19 augustus 2018
Twintigste zondag door het jaar

Lezingen: Spr. 9,1-6; Ps. 34; Ef. 5,15-20; Joh. 6,51-58 (B-jaar)

 

Inleiding

Johannes 6,51-58 en Spreuken 9,1-6
Johannes 6 zet in met een versie van de ‘wonderbare spijziging’. De mensen willen Jezus vanwege dat wonder tot koning maken, maar hij laat zich niet tot koning maken, omdat hij het namelijk al is (v. 15). Datzelfde benadrukt hij, net als Marcus, in het hierop volgende verhaal van de storm op de zee: ‘Ik ben (het)’, de Heer over de machten (v. 20). Aan de andere oever gekomen, en gevonden bij Kafarnaüm, voert hij een uitvoerig gesprek over de zin van het teken van de spijziging. In een midrasj-achtige uitleg van Exodus 16 past hij het beeld van het manna voor Israël in de woestijn toe op zichzelf: zoals Israël, zoals de menigte hier niet kan leven zonder brood, zo kunnen ze ook niet leven zonder de Mensenzoon als het brood uit de hemel. In vers 51 trekt hij hieruit de conclusie: ‘Ik ben (!) het levende brood dat is neergedaald uit de hemel; wanneer iemand eet van dit brood zal hij leven tot in eeuwigheid; het brood dat ik zal geven, is mijn vlees voor het leven van de wereld.’
               In het jodendom rond de eerste eeuw spreken meerdere teksten van het manna als hetzij de wijsheid, hetzij de Thora, hetzij een identificatie van beiden. De identificatie door Johannes van het manna met de Mensenzoon ligt in diezelfde lijn. Daarom klinkt de lezing uit het boek Spreuken op deze zondag hier goed mee samen. Aan het slot van het eerste deel van dit boek doen eerst de wijsheid (Spr. 9,1-6) en vervolgens bij contrast de dwaasheid (Spr. 9,13-18) een uitnodiging uitgaan. De wijsheid heeft haar slachtvee geslacht en roept op van haar spijs te eten en de door haar gemengde wijn te drinken, om daarmee deel te krijgen aan de gave van wijsheid, dat is: de weg van het inzicht gaan en leven (v. 6). Voor Johannes is deze wijsheid dus belichaamd in de Mensenzoon.
               Bij het samenklinken met deze tekst uit Spreuken verschijnt de evangelielezing al snel in een eucharistisch verband, temeer waar in de verzen 53 tot 56 naast de spijs en de wijn van vrouwe wijsheid vlees (niet: lichaam) en bloed komen te staan. In de geschiedenis van de uitleg is dit niet zonder problemen gebleken. Calvijn wijst er bij de uitleg van vers 54 in zijn Johannescommentaar van 1553 niet zonder reden op, dat Augustinus pas over de maaltijd van de Heer komt te spreken nadat hij zijn bespreking van dit gedeelte tot een einde heeft gebracht. Voor Augustinus namelijk is de ‘spijs van het geloof’ bovenal geestelijk van aard. Bij vers 50 schrijft hij: wie, door van dit brood uit de hemel te eten, niet sterft ‘is hij die inwendig eet, niet uitwendig; hij die eet met het hart, niet hij die bijt met de tanden’ (het 26ste traktaat bij het Johannesevangelie §12, CCSL 36, 266 r. 22).
               Het ruwe taalgebruik in de verzen 54vv, waar sprake is van het tr?gein, dat is ‘kauwen’, ‘verorberen’ van het vlees van de Mensenzoon, voedde echter vooral vanaf de negende eeuw de behoeften van diegenen, die met de ouwel juist wél tastbaar, welhaast magisch Hemzelf tot zich wilden nemen. Deze opvatting dreigt de eucharistie echter tot een vorm van kannibalisme te maken, die, naar de plaats waar Jezus zijn woorden in de synagoge gesproken heeft (v. 59), als ‘kafarnaïsch’ bekend is geworden. De keuze lijkt dan te zijn: een letterlijke lezing, die de eucharistie tot een wel erg ruwe en smakeloze aangelegenheid maakt, of een geestelijke lezing, die dan moet afzien van een verwijzing naar de maaltijd van de Heer – welke lezing steun vindt bij die exegeten die het sacramentele gehalte van het vierde evangelie laag achten (hoe dan ook kent Johannes geen ‘instelling’ van de eucharistie). We komen straks op dit dilemma terug.
