze de voltooiing van hun werk niet zouden meemaken. Een nieuwe generatie zou dat geluk echter wel smaken. De belofte die God zijn volk doet, is daarom alleen hoopvol voor wie zich opgenomen weet in iets dat hemzelf overstijgt. Ondanks de beproeving van het lange wachten zal het volk het tijdelijke thuis uiteindelijk verruilen voor het oorspronkelijke thuis.
           Hoewel, niet helemaal. Want dit oorspronkelijke thuis zal niet meer hetzelfde zijn als dat wat de mensen hebben verlaten. Het zal een nieuw en beter thuis zijn, omdat gerechtigheid er met een hoofdletter wordt geschreven. Niet alleen zal God zijn volk recht doen, het omgekeerde zal evenzeer het geval zijn. Onder leiding van een rechtmatige afstammeling van David, het oerbeeld van wat koningschap moet inhouden, zullen angst en wanhoop tot het verleden behoren.

Jezus hangt geen tijdlijn aan het toekomstperspectief dat hij zijn leerlingen schetst. Wanneer de Mensenzoon zal komen om de wereld in de juiste verhouding te zetten, weet niemand. Maar om te voorkomen dat dit moment de leerlingen als een donderslag bij heldere hemel overvalt, en vooral om voorbij hun angst te geraken, draagt Jezus hen op: ‘Zorg ervoor dat je geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen van het leven.’ Waar een melancholische cabaretier de quasi-heroïsche boodschap verkondigt dat je moet leven alsof het je laatste dag is, houdt Jezus zijn vrienden voor dat ze moeten leven alsof de eerste dag van een nieuw bestaan is aangebroken.
            Die dronkenschap hoeven we niet letterlijk te verstaan, want er zijn zoveel verschillende dingen waarmee we onszelf bedwelmen en daardoor vergeten waar het in het leven om gaat. Ieder mens heeft zo zijn verslavingen, die vaak een compensatie vormen voor wat ons leven in onze ogen ontbeert. Maar de zorgen en de angst waarmee ons bestaan omlijst is, vormen een nog grotere bedreiging. We kunnen er zo door behekst raken dat we vergeten dat God voor ons zorgt. Maar het lijkt vaak veiliger om de angst gelijk te geven, omdat die ons lijkt voor te bereiden op mogelijke gevaren. En dat is best te begrijpen, want wat mogen we verwachten van een God die nooit voorspelbaar is? Hij onttrekt zich geheel aan onze strategieën en doet altijd weer dingen die we niet verwachten. We hebben geen beschikking over hem, we hebben hem op geen enkele manier in onze greep. En toch mogen we op hem bouwen. Waar Jeremia de ballingen voorhoudt dat Babel niet het eindpunt is maar een tussenstation op weg naar een vertrouwd en tegelijk nieuw thuis, zo wekt Jezus bij zijn leerlingen het vertrouwen dat door de donkere coulissen van de oude wereld de zonnestralen van een nieuw bestaan breken.
           Oefenen wij onszelf in deze Adventstijd in het loslaten van alles wat ons in de houdgreep van de angst neemt. Laten we de drie v’s – vluchten, vechten en vastvriezen – verruilen voor drie nieuwe: verlangen, verwachten en vertrouwen.

 

inleiding drs. Nol Sales
preekvoorbeeld drs. Victor Bulthuis

webdesign: Artis