               Laten we nu eerst proberen te verstaan, waarom de leerlingen, na afloop van het onderricht van Jezus aan de Ioudaioi (vanaf v. 52) tot elkaar zeggen: ‘dit woord is sklèros, hard, wie kan het horen?’ (v. 60). Waarom is dit woord hard? Halachisch is het, na de grote vloed, wel toegestaan vlees te eten, maar geen vlees met het bloed dat daarin is (Gen. 9,4), want ‘het bloed van het vlees is zijn ziel’ (Lev. 17,14). Toch roept Jezus hier op precies dat wel te doen: ‘wie mijn vlees verorbert en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem’ (v. 56). Een blik in de concordantie maakt niet vrolijk (vergelijk voor het volgende: R. Zuurmond, ‘Vlees en bloed van de Mensenzoon’, ACEBT 13, 1994, 88-96). In Psalm 27 ziet de ik-figuur ‘kwaadwillenden op mij afkomen om mijn vlees te eten’ (v. 2). In Micha 3 eten de slechte leiders ‘het vlees van mijn volk’, trekken het de huid af, breken de beenderen en koken het in een pot (v. 3). En in Daniël 7 zegt men tot het tweede dier: ‘eet veel vlees’, dat is: richt veel slachtingen aan, kennelijk zoals een ‘etend’ zwaard velen ombrengt (v. 5). Met het bloed is het niet anders. Numeri 23: ‘het volk … zal zich niet neerleggen tot dit het … bloed van de verslagenen zal hebben gedronken’ (v. 24). En dan zijn er ook nog plaatsen waarin het drinken van bloed en het eten van vlees samen voorkomen als omschrijving van een ombrengen op meedogenloze wijze (Jes. 49,26; Ezech. 39,17vv).
               Al deze uitdrukkingen zijn goed van toepassing op de kruisdood van Jezus. Op Golgota ‘eet’ men zijn vlees en ‘drinkt’ men zijn bloed. Het ‘harde’ woord van Jezus in het evangeliegedeelte van vandaag heeft zo het karakter van een provocatie (T. Veerkamp in: Texte und Kontexte 109-111, 2006, 122). Hij roept de aanwezigen in de synagoge, en ook zijn leerlingen op om deel te nemen aan zijn executie, en wel aan de kant van zijn vijanden. Kom maar op, verorber me maar, kauw maar op mijn vlees, drink mijn bloed! Wie dat niet doet, staat erbuiten, heeft geen deel aan het brood uit de hemel, en evenmin aan het eeuwig leven en aan de opwekking (v. 54)! Deze provocerende oproep hangt samen met het eigenaardige koningschap, dat aan het begin van Johannes 6 aan het licht is gekomen. Jezus laat zich niet tot koning maken, want hij is het al, in zijn deelnemen aan het leven van zijn Vader die hem gezonden heeft (v. 57), en hij zal het bewijzen in zijn ‘verhoging’ straks aan het kruis. In het vierde evangelie is Jezus Heer van het begin af aan. Hij voert de regie, kun je met een veelbetekenend beeld zeggen. Ook wanneer hij eraan onderdoor gaat, blijft hij de regisseur. Hij is het ook die alle participanten in het drama hun plaats wijst. Diegenen die zijn woorden horen, moeten zich door hem hun plaats laten wijzen: en wel, nogmaals gezegd, uitgerekend aan de kant van de vijanden die hem ombrengen. Wie tot de door het getuigenis van Johannes samengeroepen gemeente wil behoren, zal zich in deze provocatieve regieaanwijzing moeten voegen.
               De Franse filosoof Michel Henry, die het in zijn laatste, onlangs ook in het Nederlands verschenen, geschrift hartstochtelijk – en op wijsgerige gronden – opneemt voor het goddelijk karakter van het Woord, eindigt precies met de evangelielezing van deze zondag (Woorden van Christus, Kampen 2016, 184v.): wanneer Christus spreekt, vraagt hij onze volstrekte identificatie met zijn vlees, met zijn zich machtig openbarend Woord. Dit is geen onderricht meer. Dit zijn woorden van redding. En er is geen redding door het Woord zonder participatie aan het Woord en de gang die dit maakt. Ook Henry kan het niet laten, bij deze figuur van participatie aan de communie te denken. Misschien kunnen we inmiddels zeggen: waarom ook niet? Een verantwoorde doctrina, een leer van de eucharistie laat zich vanuit Jezus’ woorden in Johannes 6,53-58 niet ontwikkelen. Zo’n leer ontkomt namelijk niet aan het genoemde dilemma: of ze luidt zo geestelijk dat ze de hardheid van Jezus’ provocatie ontkracht, of ze roept op tot een kannibalisme dat wel bij het verhaal van het kruis past maar niet bij het eucharistisch teken daarvan. Dat neemt niet weg, dat lezing van deze woorden bij de viering van de maaltijd de gedachtenis aan de verhoging van de Mensenzoon op indringende wijze heel confronterend maakt: etend van het brood en drinkend van de wijn, beseffen wij dat de redding van ons en van onze wereld niet aan de gewelddadige realiteit van mensen die, vlees verorberend en bloed zuigend, optreden als verscheurende roofdieren voorbij, maar dwars daardoorheen gaat.

Efeziërs 5,15-20
Zie: R. Hoet, ‘De brief aan de Efeziërs. Opbouwwerk’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), In naam van Paulus, Vught 2015, 47-53

 

Preekvoorbeeld

Wie ben je? Zeg me wat je eet en ik zeg je wie je bent.
Vandaag gaat het over brood en drank ten leven. We horen het vervolg op het verhaal waarin Jezus die grote menigte van vijfduizend heeft gevoed met vijf broden en twee vissen. Vandaag nodigt hij ieder mens uit om te eten van het brood dat hij zelf ís! ‘Eet mij’, zegt Jezus, ‘en je zult leven.’
Dit woord geldt ook voor jou en mij. Zoals het volk Israël bleef leven door de manna, zo zullen wij leven als we hem eten. Wij zullen leven door Jezus’ kracht, eeuwig leven zelfs omdat hij de koning is van alles.

‘Eet mij en drink mijn bloed’, zegt hij. Dat is ongehoord. Wij zijn toch geen kannibalen! Misschien ben je wel vegetariër. Dit is ongehoorde taal, confronterend. Allereerst omdat het de joden niet is toegestaan vlees te eten met bloed er in, want het bloed is verbonden met de ziel. Toch roept Jezus op om zijn bloed te drinken.
               Ten tweede is dit woord provocerend, omdat Jezus zijn vijanden ermee uitdaagt. Denk maar aan de uitdrukking ‘Ik kan zijn bloed wel drinken!’, dat betekent dat je hem graag kwijt wilt. Dat is precies waar Jezus op duidt. ‘Drink mijn bloed maar!’ Hij weet dat zijn vijanden hem graag kwijt willen, hij daagt hen uit met dit woord, daarom noemen de leerlingen het een ‘hard woord’. Jezus verwijst naar zijn executie aan het kruis. Hij daagt zijn vijanden uit hem te doden. Hij gelooft dat hij zelfs dit kwaad zal overwinnen.

Wat betekent zo’n uitdagende Jezus voor jou?
Voor mij betekent hij dat leven in liefde, jezelf geven ten dienste van anderen dus niet kapot kan, ook al lijkt het geweld in deze wereld veel en veel sterker. Ook al zie je hoe goede mensen worden weggemaaid door het geweld, zoals die goede pater Frans van der Lugt in de Syrische stad Homs, toch mogen we door Jezus geloven dat liefde het geweld overwint, wat er ons ook overkomt.

Het woord: ‘Ik ben het brood des levens, eet mij kun je ook in een spirituele zin verstaan. In de betekenis van: ‘ik vervul je geestelijke honger’. Dit is een belofte van Jezus: als je gelooft dat hij brood des levens is, mens geworden liefde van God, dan zul je leven!
Als je het brood van Jezus zelf tot je toelaat, krijg je kracht om te leven in zijn geest.

Waarom bent u eigenlijk naar de kerk gekomen vanmorgen?
Om uw zorgen, uw vreugde of verdriet aan God voor te leggen? Weet dan dat u niets bij de kerkdeur hoeft achter te laten. Heel uw hebben en houden mag mee naar binnen. Alle gebrokenheid en twijfel, al uw falen en goed doen. Want Jezus biedt ons zijn voedsel, zijn drank aan ons aan zoals we zijn. Hij wil zijn lichaam en zijn bloed laten doordringen in heel ons leven, zoals voedsel heel ons lichaam doordringt tot in onze botten en nieren. Als we hem eten en drinken vervult hij onze lichte en onze duistere kanten, vervult ons zó met zijn liefde dat ons leven op een hoger plan wordt getild.

Medechristenen, we mogen ons vandaag laten raken en voeden door Jezus in de hoop dat we meer gaan leven als hij en zelf brood worden voor de wereld.
Geheimzinnige woorden. Toch zie ik ze gebeuren in mensen…
In mensen die in hun familie vastzitten in ruzie, tot er een opstaat, die vanuit z’n hart luistert en die jou begrijpt en die de liefde belangrijker vindt dan het eigen gelijk.
               Ik zie het in mensen die maandelijks samen komen om te eten hier in het wijkhuis. Ze eten niet alleen om hun lichaam te voeden, maar ook hun ziel. Samen eten is gezelliger.
Ik zie het in dat dorpsgezin dat getroffen werd door een ramp. Een van hun kinderen werd doodgereden door een dorpsgenoot die dronken achter het stuur zat. Iedereen was geschokt en boos, totdat de vader zei: ‘Ik ga naar die chauffeur toe, die man heeft zo ook geen leven meer.’
Die vader had hem gezegd: ‘Wat er vandaag is gebeurd, dat is te groot voor jou. Die schuld kun jij alleen niet dragen. Ik vergeef jou.’ Bij de uitvaart was heel het dorp er, ook de chauffeur. Toen hij zijn straf had uitgezeten, kon hij gewoon in het dorp blijven wonen. Omdat niemand hem liet vallen kreeg hij kracht om een respectabel mens te worden.

We zijn als christenen maar gewone mensen en toch kunnen we teken van hoop zijn in onze gewelddadige wereld, we mogen hier samen bidden om brood te kunnen zijn voor de wereld, om te worden wat we eten als we ter communie gaan.

 

inleiding prof. dr. Rinse Reeling Brouwer
preekvoorbeeld drs. Paulus van Mansfeld

webdesign: Artis